RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/182610-22; 02/307989-21 (tul) vonnis van de meervoudige kamer van 25 januari 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1962 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] raadsvrouw mr. P.D.M. van Oers, advocaat te Roosendaal. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 januari 2024, waarbij de officier van justitie, mr. I.M.H. Masselink, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. Tevens is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) behandeld. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich: feit 1: op 1 juni 2022 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [benadeelde 2] , [benadeelde 3] ( [functie 1] gemeente Breda ), [benadeelde 4] ( [functie 2] gemeente Breda ) en andere medewerkers van de gemeente Breda via een derde; feit 2: op 12 juli 2022 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [benadeelde 5] ( [functie 3] gemeente Breda ), [benadeelde 4] ( [functie 2] gemeente Breda ), buitengewoon opsporingsambtenaren, andere medewerkers van de gemeente Breda en [benadeelde 1] (verbalisant bij de politie Zeeland-West-Brabant); feit 3: op 26 december 2022 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [benadeelde 6] en [benadeelde 7] ; feit 4: in de periode van 26 tot en met 27 december 2022 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [benadeelde 1] (inspecteur van politie) via een derde; feit 5: in de periode van 26 tot en met 28 december 2022 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [benadeelde 3] ( [functie 1] gemeente Breda ) via een derde. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht op grond van het dossier de vijf ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de vijf ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de feiten 1 en 2 zijn de uitlatingen door verdachte gedaan in een emotionele ontlading en een verzuchting van frustratie en emotionele en psychische onmacht en de uitlatingen zijn niet geëigend om vrees te doen aanjagen. Het dossier bevat daarnaast onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring van feit 3 te komen. Ten aanzien van de feiten 4 en 5 ontbreekt het opzet van verdachte, ook in voorwaardelijke zin, op de kennisneming van de bedreiging door de bedreigde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Verdachte wordt ervan verdacht dat hij zich op verschillende momenten tussen 1 juni 2022 en 28 december 2022 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging, al dan niet op indirecte wijze, van onder andere de [functie 1] , medewerkers van de gemeente en de politie, zijn buren, zijn dochter en zijn ex-vrouw. Wettelijk kader Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor veroordeling ter zake van bedreiging vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. De opzet van verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, dient op beide elementen te zijn gericht. Het is niet vereist dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat werkelijk vrees is opgewekt. Wel moet de bedreiging van dien aard zijn en onder zulke omstandigheden zijn gedaan dat deze in het algemeen een dergelijke vrees kon opwekken. Vaststaande feiten en omstandigheden De rechtbank stelt vast dat jarenlang meldingen tegen verdachte zijn gedaan van overlast vanuit en rondom zijn woning, gelegen aan de [woonadres] . Er zijn diverse (bestuurlijke) trajecten in gang gezet om deze overlastmeldingen aan te pakken en op te lossen. Hierbij is samengewerkt met diverse instanties, waaronder de politie, de gemeente Breda, de [functie 1] van de gemeente Breda en buitengewoon opsporingsambtenaren. In dat kader werden de gedragingen en uitlatingen van verdachte opgeschreven en gedocumenteerd. Er was dan ook sprake van een gespannen verhouding tussen verdachte en deze instanties. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat voor hem de [functie 1] [benadeelde 3] (hierna: [benadeelde 3] ) en de personen werkzaam bij de politie en de gemeente Breda “één pot nat” zijn en dat al deze personen zich tegen hem richten. Feit 1 Verdachte wordt verweten dat hij op 1 juni 2022 [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2] ), [benadeelde 3] ( [functie 1] gemeente Breda ), [benadeelde 4] ( [functie 2] gemeente Breda ) (hierna: [benadeelde 4] ) en andere medewerkers van de gemeente Breda heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling door de ten laste gelegde woorden te uiten tegen dienstdoende verbalisanten. Dit zou verdachte hebben gedaan nadat hij ter beoordeling door de GGZ was meegenomen in een ambulance. Op de bodycambeelden van de verbalisanten is te horen dat verdachte de ten laste gelegde woorden heeft geuit over de [functie 1] [benadeelde 3] , zijn buren en medewerkers van de gemeente Breda. