RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/401002 FA RK 22-3904 beschikking betreffende echtscheiding van 16 januari 2024 in de zaak van [de man] , wonende te [woonplaats 1] , België, hierna te noemen de man, advocaat mr. M.C.J.G. Kathmann, en [de vrouw] , wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. C.M.C.J. van der Sprong.
(182)bij de comparant sub 1[rechtbank: de man] in privé geplaatste aandelen, nominaal groot eenhonderd Euro (Eur.100,00) en genummerd 1 tot en met 182, in het maatschappelijk kapitaal van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: [bedrijf 1] B.V., gevestigd te [plaats] en kantoorhoudend aldaar, [adres 1] ( [postcode] ), en ingeschreven in het Handelsregister aldoor onder [nummer] ; C. alle aandelen in het kapitaal van voormelde vennootschap, welke eventueel in de toekomst door de comparant sub 1 [rechtbank: de man] verkregen zullen worden op welke wijze dan ook; D. hetgeen door zaaksvervanging overeenkomstig artikel 1:124 lid 2 Burgerlijk Wetboek voor de sub A, B en C bedoelde goederen in de plaats treedt alsmede de opbrengsten daarvan. Artikel 2 Alle baten ter zake van de krachtens het vorige lid privé gebleven goederen komen ten goede aan de desbetreffende gerechtigde, terwijl alle schulden, kosten en belastingen ter zake van die goederen, waaronder begrepen die met betrekking tot de uitoefening van daartoe behorende rechten, voor rekening van die gerechtigde komen. (…)” 3.46. Ingevolge artikel 1:99 lid 1 sub b BW wordt de gemeenschap van goederen ontbonden op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding, te weten [datum 2] 2022. Voor het bepalen van de peildatum voor het vaststellen van de samenstelling en de omvang van de huwelijksgemeenschap kan van dit tijdstip niet worden afgeweken, ook niet op grond van de redelijkheid en billijkheid. 3.47. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt als peildatum voor de waardering van de tot de gemeenschap behorende goederen, in de regel de datum van verdeling. Dit is slechts anders als partijen een andere datum zijn overeengekomen of als op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard. 3.48. Tussen partijen is niet in geschil dat de volgende vermogensbestanddelen in de vermogensrechtelijke afwikkeling moeten worden betrokken: a- de echtelijke woning staande en gelegen aan [adres 2] te [woonplaats 1] , België, de daaraan verbonden hypothecaire leningen bij de Rabobank en de daaraan gekoppelde spaarverzekering bij Interpolis ( [polisnummer] ); b- de inboedel; c- de saldi van de bankrekeningen; d- de auto’s. 3.49. Partijen verschillen van mening of de schuld aan [bedrijf 1] B.V. in rekening-courant, op enige wijze betrokken moet worden in de afwikkeling. 3.50. Op de mondelinge behandeling is verder nog stilgestaan bij de vraag of de waarde van de aandelen van de B.V. in de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dient te worden meegenomen, maar naar het oordeel van de rechtbank laat artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden er geen misverstand over bestaan dat deze buiten de reikwijdte van de huwelijkse voorwaarden valt. De vrouw heeft weliswaar, onder verwijzing naar aantekeningen van de notaris, opgemerkt dat de huwelijkse voorwaarden anders dienen te worden uitgelegd en dat het op de weg ligt van de man om de waarde van de aandelen aan te tonen, maar zij heeft nagelaten hier verdere juridische consequenties aan te verbinden dan wel een gemotiveerd en onderbouwd verzoek diengaande te doen zodat hieraan voorbij wordt gegaan. Ad a- de echtelijke woning staande en gelegen aan [adres 2] te [woonplaats 1] , België, de daaraan verbonden hypothecaire leningen bij de Rabobank en de daaraan gekoppelde spaarverzekering bij Interpolis 3.51. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning aan de man kan worden toebedeeld, dat hij de hypothecaire leningen, volgens opgave van partijen ter hoogte van totaal € 508.000,=, zal overnemen en zal dragen als eigen schuld en waarbij hij ervoor zorg zal laten dragen dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor die schulden. Daarbij heeft dan wel te gelden dat dit alleen kan als hij ook financieel in staat zal zijn, met inachtneming van de waarde van de spaarverzekering op moment van overdracht, de alsdan te berekenen overwaarde met de vrouw af te rekenen. In geschil is de in aanmerking te nemen waarde van de woning alsmede de voorwaarden die de man aan toedeling van de woning aan hem heeft gesteld zoals de termijnen waarbinnen dit dient te gebeuren, een door de vrouw te tekenen volmacht voor levering en de door beide partijen te dragen kosten van taxatie en de notariële kosten. 