Rechtbank Zeeland-West-Brabant – ECLI:NL:RBZWB:2024:3555
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Breda Zaaknummer: 10512289 \ CV EXPL 23-1630 Vonnis van 29 mei 2024 in de zaak van [VvE] , te [plaats 1] , eisende partij in conventie, gedaagde in reconventie en verweerster in incident, hierna te noemen: de VvE, gemachtigde: mr. M.P.G.M. Gorgels, tegen [naam] , te [plaats 2] , gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie en eiser in incident, hierna te noemen: [naam] , gemachtigde: mr. J.C. Broekman.
1De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.2.
Daarna is vonnis bepaald.
2De feiten 2.1. [naam] is eigenaar van meerdere appartementsrechten in de panden aan de [adres 1] ( [sectie] , nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] ), hierna tevens te noemen “het Complex”. [naam] is in die hoedanigheid lid van de “ [VvE] ” (de VvE).
2.2.
Er zijn 36 appartementsrechten, die elk – maar niet een gelijk – recht geven op een bepaald (onverdeeld) aandeel in de gemeenschap. Sinds november 2015 bezit [naam] meerdere appartementsrechten in het Complex. Zijn appartementsrechten vertegenwoordigen samen een aandeel in de gemeenschap van [nummer 5] .
2.3.
In het Reglement van splitsing van eigendom (hierna: het Splitsingsreglement) is onder meer het navolgende bepaald: “ Artikel 2 1. De eigenaars zijn voor elk te hunnen name staand appartementsrecht in de gemeenschap gerechtigd voor dat aandeel zoals bepaald bij de omschrijving van het betreffende appartementsrecht.
A. 1. de gemeenschappelijke ruimte in de kelder: voor de eigenaars van de appartementsrechten met de indexen 2, 30 en 31, ieder voor een/derde (1/3) deel;
B. het achter het gebouw gelegen binnenterrein: de eigenaars van de appartementsrechten met de indexen 1 tot en met 27, ieder voor een/zevenentwintigste (1/27) deel;
C. het gebouw, waarin zich de appartementsrechten met de indexen 29, 4 en 5 bevinden, met inachtneming van hetgeen hiervoor sub A is gemeld: voor de eigenaars van de appartementsrechten 29, 4 en 5, waarbij de noemer steeds beloopt: éénduizend vierhonderdvijfenzeventig (1.475) en de teller voor:
D. het gebouw, waarin zich de appartementsrechten met de indexen 1, 2, 3, 5, 28, 30, 31, 32, 34, 35 en 36 bevinden, met inachtneming van hetgeen hiervoor sub A is gemeld: voor de eigenaars van de appartementsrechten 1, 2, 3, 5,28, 30, 31, 32, 34, 35 en 36, waarbij de noemer steeds beloopt: vierduizend vierhonderdnegenenzeventig (4.479) en de teller voor:
Artikel 4 1. Na afloop van elk boekjaar, dat gelijk is aan het kalenderjaar, wordt door het bestuur een exploitatierekening over dat boekjaar opgesteld en ter vaststelling aan de jaarlijkse vergadering voorgelegd.
De exploitatierekening omvat enerzijds de baten en anderzijds de lasten over dat boekjaar, waaronder begrepen een naar tijdsduur evenredig gedeelte van de te begroten onderhoudskosten die op meer jaren betrekking hebben, inbegrepen noodzakelijke vernieuwingen.
Zo tot vorming van een reservefonds als bedoeld in artikel 32 eerste lid is besloten, wordt onder de lasten begrepen een telkenjare door de vergadering vast te stellen bedrag ten behoeve van een zodanig reservefonds.
Het eerste boekjaar vangt aan op heden en eindigt op éénendertig december van het volgend jaar.
In de statuten van de Vereniging van Eigenaren (hierna: de Statuten) is onder meer als volgt bepaald: “Artikel 32 1. Er kan krachtens besluit van de vergadering een reservefonds worden gevormd, ter bestrijding van andere kosten dan bedoeld in artikel 4 eerste lid, tweede zin.
Aan dat fonds zal geen andere bestemming worden gegeven tenzij krachtens besluit van de vergadering met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 38 vijfde lid, dan wel na opheffing van de splitsing.
