RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/194104-23 vonnis van de meervoudige kamer van 17 mei 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1984 te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] , raadsman mr. N.P.C.C. Langenberg, advocaat te Breda. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 mei 2024, waarbij de officier van justitie mr. I.M. Peters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van zijn zonen [slachtoffer 1] (feit 1) en [slachtoffer 2] (feit 3), aan de mishandeling van zijn toenmalige partner [slachtoffer 3] (feit 2) en dat hij zijn (stief)kinderen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] geestelijk heeft mishandeld (feit 4). 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs Voor de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank eerst feit 2 bespreken. 4.1 Bewijswaardering - feit 2 ( verdenking mishandeling [slachtoffer 3] ) 4.1.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde mishandeling. 4.1.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit en daartoe aangevoerd dat er geen getuigen zijn van de beweerdelijke mishandeling. De aangifte wordt slechts ondersteund door de foto’s van het letsel, door de verklaringen van getuigen die letsel hebben geconstateerd en door een foto van een kapotte deur. Dit is niet voldoende om te kunnen spreken van wettig en overtuigend bewijs. 4.1.3 Het oordeel van de rechtbank Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster Naast verdachte en aangeefster (hierna: [slachtoffer 3] ) zijn er geen getuigen van de tenlastegelegde mishandeling. De rechtbank zal daarom allereerst beoordelen of de verklaringen van [slachtoffer 3] betrouwbaar zijn. De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 3] direct nadat de politie ’s nachts ter plaatse was aangekomen – dus kort na de gebeurtenissen – heeft verteld wat er zich heeft afgespeeld. Vervolgens vertelt zij nog diezelfde nacht aan haar moeder en de volgende ochtend aan haar vader wat er is gebeurd. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 3] gedetailleerd en consistent zijn en dat de inhoud van de verklaringen in voldoende mate steun vinden in de inhoud van andere bewijsmiddelen, te weten de omstandigheden waaronder [slachtoffer 3] door de verbalisanten wordt aangetroffen, het letsel dat de verbalisanten en de ouders van [slachtoffer 3] hebben waargenomen en de aangetroffen kapotte badkamerdeur. De rechtbank heeft daarom geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van haar aangifte en verklaringen, zodat de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 3] tot uitgangspunt neemt. Dat betekent dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen zal worden verklaard. Levensgezel? De rechtbank acht, anders dan de verdediging, bewezen dat sprake is van geweld begaan tegen een levensgezel, nu is gebleken dat verdachte ten tijde van het incident nog met [slachtoffer 3] samenwoonde en een gezamenlijke huishouding voerde. Dat de relatie tussen verdachte en [slachtoffer 3] - zoals verdachte aangeeft - officieel uit was, maakt dat niet anders. 4.2 Bewijswaardering - feit 1 ( verdenking mishandeling [slachtoffer 1] ) 4.2.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde mishandeling. 4.2.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van dit ten laste gelegde feit en heeft daartoe aangevoerd dat er maar één getuige ( [slachtoffer 3] ) is die de tenlastegelegde mishandeling zou hebben gezien. De verklaring van [slachtoffer 3] wordt onvoldoende ondersteund. Volgens verdachte was [slachtoffer 3] niet in/bij de caravan aanwezig en heeft ze dus niets kunnen zien. 4.2.3 Het oordeel van de rechtbank Onder feit 1 wordt aan verdachte verweten dat hij in de periode van 26 juli 2021 tot en met 15 augustus 2021 zijn zoon [slachtoffer 1] op een camping in [plaats 1] heeft mishandeld. De rechtbank overweegt dat voor bewezenverklaring van mishandeling vast moet staan dat pijn of letsel is opgetreden en dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte hierop was gericht. De rechtbank heeft hiervoor onder 4.1.3 vastgesteld dat zij de verklaringen van [slachtoffer 3] ten aanzien van haar eigen mishandeling betrouwbaar acht. Er is in het dossier en in hetgeen is besproken tijdens het onderzoek ter terechtzitting geen aanleiding om ten aanzien van haar verklaring over dit feit anders te oordelen. De rechtbank zal de verklaring van [slachtoffer 3] daarom ook ten aanzien van dit feit als uitgangspunt nemen. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij zag dat verdachte [slachtoffer 1] een schop gaf. Dat verdachte [slachtoffer 1] heeft geschopt, wordt ondersteund door de verklaring van verdachte die hij ter zitting heeft afgelegd. Volgens verdachte heeft hij [slachtoffer 1] uit schrik een ‘schop onder zijn hol’ gegeven, omdat [slachtoffer 1] kort daarvoor met kracht een bal in het gezicht van [slachtoffer 2] had getrapt. De rechtbank volgt de verklaring van verdachte dat het slechts een zachte schop was niet. Uit de verklaring van [slachtoffer 3] blijkt immers dat verdachte [slachtoffer 1] met volle kracht in zijn zij heeft geschopt en dat [slachtoffer 1] meteen daarna begon te huilen. Uit schrik trappen impliceert bovendien dat het niet beheerst was. Het is daarbij een feit van algemene bekendheid dat wanneer een volwassen man een kind trapt, dit bij het kind pijn oplevert. Verdachte heeft door [slachtoffer 1] met volle kracht te schoppen dan ook in elk geval bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] pijn zal krijgen (voorwaardelijke opzet). Dat betekent dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen zal worden verklaard. 