3.52. De mondelinge behandeling is voor enige tijd geschorst voor overleg tussen partijen. Na hervatting van de behandeling hebben partijen verklaard dat zij geen overeenstemming hebben bereikt en dat zij het aan de rechtbank laten om onder meer een makelaar aan te wijzen die partijen vervolgens gezamenlijk zullen benaderen om de woning bindend te laten taxeren. De rechtbank verwijst partijen in dit verband naar Makelaars-en Assurantiekantoor [bedrijf 2] ., gevestigd te [plaats] . Deze makelaar zal door partijen gezamenlijk worden verzocht om de waarde in het vrije en economische verkeer, vrij van recht van gebruik of bewoning, te bepalen en wel per heden. De kosten hiervan worden door partijen bij helfte gedeeld. Het is aan de man om binnen 4 weken na de datum van een uitgebracht taxatierapport te bezien, en aan te vrouw te laten weten, of hij de woning voor deze waarde aan zich toe kan laten scheiden met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en onder afrekening van de overwaarde (taxatiewaarde + waarde spaarverzekering – hypothecaire geldleningen) met de vrouw. Vervolgens heeft hij dan 2 maanden de tijd om dit te realiseren. Lukt of wil de man dit niet, dan wordt de woning door partijen gezamenlijk te koop aangeboden bij genoemde makelaar. Indien en voor zover de man in staat is om de woning daadwerkelijk aan zich toe te laten scheiden zijn de kosten van de notariële overdracht voor rekening van de man nu hij de woning toegedeeld krijgt. De rechtbank ziet ten slotte geen aanleiding om de vrouw te verplichten een volmacht te ondertekenen voor levering van de woning aan de man dan wel aan een derde. Gelet op het uitgangspunt dat partijen het erover eens zijn dat de woning in beginsel aan de man kan worden toegedeeld of anders verkocht, valt niet in te zien waarom de vrouw niet zou meewerken. 3.53. Hoewel ter zake geen verzoek voorligt hebben partijen op de mondelinge behandeling bevestigd dat zij het erover eens zijn dat het huurrecht van de woning aan [adres 3] te [woonplaats 2] wordt toegekend aan de vrouw. Ad b Inboedel 3.54. Tussen partijen staat vast dat de gemeenschappelijke inboedel inmiddels onderling is verdeeld met gesloten beurzen. Op de mondelinge behandeling zijn partijen aanvullend overeengekomen dat de vrouw op 11 oktober 2023 om 10.00 uur haar persoonlijke spullen uit de echtelijke woning kan komen ophalen en dat de man, zijn vriendin en het hondje dan niet aanwezig zijn. Voorts zijn partijen het erover eens dat het paard [naam] buiten de afwikkeling van het vermogen valt en dat deze van [minderjarige] is. Ook zal de man, indien [minderjarige] haar persoonlijke spulletjes uit de echtelijke woning wil meenemen dat toestaan. Ad c Saldi op diverse bankrekeningen 3.55. Voor wat betreft de peildatum voor de hoogte van de saldi van de bankrekeningen gaat de man uit van de datum die zo dicht mogelijk ligt bij de datum van de indiening van het verzoekschrift, te weten 2 september 2022. De vrouw stelt voor om uit te gaan van of 31 augustus 2021, de datum van het uiteengaan van partijen, of 31 maart 2022, de datum vanaf wanneer de man de voorlopige partneralimentatie betaalt, of 31 augustus 2022, de datum rondom het indienen van het verzoekschrift. 3.56. Zoals de rechtbank hiervóór heeft overwogen, kan voor het vaststellen van de samenstelling en de omvang van de huwelijksgemeenschap niet van het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding, te weten [datum 2] 2022, worden afgeweken. De (hoogte van
- de)saldi van bankrekeningen op dat moment, [datum 2] 2022, zijn dan ook onderdeel van de omvang van de huwelijksgemeenschap; de waarde van de vorderingen (op de bank) fluctueert immers niet nadien. 3.57. Ter beoordeling staan de volgende rekeningen: a.
- a)ABN Amro privérekening op naam van de vrouw met nummer [rekeningnummer 1] ;
- b)ABN Amro privérekening met nummer [rekeningnummer 2] op naam van partijen;
- c)ABN Amro Direct Sparen op naam van de vrouw met nummer [rekeningnummer 3] ;
- d)Rabobank Direct rekening op naam van de vrouw met nummer [rekeningnummer 4] ;
- e)ABN Amro Direct Sparen rekening op naam van de man met nummer [rekeningnummer 5] ;
- f)ABN Amro effectenrekening op naam van de man met nummer [rekeningnummer 6] ;
- g)ABN Amro Zelf Beleggen Plus rekening op naam van de man met nummer [rekeningnummer 7] ;
- h)KBC Bank zichtrekening op naam van beide partijen met nummer [rekeningnummer 8] ; i.
