RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02-190868-23; 02-200226-23 (ttz gev); 02-042414-22 (tul) vonnis van de meervoudige kamer van 28 mei 2024 in de strafzaak tegen de minderjarige [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] , raadsvrouw mr. S. van de Voorde, advocaat te Middelburg. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 14 mei 2024, waarbij de officier van justitie, mr. J. Verschuren, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer en zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: 02-190868-23 samen met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1] , [aangever 2] , [aangever 3] , en/of [getuige 1] ; 02-200226-23 [aangever 4] heeft mishandeld. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte] openlijk geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1] en [aangever 2] door te schoppen, te slaan en te duwen. Dat er openlijk geweld is gepleegd tegen [aangever 3] en [getuige 1] kan niet wettig en overtuigend worden bewezen. De officier van justitie acht ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [aangever 4] heeft mishandeld. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit vrijspraak van het openlijk geweld in vereniging voor zover dat [aangever 2] , [aangever 3] en [getuige 1] betreft. De verdediging gaat uit van de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] , nu deze bevestiging vinden in de verklaringen van onafhankelijke getuigen, en is van mening dat [aangever 1] de aanstichter was van het geweld dat over en weer heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft enkele klappen gegeven en [medeverdachte] slechts een duw. De verdediging is van mening dat de mishandeling van [aangever 4] wettig en overtuigend kan worden bewezen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs 02-190868-23 Gelet op de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] . Dat het geweld mede bestond uit schoppen en dat ook geweld is gepleegd tegen [aangever 3] , vindt steun in meerdere bewijsmiddelen waaronder de verklaring van [aangever 3] en die van andere getuigen zodat de rechtbank ook die onderdelen van de tenlastelegging bewezen acht. De rechtbank acht niet bewezen dat openlijk geweld is gepleegd tegen [getuige 1] en zal verdachte daarvan vrijspreken. 02-200226-23 Aangezien verdachte ten aanzien van het feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de politierechter dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 14 mei 2024; - de aangifte van [aangever 4] , pagina 92 en verder van het eindproces-verbaal met nummer PL2000-202207789; - het proces-verbaal van bevindingen, pagina 111 en verder van het eindproces-verbaal. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 02-190868-23 op 18 maart 2022 te Goes , op de openbare weg, te weten ‘De Stenen Brug’, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] , welk geweld bestond uit het slaan en/of schoppen en/of duwen tegen het lichaam van voornoemde personen; 02-200226-23 op 7 februari 2022 te Goes [aangever 4] heeft mishandeld door te slaan op het hoofd. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid 5.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte zich noodzakelijk heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [aangever 1] . Ter onderbouwing van deze stelling heeft de verdediging aangevoerd dat uit de verklaringen van verdachte en de [medeverdachte] volgt dat [aangever 1] de eerste is geweest die geweld heeft toegepast door [medeverdachte] een klap te geven en dat hij dus de aanstichter was van de situatie die vervolgens is geëscaleerd. De verklaringen van de onafhankelijke getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ondersteunen dit. [medeverdachte] is na de klap van [aangever 1] weggelopen, maar verkeerde door wat zij in het verleden heeft meegemaakt in een zodanig hevige gemoedsbeweging, dat ze is teruggegaan waarbij het opnieuw tot een confrontatie kwam. Toen [aangever 1] haar opnieuw aanviel, heeft ze hem uit verdediging een duw gegeven. Verdachte is haar te hulp geschoten door [aangever 1] bij haar weg te duwen. Vervolgens werd verdachte zelf aangevallen en heeft hij één of twee klappen terug gegeven. Er is sprake van noodweer en verdachte heeft door zijn handelwijze voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Subsidiair komt hem een beroep op noodweerexces toe, omdat hij onder invloed van een hevige gemoedsbeweging heeft gehandeld. Hij heeft zich vanwege een eerdere situatie rondom zijn zus en het huiselijk geweld dat hij heeft meegemaakt, machteloos gevoeld. 5.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat een noodweer(exces) situatie niet aannemelijk is geworden, omdat er sprake is van culpa in causa. Het geweld lijkt te zijn begonnen door de verdachten, niet door aangever [aangever 1] . Dan is geen sprake van een situatie waarbij verdediging noodzakelijk is. Het verweer van de verdediging dient te worden verworpen. 5.3 Het oordeel van de rechtbank Voor noodweer (of noodweerexces) is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, geen beroep op noodweer rechtvaardigen. De rechtbank kan op grond van het dossier onvoldoende vaststellen of de geëscaleerde situatie is begonnen met een (mogelijk onbedoelde) duw van [medeverdachte] in de richting van [aangever 1] , of door een klap van [aangever 1] in de richting van [medeverdachte] . Op grond van de bewijsmiddelen staat weliswaar vast dat [aangever 1] [medeverdachte] een klap heeft gegeven, waardoor op dat moment sprake was van een wederrechtelijke aanranding, maar ook dat [medeverdachte] na de klap van [aangever 1] is weggelopen. Zij is vervolgens teruggekomen en heeft hem een duw heeft gegeven, waardoor hij op de grond viel. Op dat moment was geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van [aangever 1] . Vervolgens is verdachte erbij gekomen en hebben