De bijdragen tot het reservefonds worden gerekend tot de gezamenlijke schulden en kosten als bedoeld in artikel 5 eerste lid.
In verband met het hiervoor bepaalde, kunnen zogenaamde bestemmingsreserves worden gevormd voor de bekostiging van het periodiek onderhoud, zoals het periodiek schilderwerk en dergelijke.
Op 12 mei 2021 heeft de rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan over een procedure tussen partijen over servicekosten, in het bijzonder over de kostenverdeling. In het vonnis heeft de rechtbank de VvE geboden om (nieuwe) jaarlijkse kostenverdelingen op te stellen vanaf 2015 met inachtneming van de in dat vonnis vervatte verdeelsleutel.
2.6.
De VvE heeft een meerjarenplan opgesteld aan de hand waarvan het Complex wordt onderhouden (hierna: het MJOP 2011). De kosten verdeelt zij jaarlijks op basis van het MJOP 2011 over de appartementseigenaren. In 2017 heeft de VvE het MJOP herzien.
3Het geschil In conventie 3.1.
De VvE vordert samengevat, uitvoerbaar bij voorraad, na vermeerdering van eis, [naam] te veroordelen tot betaling van € 21.286,52 aan achterstallige servicekosten over 2021, 2022 en 2023 (tot en met oktober), te vermeerderen met de nog na het indienen van de conclusie te verschijnen voorschotten, dan een in goede justitie vast te stellen bedrag; € 449,60 aan nabetaling servicekosten over de periode 2015-2020; € 1.007,00 ter zake terugbetaling schilderwerkzaamheden; een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten; de wettelijke rente over de onder a, b en c gevorderde bedragen vanaf de vervaldata van de betalingsverplichtingen tot aan de dag van de volledige betaling; de proceskosten.
3.2. [naam] voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de VvE, dan wel tot ontzegging van de vordering, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de VvE in de kosten van deze procedure.
In reconventie 3.3. [naam] vordert samengevat, uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
De Vve vordert primair dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart ten aanzien van de vorderingen van [naam] , subsidiair concludeert de VvE tot niet-ontvankelijkheid van [naam] dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [naam] in de kosten van deze procedure.
In het incident 3.5. [naam] vordert om de inleidende dagvaarding nietig te verklaren, althans de VvE niet-ontvankelijk in haar vorderingen te verklaren, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de Vve in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.6.
De Vve concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [naam] in de kosten van het incident.
4De beoordeling In het incident 4.1. [naam] stelt dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard, vanwege het gebrek aan een deugdelijke onderbouwing van de vorderingen. In de dagvaarding heeft de Vve in de meermaals naar onjuiste producties verwezen. Verder ontbreken bepaalde producties terwijl deze wel hadden moeten worden overgelegd, zoals de herberekeningen van de VvE zelf. Ook ontbreekt de onderbouwing inclusief de onderliggende besluiten van de servicebijdragen over 2021, 2022 en 2023 en het MJOP 2011. Verder heeft de VvE niet voldaan aan de op haar rustende substantiëringsplicht omdat de kern van het geschil, namelijk het MJOP 2011 niet is vermeld, aldus [naam] .
4.2.
Op grond van artikel 111 lid 1 onder d Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering vermeldt het exploot van de dagvaarding de eis en de gronden daarvan. De kantonrechter is met de VvE van oordeel dat zij de vordering in de dagvaarding voldoende heeft onderbouwd. Tot de dagvaarding behoren diverse producties, waaronder de splitsingsakte en het splitsingsreglement, het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, de correspondentie tussen partijen, de berekeningsmethodieken (van [naam] ) en het besluit van de Algemene Ledenvergadering van de VvE van 14 juni 2021 met opvolgend e-mailbericht. Hoewel nog enkele belangrijke stukken bij de dagvaarding nog ontbraken, zoals de berekeningsmethodiek van de VvE zelf, kan dit naar het oordeel van de kantonrechter niet tot nietigheid van de dagvaarding leiden.
4.3.