- i)Saxo rekening met nummer [rekeningnummer 9] ;
- j)ABN Amro rekening met nummer [rekeningnummer 10] . 3.58. Op de mondelinge behandeling is gebleken is dat partijen het eens zijn over de navolgende verdeling: ad a: Het saldo per 2 september 2022 bedraagt € 1.214,27. De vrouw is gehouden aan de man te voldoen de helft oftewel € 607,14. De rekening zal worden toebedeeld aan de vrouw; ad b: Het saldo per 2 september 2022 bedraagt € 174,33. Partijen zijn ieder gerechtigd tot de helft van dit saldo. De rekening zal worden opgeheven; ad c: Het saldo van deze rekening bedraagt per peildatum € 6.000,=. De vrouw is gehouden € 3.000,= aan de man te voldoen waarbij de rekening aan haar wordt toebedeeld; ad d: Het saldo van deze rekening bedraagt per peildatum € 676,16. De vrouw is gehouden € 338,08 aan de man te voldoen, waarbij de rekening aan haar wordt toebedeeld; ad e: Het saldo van deze rekening bedraagt per 2 september 2022 € 43,71. De man is gehouden aan de vrouw te voldoen: € 21,86. De rekening zal aan de man worden toebedeeld; ad f en g: Het totale saldo op deze rekeningen per 2 september 2022 bedraagt € 28.617,86. De man is gehouden € 14.308,84 aan de vrouw te voldoen. Aan de man worden deze rekeningen toebedeeld; Ad h: Het saldo van deze rekening bedraagt per 2 september 2022 € 76,95. Het saldo zal worden verdeeld bij helfte. Ieder heeft recht op € 38,48. De rekening zal daarna worden opgeheven. 3.59. In geschil is of de saldi op de rekeningen zoals genoemd onder i. en j. tot het huwelijksvermogen behoren en dus dienen te worden verdeeld. De vrouw stelt zich op het standpunt dat, nu deze (zakelijke) rekeningen zijn gevoed met gezamenlijk inkomen, de saldi verdeeld moeten worden. De zakelijke- en privékasstromen liepen tijdens het huwelijk door elkaar zodat niet meer kan worden gesproken van een puur zakelijke rekening die buiten de verdeling zou vallen. De man stelt dat de saldi van deze rekeningen behoren tot het vermogen van een rechtspersoon en niet tot het huwelijksvermogen van partijen. 3.60. Vast staat inmiddels dat beide rekeningen te naam zijn gesteld van een rechtspersoon. Zo volgt onder meer uit productie 37 van de man dat de ABN Amro rekening met nummer [rekeningnummer 10] te naam is gesteld van [bedrijf 3] B.V. te [plaats] , een dochteronderneming van [bedrijf 1] B.V. De rechtbank passeert mitsdien het standpunt van de vrouw omdat de rekeningen onder i. en j. niet van partijen zijn, maar van een rechtspersoon waaronder een van de vennootschappen waar de man (indirect) aandeelhouder van is. De door de vrouw gestelde omstandigheid dat de zakelijke en privé kasstromen van partijen door elkaar liepen kan niet leiden tot wijziging van de aanspraak op het saldo van een bankrekening. 3.61. Het vorenstaande betekent dat - de vrouw aan de man dient te voldoen: € 3.945,22 (€ 607,14 + € 3.000,= + € 338,08); - de man aan de vrouw dient te voldoen: € 14.330,70 (€ 21,86 + € € 14.308,84); - beide partijen € 38,48 en € 87,17 ontvangen van de gezamenlijke rekeningen. Ad d. Auto’s 3.62. Tussen partijen staat vast dat er sprake is van twee auto’s namelijk een Mini-Cooper en een Volvo en dat deze tot het huwelijksvermogen behoren. Gebleken is dat de auto’s feitelijk al zijn verdeeld in die zin dat de Mini-Cooper is toebedeeld aan de vrouw en dat de Volvo is toebedeeld aan de man. Voorts staat vast dat ieder van partijen gebruik maakt van de aan haar/hem toegescheiden auto sinds het uiteengaan van partijen. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om uit te gaan van de waarde op het moment van de feitelijke verdeling destijds. Uit de in het geding gebrachte stukken volgt een waarde van toentertijd ter hoogte van € 7.000,= (de Mini-Cooper) respectievelijk € 34.000,= (de Volvo). Aldus dient de vrouw aan de man te voldoen een bedrag ter hoogte van € 3.500,= en de man aan de vrouw een bedrag ter hoogte van € 17.000,=. Ad e. Rekeningcourantschuld 3.63. De man heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat de gemeenschap een vergoedingsschuld aan hem heeft omdat de opnames van de man in rekening-courant bij de B.V. ten goede zijn gekomen aan partijen. Er heeft mitsdien een vermogensverschuiving plaatsgevonden waarbij de man jegens de gemeenschap recht heeft op vergoeding van het nominale bedrag. Op de mondelinge behandeling heeft hij dit standpunt verlaten. Hij verzoekt nu om de rekeningcourantschuld voor een bedrag ter hoogte van € 86.980,= mee te nemen in de afwikkeling. Met dat geld zijn de auto’s van partijen betaald. Volgens hem is de vrouw dus voor de helft draagplichtig voor deze schuld ter hoogte van voornoemd bedrag. De rest van deze rekeningcourant schuld, dus alles boven genoemd bedrag van € 86.980,=, neemt hij voor zijn rekening en zal hij als eigen schuld voldoen, aldus de man. De vrouw voert verweer en stelt dat van haar niet kan worden verwacht dat zij een deel van die schuld voldoet c.q. voor haar rekening moet nemen. Zo heeft de man nagelaten haar deugdelijk te informeren over de (hoogte van
