RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats Middelburg parketnummer : 96-146628-20 raadkamernummer : 23-031333 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] , woonplaats kiezend op het kantoor van mr. J.J.J. van Rijsbergen advocaat te Breda, (Postbus 4650, 4803 ER Breda), hierna te noemen: de verzoeker. 1De procedure De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van € 3.033,99 zijnde de kosten voor rechtsbijstand te vermeerderen met € 680,00 zijnde de kosten met betrekking tot het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift in raadkamer; het sepot van 16 november 2023; de schriftelijke reactie van de officier van justitie. Op 16 april 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. R.S. Jacobs en de gemachtigd raadsman mr. J.H.E.M. Kersemaekers gehoord. Verzoeker is behoorlijk opgeroepen doch niet bij de behandeling in raadkamer verschenen. 2De standpunten Namens verzoeker is aangevoerd dat er weliswaar sprake is van een beleidssepot, maar dat uit het dossier naar voren komt dat er zich in dit geval een situatie voordoet die niet onmiskenbaar geleid zou hebben tot een veroordeling. Het openbaar ministerie heeft besloten verzoeker niet verder te vervolgen omdat het feit te oud was. De raadsman stelt zich op het standpunt dat in deze zaak gronden van billijkheid zijn om de schadevergoeding toe te kennen De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzochte vergoeding niet voor toewijzing in aanmerking komt. Er is sprake van een beleidssepot. De gronden waarop een zaak wordt geseponeerd worden zorgvuldig afgewogen. Er is gekeken naar een passende code om te seponeren. Uit het dossier komt naar voren dat verzoeker de verdenking over zichzelf heeft afgeroepen. Het verzoek dient te worden afgewezen. 3De beoordeling De rechtbank overweegt als volgt. De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd. Ingevolge artikel 530 Sv wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman. Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Dat de zaak tegen verzoeker is geseponeerd, maakt niet zonder meer dat hij recht heeft op schadevergoeding. De reden van het sepot dient tevens in de afweging te worden betrokken. De officier van justitie heeft besloten verzoeker niet verder te vervolgen op grond van dat het feit te oud was. De reden voor het sepot was niet gelegen in het ontbreken van bewijs. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier ernstige bezwaren naar voren komen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verzoeker de verdenking aan zichzelf te wijten heeft gehad. Indien de zaak aan de strafrechter was voorgelegd, zou een veroordeling van verzoeker niet op voorhand uitgesloten zijn geweest. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen gronden van billijkheid zijn om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen en zij zal het verzoek tot toekenning van een vergoeding afwijzen. Nu het verzoek tot toekennen van een vergoeding wordt afgewezen, wijst de rechtbank ook het verzoek tot het toekennen van een forfaitaire vergoeding voor het indienen en de behandeling van het verzoekschrift in raadkamer af. 4De beslissing De rechtbank: De rechtbank wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding af. Deze beslissing is op 30 april 2024 gegeven door mr. R.J.H. Goosens, rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 april 2024. De griffier is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen. INFORMATIE RECHTSMIDDEL Tegen de beslissing ex artikel 533 en ex 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.