Tot slot heeft [naam] een beroep gedaan op schending van de substantiëringsplicht. Lid 3 van artikel 111 Rv bepaalt dat het exploot van dagvaarding de door gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor vermeldt. Anders dan [naam] stelt, kan uit de dagvaarding en de onderliggende stukken wel degelijk worden afgeleid dat partijen van mening verschillen over de servicebijdragen met als grootste discussiepunt het meerjarenonderhoudsplan. Weliswaar betreft dit geen letterlijke weergave van het standpunt van de VvE, maar de kantonrechter acht het onvoldoende om van een schending van de substantiëringsplicht te spreken.
4.4.
Dit betekent dat de vordering in het incident zal worden afgewezen, waarbij bij eindvonnis over de kosten zal worden beslist. De Vve kan dan ook in haar conventionele vordering kan worden ontvangen. in conventie en in reconventie 4.5.
De kantonrechter zal de vorderingen in conventie en in reconventie gelet op de samenhang gezamenlijk beoordelen, waarbij eerst zal worden ingegaan op de reconventionele vordering, gelet op het verweer van de VvE dat de kantonrechter onbevoegd is om daarvan kennis te nemen.
4.6.
De Vve stelt dat op grond van de competentieregels in artikel 2:15 lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de rechtbank bevoegd is in de woonplaats waar de Vve is gevestigd. In plaats van de kantonrechter te Breda is de rechtbank Oost-Brabant in ’s-Hertogenbosch de bevoegde instantie voor de beoordeling van de eis in reconventie.
4.7.
Vaststaat dat de kantonrechter bevoegd is om te oordelen over de vordering in conventie, omdat de waarde van die vordering onder € 25.000,00 ligt, artikel 93 Rv. In reconventie heeft [naam] om verklaring voor recht gevorderd dat de besluiten van de VvE nietig zijn. Dit betreft een vordering die op grond van artikel 2:14 BW aanhangig moet worden gemaakt bij de rechtbank.
4.8.
In artikel 97 Rv is bepaald dat een zaak in reconventie in afwijking van de artikelen 93 tot en met 96 behandeld en beslist door de rechter die de zaak in conventie behandelt en beslist, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. Naar het oordeel van de kantonrechter is in deze zaak sprake van voldoende samenhang, nu de geldvordering in conventie direct samenhangt met de besluitvorming van de VvE waarvan in reconventie de nietigheid wordt gevorderd. Gelet hierop kan de kantonrechter ook de vordering in reconventie behandelen. Het is echter de vraag of hij daartoe relatief bevoegd is.
4.9.
Volgens artikel 99 Rv is bevoegd de rechter van de woonplaats van gedaagde, dus in dit geval de VvE. Dit geldt ook op basis van artikel 105 Rv: in zaken omtrent onder meer de nietigheid of rechtsgevolgen van besluiten van rechtspersonen of die van hun organen dan wel de rechten en verplichtingen van hun leden of vennoten als zodanig, is mede bevoegd de rechter van de woonplaats of de plaats van vestiging van de rechtspersoon. Dit betekent dat ook op grond van artikel 105 Rv de rechter in ’s-Hertogenbosch bevoegd is. De kantonrechter ziet echter gelet op het navolgende toch redenen om de gehele procedure onder zich te houden en niet te verwijzen, en wel om de volgende redenen.
4.10.
Kern van het geschil tussen partijen is de vraag hoe de servicekosten moeten worden berekend. In het vonnis van 12 mei 2021 van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch is uitspraak gedaan over de verdeling van de jaarlijks terugkomende kosten, waarbij de rechtbank een verdeelsleutel heeft opgesteld om deze kosten jaarlijks op een juiste wijze over de eigenaars te verdelen. De rechtbank heeft daarbij de VvE de opdracht gegeven om aan de hand daarvan de kostenverdeling op te stellen, maar desondanks komen partijen daar niet uit. Verder verschillen partijen van mening over de reservering van (groot) onderhoud. De VvE stelt dat deze kosten, vastgesteld in het MJOP 2011, moeten worden doorberekend in het maandelijkse voorschot voor de VvE-bijdragen. [naam] betwist dat.
4.11.
