RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Cluster I Civiele kantonzaken Tilburg zaak/rolnr.: 10908130 CV EXPL 24-515 vonnis d.d. 12 juni 2024 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NS Reizigers B.V., gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht, eiseres, gemachtigde: LAVG B.V. te Groningen, tegen [gedaagde] , wonende te ( [postcode] ) [plaats] , [adres] gedaagde, procederend in persoon. 1Het verloop van het geding De procesgang blijkt uit de volgende stukken: a. het tussenvonnis in deze zaak van 1 mei 2024 met de daarin genoemde processtukken; b. de brief van gedaagde van 7 mei 2024. 2De verdere beoordeling 2.1 In voornoemd tussenvonnis heeft de kantonrechter het voornemen uitgesproken de overeenkomst voor 25% te vernietigen. Vervolgens is gedaagde in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. 2.2 Bij brief van 7 mei 2024 deelt gedaagde mede dat zij zich niet verzet tegen gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst. 2.3 De kantonrechter overweegt dat uit r.o. 3.1.18 van het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677) volgt dat zij in een zaak, waarin beide partijen zijn verschenen, dient over te gaan tot de gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst, behoudens als de gedaagde partij daar bezwaar tegen heeft. In dat geval wordt er geen vernietiging uitgesproken. Enkel in een verstekzaak kan de vernietiging worden beperkt tot de betalingsverplichting van de gedaagde partij. Nu gedaagde geen bezwaar heeft gemaakt tegen de vernietiging van de abonnementsovereenkomst met 25%, zal de kantonrechter daartoe overgaan. Het voorgaande betekent dat een totaalbedrag van € 485,50 aan hoofdsom toewijsbaar is (€ 2,44 abonnementskosten + € 412,41 reiskosten en € 70,65 kosten ov-fiets). Daarop dient het bedrag van € 0,91 ter zake restitutie OV-chipkaart in mindering te strekken, zodat een bedrag van € 484,59 zal worden toegewezen. 2.4 Nu eiseres voor de berekening van de rente is uitgegaan van een onjuiste hoofdsom, zal deze worden toegewezen als hierna bepaald. 2.5 Eiseres maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden gebaseerd op de in deze procedure toe te wijzen hoofdsom ad € 484,59, zodat ter zake daarvan een bedrag van € 72,69 zal worden toegewezen 2.6 Gedaagde is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eiseres worden begroot op: - dagvaarding € 113,54 - griffierecht € 328,00 - salaris gemachtigde € 135,00 (1 punt(en) x tarief € 135,00) - nakosten € 67,50 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 644,04 3De beslissing De kantonrechter: veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen een bedrag van € 557,28, vermeerderd met de wettelijke rente over de in het bedrag van € 484,59 vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt gedaagde tot betaling van de proceskosten van € 644,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagde niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet gedaagde ook de kosten van betekening betalen; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2024.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.