RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Bergen op Zoom Zaaknummer: 10752400 \ CV EXPL 23-3143 Vonnis van 8 mei 2024 in de zaak van [eiser] , H.O.D.N. [handelsnaam 1], te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: Juristu Incassodiensten B.V., tegen [gedaagde] , H.O.D.N. [handelsnaam 2], te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 9 oktober 2023 met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - de conclusie van repliek tevens houdende vermindering van eis met producties; - de conclusie van dupliek. 2De feiten 2.
- [eiser] heeft naar aanleiding van een Facebook-oproep van [gedaagde] twee arbeidskrachten (hierna te noemen: [naam 1] en [naam 2] ) uitgeleend. De kosten bedragen € 40,00 per uur per persoon. 2.
- Op 22 juni 2023 heeft [eiser] een bedrag van € 720,00 aan [gedaagde] gefactureerd voor 18 uur. De betaaltermijn is op 6 juli 2023 verstreken. [gedaagde] heeft de factuur niet betaald. 3Het geschil 3.
- [eiser] vordert, na vermindering van eis, dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 788,00 (bestaande uit een hoofdsom van € 680,00 en incassokosten van € 108,00), vermeerderd met rente en proceskosten. 3.
- [eiser] stelt zich op het standpunt dat partijen een overeenkomst hebben gesloten, op grond waarvan [eiser] personeel heeft uitgeleend aan [gedaagde] . [gedaagde] is daarvoor het overeengekomen tarief van € 40,00 per uur verschuldigd. Omdat de uiterlijke betaaltermijn inmiddels is verstreken, moet [gedaagde] ook incassokosten en rente betalen. 3.
- [gedaagde] erkent dat hij de uren die [naam 2] heeft gewerkt (10 uur), moet betalen. De uren die [naam 1] gewerkt heeft, komen echter niet voor zijn rekening. Dit gedeelte van de vordering moet daarom worden afgewezen. Hiertoe voert [gedaagde] aan dat zijn vader [naam 1] heeft ingehuurd. [eiser] was daarvan op de hoogte. [gedaagde] heeft zijn Facebook-oproep mede namens zijn vader gedaan. [eiser] heeft de vader van [gedaagde] ook gesproken. Bovendien heeft [eiser] 8 uur voor [naam 1] in rekening gebracht, terwijl [naam 1] slechts 7 uur voor de vader van [gedaagde] heeft gewerkt. Tot slot vindt [gedaagde] dat hij [eiser] pas hoeft te betalen als hij een gecorrigeerde factuur heeft ontvangen. Zijn boekhouding klopt anders niet. 4De beoordeling 4.
- [gedaagde] erkent dat hij nog € 400,00 aan [eiser] moet betalen in verband met de uren die [naam 2] voor hem heeft gewerkt. Dit gedeelte van de vordering is daarom toewijsbaar, tenzij het beroep van [gedaagde] op opschorting van de betaling slaagt. Dit is echter niet het geval. Dat [eiser] (nog) geen gecorrigeerde factuur naar [gedaagde] heeft verstuurd, is namelijk geen gegronde reden om de betaling op te schorten. De opschorting is dus niet gerechtvaardigd (artikel 6:262 lid 2 BW). Overigens kan de kantonrechter [eiser] ook niet bevelen om een gecorrigeerde factuur naar [gedaagde] te versturen. [gedaagde] heeft dit namelijk niet gevorderd. 4.
- De uren van [naam 1] hoeft [gedaagde] echter niet te betalen. [eiser] heeft alleen weersproken dat hij met de vader van [gedaagde] heeft gesproken. Dat de Facebook-oproep van [gedaagde] ook namens zijn vader is gedaan, wordt door [eiser] niet betwist. Uit de door [eiser] overgelegde WhatsApp-correspondentie met [gedaagde] blijkt verder dat [gedaagde] de bedrijfsgegevens van zijn vader aan [eiser] heeft doorgegeven. Dit betekent dat [eiser] dit gedeelte van zijn vordering tegenover de stellingen [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd. Het resterende gedeelte van de hoofdsom van € 280,00 zal daarom worden afgewezen. 4.
- [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Bij een hoofdsom van € 400,00 hoort een tarief van € 60,00, zo is bepaald in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter wijst daarom € 60,00 toe. 4.
- Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen: - hoofdsom € 400,00 - buitengerechtelijke incassokosten € 60,00 + totaal € 460,00 - betalingen € 0,00 -/- Totaal € 460,00 4.
- De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom wordt niet weersproken en zal worden toegewezen. Over de proceskostenveroordeling wordt geen wettelijke rente toegewezen, omdat [eiser] dit niet heeft gevorderd. 4.
- [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 107,84 - griffierecht € 214,00 - salaris gemachtigde € 164,00 (2,00 punten × € 82,00) - nakosten € 41,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 526,84 5De beslissing De kantonrechter: 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 460,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 400,00 vanaf 6 juli 2023 tot aan de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 526,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2024.