De kantonrechter stelt vast dat ook al zou hij uitspraak doen op basis van de processtukken, waaronder het vonnis van 12 mei 2021 voornoemd, dit uiteindelijk niet zal leiden tot een oplossing van de geschilpunten. De kantonrechter overweegt met [naam] dat de VvE geen reservefonds in de zin van artikel 5:126 BW en artikel 32 Statuten heeft opgesteld. Omdat dit niet formeel is vastgelegd, betekent dit dat de VvE niet gerechtigd is om de reservering bij de leden van de VvE aan de hand van het MJOP 2011 te innen, nog los van het feit dat partijen van mening verschillen over de wijze van berekening van de ‘reguliere’ servicekosten. De kantonrechter acht het van belang dat er duidelijkheid en transparantie wordt geschapen over de servicekosten en de reservering voor groot onderhoud en dergelijke. Gelet hierop is met partijen besproken om over te gaan tot benoeming van een deskundige, zodat hij samen met partijen, kan overgaan tot een het maken van een reservefonds met daaraan een gekoppeld een afzonderlijke bankrekening. Verder kan de deskundige bezien op welke wijze de servicekosten moeten worden berekend aan de hand van de verdeelsleutel vermeld in het vonnis van 12 mei 2021.
4.12.
Gelet op het voorgaande hebben partijen er een groot belang bij dat deze procedure wordt voortgezet, zonder eventuele vertraging. Het aanzoeken van een deskundige heeft door de complexiteit van de zaak al de nodige tijd gekost. De kantonrechter zal daarom vanwege proceseconomische redenen de zaak volledig aan zich houden. Dit betekent dat het verweer van de VvE met betrekking tot de bevoegdheid zal worden gepasseerd.
Deskundigenbericht 4.13.
Zoals hiervoor is overwogen, zal een onderzoek door een deskundige worden ingesteld. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de kantonrechter partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de persoon van de deskundige en de definitief aan hem voor te leggen vragen.
4.14.
De kantonrechter is voornemens om FICIM de heer [deskundige] , [adres 2] als deskundige te benoemen. Met partijen zijn de volgende vragen geformuleerd, waarbij het de deskundige vrij staat ordening te brengen in de beantwoording van de vragen, mocht er sprake zijn van overlap:
Is de methodiek die de VvE heeft toegepast voor het doorbelasten van de servicekosten enerzijds en het reserveren voor groot ouderhoud anderzijds een juiste methodiek geweest, die voldeed aan de wet, de statuten en de splitsingsakte?
Voldoen de (her)berekeningen van de VvE over de perioden 2015-2020, 2021 en 2022 aan de bepalingen van de splitsingsakte en aan het vonnis van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch van 12 mei 2021. Zo ja, kan de deskundige bevestigen dat [naam] de bedragen die uit de (her)berekeningen volgen, daadwerkelijk verschuldigd is?
4.15.
De deskundige heeft te kennen gegeven dat de kosten van het onderzoek door hem worden begroot op € 7.550,40 inclusief BTW. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen het erover eens geworden dat [naam] het voorschot van de deskundige zal betalen en dat de uiteindelijke kosten van de deskundige bij helfte zullen worden voldaan. De kantonrechter zal deze afspraken volgen, maar zal partijen eerst in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over de hoogte van de begrote kosten.
4.16.
De kantonrechter gaat er verder van uit dat partijen instemmen met de persoon die als deskundige gaat optreden. Voor zover partijen daarmee niet instemmen en om die reden iedere partij toch een deskundige voorstelt, moeten partijen gemotiveerd aangeven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd. De kantonrechter zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige, de eigen deskundige of een door partijen aangedragen deskundige benoemen.
4.17.
De kantonrechter zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich bij akte kunnen uitlaten over de persoon van de deskundige, de aan deze voor te leggen vragen en de omvang van het te storten voorschot. Partijen moeten de concept-akte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren.
4.18.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5De beslissing De kantonrechter in het incident 5.1. wijst de vordering af, 5.2. houdt de beslissing over de vordering tot veroordeling in de proceskosten aan, in conventie en in reconventie 5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 12 juni 2024 om beide partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen waarin zij zich uitlaten over het aangekondigde deskundigenbericht, 5.4. bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk een week vóór de genoemde roldatum de concept-akte moeten toesturen, zodat zij ieder in hun eigen akte nog kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij, 5.5. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Rouwen en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2024.