- de)schuld aan de B.V. Als zij had geweten dat er bedragen in rekening-courant door de man werden opgenomen voor de aanschaf van dure gemeenschapsgoederen dan had zij daar nooit mee ingestemd. De omstandigheid dat de man de financiering van de aankoop van de auto’s heeft geregeld zoals hij nu gedaan heeft, komt voor zijn rekening en risico. Verder doet de vrouw een beroep op artikel 1:95a lid 2 BW. De vrouw stelt dat de man bij machte was zich een redelijke vergoeding door de B.V. te laten uitkeren voor de arbeid die hij in de B.V. heeft verricht. Als hij dat had gedaan, en zich dus een redelijke vergoeding had uitgekeerd hetgeen ook volgens haar financieel mogelijk was, dan had hij daarmee de aankoop van de auto’s kunnen financieren. De opnames in rekening courant ofwel het opbouwen van een schuld, was niet noodzakelijk. 3.64. De rechtbank stelt voorop dat ingevolge de hoofdregel van artikel 1:100 BW beide echtgenoten gelijkelijk draagplichtig zijn met betrekking tot gemeenschapsschulden tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden, een andere draagplicht voortvloeit. 3.65. De rechtbank is van oordeel dat voor de door de vrouw bepleite afwijking van de uit artikel 1:100 lid 1 BW voortvloeiende draagplicht bij helfte in deze zaak geen grond is. Dat de vrouw onwetend zou zijn over de (hoogte van
- de)schuld dan wel dat deze (onnodig) werd aangewend voor de aanschaf van gemeenschapsgoederen is enkel gesteld, maar niet onderbouwd. Het had op de weg van de vrouw gelegen om in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man haar stellingen met feiten en omstandigheden en stukken nader te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten. Voor zover deze stellingen wel vast zouden (komen
- te)staan dan zijn die feiten en omstandigheden niet zodanig uitzonderlijk dat verdeling van de draagplicht bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid jegens de vrouw onaanvaardbaar zou zijn. Onwetendheid van de vrouw – zo daarvan sprake zou zijn – rechtvaardigt op zichzelf geen afwijking van artikel 1:100 BW. De conclusie is dan dat er in dit geval geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die afwijking van de hoofdregel van artikel 1:100 BW (verdeling bij helfte) rechtvaardigen. 3.66. Voor wat betreft het beroep van de vrouw op artikel 1:95a lid 2 BW begrijpt de rechtbank de redenering van de vrouw aldus dat, omdat een door de B.V. te betalen redelijke vergoeding aan de man in de zin van dit artikel achterwege is gebleven, de rekening courant schuld aan de B.V. naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid volledig aan de man moet worden toegerekend. De rechtbank constateert dat de winstreserves van de B.V. volgens de geconsolideerde balans van de definitieve jaarstukken ultimo 2022 € 171.605,= bedroegen. Zou de B.V. dit volledige bedrag aan opgepotte winstreserves aan de man als dividend uitkeren dan zou daarover nog een bedrag van € 46.161,= aan inkomstenbelasting zijn verschuldigd, uitgaande van het huidige box 2-tarief van 26,9%. Er zou dan netto een bedrag van € 125.444,= aan inkomen resteren. Dit bedrag is gedurende de bestaansduur van de B.V. in ongeveer 22 jaar opgebouwd. Omgerekend is dat een bedrag van gemiddeld € 5.702,= netto per jaar, ofwel € 475,= netto per maand. Het geeft naar het oordeel van de rechtbank aan dat de arbeidsinspanningen voor de B.V. te verwaarlozen waren en dat daar, anders dan de vrouw lijkt te betogen, ook geen salaris, managementvergoeding dan wel dividenduitkering in de omvang zoals de vrouw lijkt te stellen, tegenover had kunnen staan. De rechtbank ziet ook hierin geen aanleiding om de schuld anders dan bij helfte aan beide echtgenoten toe te rekenen. Dit betekent dat partijen in hun onderlinge verhouding de schuld ter hoogte van het door de man verzochte bedrag ieder voor de helft oftewel € 43.490,= voor zijn/haar rekening dienen te nemen. 