4.3 Vrijspraak - feiten 3 en 4 ( verdenking mishandeling [slachtoffer 2] en psychische mishandeling [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] ) 4.3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie aangevoerd dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 2] door verdachte hardhandig in de kinderwagen is gelegd, maar niet te bewijzen is of dit pijn of letsel heeft veroorzaakt bij [slachtoffer 2] . Alsook niet dat het opzet van verdachte daarop gericht was. Ten aanzien van de onder 4 tenlastegelegde psychische mishandeling van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] heeft de officier van justitie aangevoerd dat het dossier onvoldoende concreet is geworden om vast te kunnen stellen dat het schelden richting [slachtoffer 3] en de kinderen van die orde is geweest dat dit mogelijk schadelijk voor de kinderen was. Uit het dossier volgt onvoldoende welke incidenten waar en wanneer plaats hebben gevonden en welke kinderen daarbij aanwezig waren. De officier heeft daarbij benadrukt dat het feit dat zij vrijspraak vordert niet wil zeggen dat zij geen geloof hecht aan de verklaringen van aangeefsters. Het gaat om een juridisch oordeel waarbij geen kant gekozen wordt en waarbij een pleidooi tot vrijspraak niet zegt dat het niet is gebeurd. Het openbaar ministerie is van mening dat er onvoldoende bewijs is. Dat is een ander oordeel. 4.3.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten. De verdediging heeft hiertoe het volgende aangevoerd: - Ten aanzien van feit 3 geldt dat [getuige] ruim een jaar na het incident een verklaring heeft afgelegd. De kans is groot dat zij niet alles precies meer weet. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat verdachte [slachtoffer 2] vaak met flinke kracht in zijn bed gooide, maar zij heeft het niet over een specifieke gebeurtenis in Limburg. Dat de handelwijze van verdachte misschien niet handig is geweest, wil nog niet zeggen dat sprake is van mishandeling. Hardhandig optreden is niet hetzelfde als opzettelijk iemand bezeren. Van pijn of letsel bij [slachtoffer 2] is niet gebleken. - Ten aanzien van feit 4 geldt dat uit het dossier niet volgt dat verdachte [slachtoffer 3] heeft uitgescholden in het bijzijn van de kinderen, althans dat dit stelselmatig gebeurde. Niet blijkt hoe vaak er door verdachte is gescholden, tegen wie en met welke woorden of intensiteit dit is geweest. 4.3.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 3: mishandeling [slachtoffer 2] Op basis van de verklaringen van [slachtoffer 3] en [getuige] kan worden vastgesteld dat er in de ogen van [slachtoffer 3] en [getuige] sprake is geweest van het door verdachte hardhandig in de kinderwagen leggen van [slachtoffer 2] . Op grond van de stukken in het dossier kan echter niet worden vastgesteld dat [slachtoffer 2] hierdoor pijn of letsel heeft ondervonden. Dit maakt dat de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel is dat de mishandeling van [slachtoffer 2] niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken. Feit 4: psychische mishandeling [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] Hoewel het dossier aanwijzingen bevat voor de tenlastegelegde psychische mishandeling, leveren deze onvoldoende wettig en overtuigend bewijs op. Uit de aangifte van [slachtoffer 3] en de getuigenverklaringen blijkt niet concreet wat er is gebeurd, wanneer, in welke context dat is gebeurd en wat dat dan in juridische zin precies oplevert. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een bewezenverklaring van de onder feit 4 ten laste gelegde psychische mishandeling door verdachte van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] , zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken. Dat verdachte wordt vrijgesproken van bovenstaande feiten betekent niet dat de rechtbank geen geloof hecht aan de verklaringen van aangeefsters. De rechtbank is echter gehouden om te beoordelen of er voldoende bewijs is van de tenlastegelegde feiten en dit is niet het geval. 4.4 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in Bijlage II aan het vonnis gehecht. 4.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1 op een tijdstip in de periode van 26 juli 2021 tot en met 15 augustus 2021 te [plaats 1] , gemeente Westerveld zijn kind, [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedag 2] 2011), heeft mishandeld door deze voornoemde [slachtoffer 1] eenmaal (met kracht) te schoppen tegen het lichaam; 2 op 10 oktober 2021 te [plaats 2] zijn levensgezel, [slachtoffer 3] , heeft mishandeld door: - die voornoemde [slachtoffer 3] bij haar wangen en kaken vast te pakken en vervolgens in die wangen en kaken te knijpen en - die voornoemde [slachtoffer 3] hardhandig bij de schouders vast te pakken en vervolgens die [slachtoffer 3] door elkaar te schudden en - die [slachtoffer 3] te slaan op haar oogkas en - water op haar neus en mond te gieten waardoor die [slachtoffer 3] geen lucht meer kreeg en - die [slachtoffer 3] hardhandig mee te sleuren en - die [slachtoffer 3] bij de keel te pakken. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van honderd uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes weken met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel moeten de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering in het over verdachte opgemaakte rapport van 26 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.