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het zou kunnen dat hij deze woorden heeft gezegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat vastgesteld kan worden dat verdachte de ten laste gelegde woorden heeft geuit. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of deze woorden een strafrechtelijke bedreiging opleveren. De rechtbank is van oordeel dat door de verdachte gedane uitlatingen bij de bedreigden de redelijke vrees konden doen ontstaan dat zij het leven zouden verliezen, dan wel zwaar zouden worden mishandeld. Daarbij neemt de rechtbank in beschouwing de inhoud van de uitlatingen in combinatie met de omstandigheid dat deze uitlatingen zijn gericht tegen de [functie 1] [benadeelde 3] en de gemeente, met wie verdachte een jarenlange gespannen verhouding heeft, zoals hierboven onder het kopje ‘Vaststaande feiten en omstandigheden’ geschetst. Daarbij komt dat [benadeelde 3] en medewerkers van de gemeente Breda hebben verklaard dat bij hen ook daadwerkelijk vrees is opgewekt. Verdachte heeft de bedreigende woorden geuit tegenover de dienstdoende verbalisanten. Het gaat aldus om indirecte bedreigingen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en de medewerkers van de gemeente door de verbalisanten op de hoogte zouden worden gesteld van de bedreigende woorden. Daartoe is allereerst van belang de inhoud van de gebezigde woorden en de reële dreiging die daarvan uitgaat. Daarbij weegt de rechtbank ook mee de omstandigheid dat verdachte heeft verklaard dat hij de personen werkzaam bij de politie en de gemeente ziet als een eenheid, waaruit de rechtbank afleidt dat verdachte ervan uitging dat mededelingen aan een van die personen anderen zouden bereiken. Verdachte was er bovendien van op de hoogte dat zijn uitlatingen werden genoteerd en besproken in het kader van de samenwerking tussen de instanties om de overlastmeldingen jegens verdachte aan te pakken. Dit alles maakt dat sprake is van voorwaardelijk opzet. Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, ten aanzien van [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en medewerkers van de gemeente Breda. Zij zal verdachte partieel vrijspreken ten aanzien van [benadeelde 4] , nu de bedreigingen niet op hem zien. Feit 2 Verdachte wordt verweten dat hij op 12 juli 2022 [benadeelde 5] ( [functie 3] gemeente Breda ), [benadeelde 4] ( [functie 2] gemeente Breda ), buitengewoon opsporingsambtenaren, andere medewerkers van de gemeente Breda en [benadeelde 1] (verbalisant bij de politie Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling door dreigend de woorden te uiten: "De Gemeente! ... die maak ik dood!" en/of "Ik weet waar jij woont". De rechtbank stelt vast dat verdachte de woorden “De Gemeente, die maak ik dood!” heeft geuit en daarbij duidelijk heeft gewezen in de richting van twee buitengewoon opsporingsambtenaren. Ook kan worden vastgesteld dat verdachte tegen [benadeelde 1] de woorden “Ik weet waar je woont” heeft geuit, terwijl verdachte naar hem wees. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat laatstgenoemde woorden enkel waren bedoeld voor de burgemeester en niet voor [benadeelde 1] . De rechtbank oordeelt dit irrelevant nu verdachte tijdens het uiten van deze woorden heeft gewezen naar [benadeelde 1] zodat laatstgenoemde er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat de bedreiging (mede) aan zijn adres was gericht. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of deze woorden een strafrechtelijke bedreiging opleveren. De rechtbank is van oordeel dat door de verdachte gedane uitlatingen bij de bedreigden de redelijke vrees konden doen ontstaan dat zij het leven zouden verliezen, dan wel zwaar zouden worden mishandeld. Dit gelet op de inhoud van de uitlatingen in combinatie met de omstandigheid dat deze uitlatingen zijn gericht tegen de buitengewoon opsporingsambtenaren en verbalisant [benadeelde 1] , met wie verdachte een jarenlange gespannen verhouding heeft. Ook de context waarin de woorden zijn geuit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat bij de bedreigden de redelijke vrees kon ontstaan. Verdachte heeft de woorden namelijk geuit tijdens een hoorzitting op het stadskantoor van de gemeente Breda in het kader van een overlastcasus van verdachte. Bovendien heeft verdachte daarbij naar de bedreigden gewezen en heeft [benadeelde 1] verklaard dat bij hem ook daadwerkelijk de vrees is opgewekt. Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Feit 3 Verdachte wordt verweten dat hij op 26 december 2022 zijn dochter [benadeelde 6] (hierna: [benadeelde 6] ) heeft bedreigd met woorden en met een mes en een knuppel en zijn ex-vrouw [benadeelde 7] (hierna: [benadeelde 7] ) heeft bedreigd met woorden en met een mes. Door de verdediging is bepleit dat zijn dochter [benadeelde 6] heeft aangegeven dat zij de aangifte heeft gedaan uit een wanhoopspoging. Zij zou zich zorgen hebben gemaakt om haar vader en zou niet hebben geweten hoe zij haar vader op een andere manier kon helpen. Met dit verweer is de juistheid van de aangifte niet betwist. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van die aangifte en zal deze als bewijsmiddel bezigen. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangiftes van [benadeelde 6] en [benadeelde 7] . Feit 4 Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 26 tot en met 27 december 2022 [benadeelde 1] (inspecteur van de politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door ten overstaan van [benadeelde 7] , [benadeelde 6] en [benadeelde 8] (hierna: [benadeelde 8] ) de woorden te uiten: "dat hij weet dat hij [benadeelde 1] niet kan pakken maar zijn twee kinderen van 6 en 8 dood zou schieten om die [benadeelde 1] te straffen en zo te laten lijden". Uit de aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat zijn dochter [benadeelde 6] en haar toenmalige vriend [benadeelde 8] hebben gehoord dat verdachte de ten laste gelegde woorden heeft geuit. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of deze woorden een strafrechtelijke bedreiging opleveren. De rechtbank is van oordeel dat door de verdachte gedane uitlatingen bij [benadeelde 1] de redelijke vrees konden doen ontstaan dat hij of zijn kinderen het leven zouden verliezen. Dit gelet op de inhoud van de uitlatingen in combinatie met de omstandigheid dat deze uitlatingen zijn gericht tegen [benadeelde 1] , die werkzaam is bij de politie en met wie verdachte een jarenlange gespannen verhouding heeft. Daarbij komt dat [benadeelde 1] heeft verklaard dat bij hem ook daadwerkelijk de vrees is opgewekt en hij zich bedreigd heeft gevoeld. Verdachte heeft de bedreigde woorden geuit in zijn eigen woning tegenover [benadeelde 6] en [benadeelde 8] . Het gaat aldus om indirecte bedreigingen. Door de verdediging is in dit verband aangevoerd dat de uitlatingen van verdachte zijn gedaan in besloten kring en dat hij dan ook niet had hoeven verwachten dat deze uitlatingen naar buiten zouden worden gebracht. De rechtbank overweegt dat in beginsel geldt dat een persoon die een uitlating in privésfeer doet er niet op bedacht hoeft te zijn dat deze uitlating derden bereikt. De rechtbank is van oordeel dat in onderhavige zaak door de familieleden van verdachte echter niet werd ervaren dat er sprake was van een besloten kring, dan wel een privésetting, aangezien de dochter van verdachte zelf aangifte heeft gedaan. Bovendien is het ook verdachte geweest die de bewuste avond de politie heeft gebeld en daarmee ook de eventuele beslotenheid’ heeft doorbroken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde 1] van de bedreigende woorden op de hoogte zou worden gebracht. Dit gelet op de inhoud van de gebezigde woorden en de reële dreiging die daarvan uitgaat. De indirecte bedreiging vond daarnaast gelijktijdig plaats met de directe bedreigingen van verdachte tegen zijn dochter en ex-vrouw, waarbij verdachte een mes en een knuppel heeft gebruikt. Ook heeft verdachte bij de bedreiging genoemd dat hij wist waar [benadeelde 1] woonde en had verdachte in het bijzijn van zijn dochter al eerder bedreigingen geuit jegens [benadeelde 1] . Zijn eigen familie heeft deze indirecte bedreiging onder feit 4 gelet op deze context dan ook (terecht) serieus genomen en heeft dit doorgegeven aan de politie. Dit alles maakt dat bij verdachte sprake is van voorwaardelijk opzet Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Feit 5 Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 26 tot en met 28 december 2022 [benadeelde 3] ( [functie 1] van de gemeente Breda) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling, door ten overstaan van [benadeelde 7] , [benadeelde 6] en [benadeelde 8] de woorden te uiten: "Ik ga de ouders van [benadeelde 3] iets aan doen en ik weet waar ze wonen". Uit de aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat [benadeelde 6] heeft gehoord dat verdachte de ten laste gelegde woorden heeft geuit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat vastgesteld kan worden dat verdachte de tenlastegelegde woorden heeft geuit. De rechtbank komt met een zelfde juridische redenering zoals genoemd onder feit 4 tot het oordeel dat ook onder feit 5 sprake is van een strafrechtelijke bedreiging. Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het onder 5 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1 op 1 juni 2022 te Breda [benadeelde 2] en [benadeelde 3] ( [functie 1] gemeente Breda ) en medewerkers van de gemeente Breda heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk tegen verbalisanten van de politie Zeeland-West-Brabant verklaard: - " Nou is het echt oorlog, als je dat maar gelooft. Ik ga niet alleen he, ik neem mijn vijanden mee. Ik kan overal aankomen. Handgraat 50 euro, AK-47 2000 euro met 15.000 kogels" en - " Ik ga twee strontbommen maken, dat ken je niet he. Dat is ontlasting van een mens van 3 maanden ouden, doen ze ergens in, en dan laten ze het binnen ontploffen. Ze willen mij ook 3 maanden uit huis zetten, dat hebben ze gezegd de gemeente, omdat mijn honden af en toe blaffen. Ik heb ze gezegd, als ze aan mijn honden komen of de honden uit huis willen zetten, zijn ze dood. En daarna ikzelf. Ik ga toch niet zitten. Het zit al in mijn hoofd. Ik kan een overdosis nemen, mezelf kapotschieten of voor de trein springen. En dan hoop ik dat jullie allemaal mogen zoeken naar mijn stukjes" en" - " [benadeelde 3] , de [functie 1] , nooit een foto op Facebook plaatsen waar je woont, met je hondje in het park. Ik weet waar ze woont. Kutwijf. Nou moet ik me mond houden he" en - " Wie aan mijn honden komt, die zijn dood. Dat hebben de buren wel gemerkt. Die gooide een lege fles bier over de schutting. Ik was net de poep aan het opruimen, dat hebben ze wel geweten. Als dat een handgraat was geweest, hadden ze een handgranaat gekregen. Nooit aan mijn honden komen", welke bedreigingen via verbalisanten van de politie Zeeland-West-Brabant, ter kennis van genoemde [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en medewerkers van de gemeente Breda zijn gekomen; 2 op 12 juli 2022 te Breda Bijzonder Opsporing Ambtenaren en [benadeelde 1] (verbalisant bij de politie Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die Bijzonder Opsporing Ambtenaren en [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen "De Gemeente! ... die maak ik dood!" en/ "Ik weet waar jij woont"; 3 op 26 december 2022 te Breda, [benadeelde 6] en [benadeelde 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht; - door dreigend met een mes voor die [benadeelde 6] te gaan staan en dat hij haar zou pakken, zij zou ook aan de beurt komen en vervolgens stond verdachte dreigend met een knuppel voor die [benadeelde 6] ; en - door dreigend die [benadeelde 7] toe te voegen: "ik schiet iedereen kapot" en dat verdachte dreigend een wit keukenmes in zijn hand had en dat hij [benadeelde 8] dood ging steken waarbij hij zwaaiende bewegingen maakte met dat witte mes tegenover die [benadeelde 7] ; en aldus heeft verdachte door houding, gebaren en woorden een bedreigende situatie en sfeer doen ontstaan voor die [benadeelde 6] en [benadeelde 7] ; 4 in de periode van 26 t/m 27 december 2022 te Breda [benadeelde 1] (inspecteur van politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door ten overstaan van [benadeelde 6] en [benadeelde 8] , die [benadeelde 1] dreigend de volgende woorden heeft toegevoegd – zakelijk weergegeven - "dat hij weet dat hij [benadeelde 1] niet kan pakken maar zijn twee kinderen van 6 en 8 dood zou schieten om die [benadeelde 1] te straffen en zo te laten lijden"; 5 in de periode van 26 t/m 27 december 2022 te Breda [benadeelde 3] ( [functie 1] van de gemeente Breda) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door ten overstaan van [benadeelde 6] die [benadeelde 3] dreigend de volgende woorden heeft toegevoegd -zakelijk weergegeven-: "Ik ga de ouders van [benadeelde 3] iets aan doen en ik weet waar ze wonen". Ten gevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging, zijn in de zevende regel van het onder feit 2 tenlastegelegde feit weggevallen de namen zoals vermeld in de eerste tot en met de vierde regel van dit feit. De rechtbank herstelt deze omissie en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld in de bewezenverklaring van dit feit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.