3.67. De voorgaande overwegingen leiden tot het navolgende: - de echtelijke woning staande en gelegen aan [adres 2] te [woonplaats 1] , België wordt in beginsel toebedeeld aan de man alsmede de aan de hypothecaire lening verbonden levensverzekering bij Interpolis waarbij hij de aan de woning verbonden hypothecaire leningen bij de Rabobank geheel en met uitsluiting van de vrouw voor zijn rekening zal nemen; - partijen zullen Makelaars-en Assurantiekantoor [bedrijf 2] . te [plaats] gezamenlijk opdracht geven voor de waardering van de woning zijnde de waarde van deze woning in het vrije en economische verkeer, vrij van recht van gebruik of bewoning te bepalen per heden. De kosten hiervan worden door partijen gelijkelijk gedragen. De man laat binnen 4 weken na de datum van een uitgebracht taxatierapport aan de vrouw weten of hij de woning aan zich toe kan laten delen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen, waarna hij 2 maanden de tijd heeft om dit (notarieel) te realiseren; - indien en voor zover de man in staat is om de woning daadwerkelijk aan zich toe te laten delen dient bij de becijfering van de overwaarde, waartoe de vrouw bij helfte gerechtigd is, de waarde per heden van de aan de hypothecaire leningen verbonden levensverzekering te worden betrokken. De kosten van overdracht zijn uitsluitend voor rekening van de man; - indien het de man niet lukt om de woning op bovenstaande wijze aan zich toe te laten delen, dan wordt de woning in de verkoop gezet bij genoemde makelaar; - in verband met de verdeling van de saldi van de bankrekeningen van partijen: - de vrouw dient aan de man te voldoen: € 3.945,22; - de man dient aan de vrouw te voldoen: € 14.330,70; - partijen ontvangen ieder € 38,48 en € 87,17 van de gezamenlijke rekening; - de afrekening van de waarde van de auto’s dient aldus plaats te vinden dat de vrouw aan de man dient te voldoen € 3.500,= en de man aan de vrouw € 17.000,=; - ter zake de rekeningcourantschuld aan de B.V. ter hoogte van € 86.980,= dient ieder van partijen deze voor de helft voor diens rekening te nemen en is ieder van partijen in de onderlinge verhouding draagplichtig voor een bedrag ter hoogte van € 43.490,=. Proceskosten Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 4De beslissing De rechtbank 4.1. spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum 1] 2001 in de gemeente Hilvarenbeek met elkaar gehuwd; 4.2. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de [minderjarige] geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 2007 haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw; 4.3. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en genoemde minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar in die zin dat: - [minderjarige] in beginsel op dinsdag- en donderdagmiddag bij de man verblijft en een dag in het weekend; - gedurende de Kerstdagen [minderjarige] de ene dag bij de man verblijft en de andere dag bij de vrouw; - de vakanties in onderling overleg worden geregeld; - de verjaardag van [minderjarige] wordt gevierd overeenkomstig haar wens; met in achtneming van hetgeen in rechtsoverweging 3.9 is overwogen; 4.4. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van de dag dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 832,37 (achthonderdtweeëndertig euro en zevenendertig cent) per maand en bepaalt voorts dat de man alle maandelijkse kosten voor het paard [naam] voldoet, met inachtneming van hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 3.11; 4.5. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw voor levensonderhoud bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 3.798,= (drieduizend zevenhonderdachtennegentig euro) per maand; 4.6. gelast, uitvoerbaar bij voorraad, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen op de wijze zoals vermeld in de rechtsoverweging 3.67; 4.7. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 4.8. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. Haerkens-Wouters, Meyboom en Van Kempen, en, in tegenwoordigheid van mr. Van der Plas, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2024. Mededeling van de griffier: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.