zowel hij als [medeverdachte] geweld toegepast in de richting van aangevers. Gezien de feiten en omstandigheden als hiervoor omschreven en als aangehaald in de bewijsmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de zijde van [aangever 1] waartegen verdachte en de medeverdachte zich noodzakelijk hebben moeten verdedigen. Er was geen sprake was van een noodweersituatie. Omdat verdachte niet heeft gehandeld uit noodweer kan zich niet de situatie voordoen dat verdachte te ver is gegaan in die verdediging en dit brengt met zich mee dat ook het beroep op noodweerexces niet kan slagen. Het beroep op noodweer en noodweerexces wordt dan ook verworpen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert een werkstraf van 40 uur, waarvan 20 uur voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar en de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde voorwaarden. Bij zijn eis heeft hij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en met de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van toepassing is. Gelet daarop is de door de Raad geadviseerde leerstraf van 35 uur een te zware straf, ondanks dat die straf wel passend is. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit een geheel voorwaardelijke werkstraf met een proeftijd van een jaar. Het opleggen van bijzondere voorwaarden is daarbij niet nodig, omdat verdachte de benodigde hulp zelf heeft geregeld en jeugdreclasseringstoezicht geen enkel doel dient. Er is sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn waardoor een straf geen pedagogisch effect meer heeft. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Aard en ernst van de feiten Verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan een mishandeling en aan het plegen van openlijk geweld in vereniging tegen drie hoogbejaarde personen. Zij hebben de slachtoffers geduwd, geschopt en geslagen. Als gevolg daarvan zijn zij van hun fiets gevallen en hebben zij letsel opgelopen, waar zij nog enige tijd last van hebben gehad. Verdachte en de medeverdachte hebben hierdoor inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van drie oudere, en dus kwetsbare, mensen die door het incident angstiger zijn geworden op straat. De rechtbank weegt bij de ernst van het feit mee dat in ieder geval één van de drie aangevers, [aangever 1] , zelf ook geweld heeft toegepast door de medeverdachte te slaan en daardoor heeft bijgedragen aan de escalatie. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van [aangever 4] . Hij heeft dit naar eigen zeggen gedaan omdat [aangever 4] zijn zusje zou hebben mishandeld. Het vervolgens zelf ook gebruiken van geweld is geen passende manier om een conflict op te lossen. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat verdachte op 2 november 2022 is veroordeeld voor drie strafbare feiten tot een deels voorwaardelijke werkstraf en op 12 december 2023 een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen. Artikel 63 Sr is daardoor van toepassing. Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het rapport van de Raad van 6 maart 2024 en de toelichting daarop ter zitting. Hieruit volgt dat verdachte een belast verleden heeft en in het verleden getuige is geweest van huiselijk geweld. Hij heeft de ingrijpende gebeurtenissen nog niet goed kunnen verwerken en deze zijn nog steeds van invloed op zijn functioneren. Verdachte heeft soms last van woedeaanvallen, de laatste tijd voor zover bekend alleen verbaal. Als verdachte zich onheus behandeld, bedreigd of onzeker voelt, kan hij zijn emoties niet goed reguleren waardoor hij niet in staat is de juiste keuzes te maken. Hierdoor is hij meermalen in de problemen gekomen. Als verdachte niet goed in zijn vel zit en het druk is in zijn hoofd, is hij geneigd zijn toevlucht te zoeken in softdrugs. Verdachte heeft op meerdere leefgebieden groei laten zien. Hij heeft zijn diploma gehaald en is gemotiveerd om door te leren om zijn toekomstmogelijkheden te vergroten. Positief is dat verdachte zelf heeft aangegeven professionele hulp te willen van [hulpverlening] en sportbegeleiding om ervoor te zorgen dat hij zijn emoties beter onder controle krijgt. Hij staat ook open voor het [hulptraject] , gericht op het aanpakken van zijn middelengebruik. De Raad adviseert om aan verdachte de leerstraf TACt Regulier van 35 uur op te leggen. Deze leerstraf heeft als doel het risico op agressief en antisociaal gedrag te verminderen door het trainen van sociale vaardigheden, het aanleren van cognitieve zelfcontrole, het wijzigen van het cognitieve vermogen en het verhogen van het niveau van moreel redeneren. Daarnaast adviseert de Raad een voorwaardelijke werkstraf met als bijzondere voorwaarden dat hij meewerkt aan het behouden van een zinvolle dag- en vrije tijdsbesteding en dat hij meewerkt aan hulpverlening, waaronder [hulpverlening] en [hulptraject] , met toezicht van de jeugdreclassering van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland. De Raad acht een verplichte vorm van begeleiding nodig zodat verdachte positieve stappen kan blijven zetten ten aanzien van zijn toekomst op het gebied van school, werk, vrije tijdsbesteding, omgang met leeftijdsgenoten en het voorkomen van delictgedrag. Binnen het jeugdreclasseringstraject kan worden nagegaan wat eventueel aanvullend nodig is om risicofactoren ten aanzien van herhaling weg te nemen. Daarbij wordt gedacht aan EMDR-therapie/traumaverwerking. De Raad acht jeugdreclasseringstoezicht van belang om de motivatie bij verdachte aan te jagen en te bezien of de ingezette hulp voldoende is om het recidiverisico in te perken. De Raad vindt een proeftijd van twee jaar passend, maar zou het ook kunnen volgen als de proeftijd op een jaar wordt bepaald. Redelijke termijn De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. De termijn is aangevangen op 5 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.