RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummers: C/02/416543 / FA RK 23-5636 en C/02/416444 / JE RK 23-2100 Datum uitspraak: 22 mei 2024 Nadere beschikking van de meervoudige kamer in de zaken van RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND, hierna te noemen de Raad, gevestigd in Breda, en de gecertificeerde instelling LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, hierna te noemen het LJ&R, gevestigd in Eindhoven. over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 3] . De rechtbank merkt in alle twee de zaken als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat voor beide ouders: mr. J.G. van Ek te Heerlen, [de pleegmoeder van minderjarige 1] , hierna te noemen de pleegmoeder van [minderjarige 1] , wonende in [plaats 1] , [de pleegouders van minderjarige 2 en 3] , hierna te noemen de pleegouders van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , wonende in [plaats 2] , De rechtbank merkt in de zaak C/02/416543 / FA RK 23-5636 tevens als informant aan: De gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen de WSG, gevestigd in Amsterdam. 1Het verdere verloop van de procedure 1.1 C/02/416543 / FA RK 23-5636 Dit blijkt uit de volgende stukken: - het verzoekschrift van de Raad van 29 november 2023; - de mondelinge behandeling van de zaak op 12 januari 2024 en het daarvan opgemaakte proces-verbaal; - het verslag van de Raad van 13 februari 2024 met als bijlage de schriftelijke bereidverklaring van de WSG van 7 februari 2024. 1.2 C/02/416444 / JE RK 23-2100 Dit blijkt uit het volgende stuk: - de beschikking van deze rechtbank van 23 januari 2024 en alle daarin vermelde stukken. 1.3 De zaken zijn op 18 april 2024 gelijktijdig door de meervoudige kamer van de rechtbank met gesloten deuren nader mondeling behandeld. Daarbij waren aanwezig: - de beide ouders met hun advocaat; - de pleegmoeder van [minderjarige 1] ; - de pleegouders van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ; - een vertegenwoordiger van de Raad; - twee vertegenwoordigers van het LJ&R; - een vertegenwoordiger van de WSG; 2De feiten 2.1 De ouders zijn met elkaar gehuwd. 2.2 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn gedurende het huwelijk van de ouders geboren. 2.3 Uit het huwelijk van de ouders is ook [naam 1] geboren en de moeder heeft een kind uit een eerdere relatie, [naam 2] . Het verzoek van de Raad heeft geen betrekking op deze kinderen. De rechtbank heeft het in deze beschikking dan ook alleen over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . 2.4 De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . 2.5 Bij beschikking van 24 januari 2022 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van het LJ&R met ingang van 24 januari 2022 tot 24 januari 2023. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verleend in een voorziening voor pleegzorg met ingang van eveneens 24 januari 2022 tot 24 januari 2023. Beide maatregelen zijn daarna - tweemaal - verlengd, laatstelijk bij beschikking van23 januari 2024 (in de zaak met zaaknummer 416444 / JE RK 23-2100) tot 24 mei 2024, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek van het LJ&R tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. 2.6 [minderjarige 1] verblijft sinds 8 oktober 2020 bij de pleegmoeder. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven sinds 30 september 2020 samen bij de pleegouders. 2.7 De Raad heeft op 29 november 2023 (in de zaak met zaaknummer C/02/416543 / FA RK 23-5636) een verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ingediend. De behandeling van dit verzoek is op de mondelinge behandeling van 12 januari 2024 aangehouden waarbij de Raad opdracht is gegeven om een nader gemotiveerd advies uit te brengen welke gecertificeerde instelling belast moet worden met de voogdij over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] indien het verzoek tot gezagsbeëindiging zou worden toegewezen onder overlegging van een schriftelijke bereidverklaring van de beoogde voogd. 2.8 Bij verslag van 13 februari 2024 heeft de Raad aanvullend advies uitgebracht en daarbij overgelegd de brief van de WSG van 7 februari 2024 waarin de WSG zich bereid heeft verklaard om de voogdij over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te aanvaarden. 3Het verzoek 3.1 C/02/416543 / FA RK 23-5636 Ter beoordeling ligt voor het verzoek van de Raad om op grond van 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te beëindigen en om de WSG als voogdes te benoemen. 3.2 C/02/416444 / JE RK 23-2100 Ter beoordeling ligt voor het resterende verzoek van het LJ&R tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg voor de periode van 24 mei 2024 tot 24 januari 2025. 4De standpunten 4.1 Standpunt Raad De Raad stelt zich op het standpunt dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (hierna aangeduid als de minderjarigen) ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd omdat zij als gevolg van de opvoedingssituatie bij de ouders beschadigd zijn geraakt. Zij hebben hierdoor een achterstand opgelopen in hun sociaal-emotionele ontwikkeling, hun taal- en spraakontwikkeling en in hun gedrag. Ook zijn er aanwijzingen voor hechtingsproblematiek en mogelijk trauma, wat vooral naar voren lijkt te komen op de momenten dat de minderjarigen omgang hebben met de ouders. De minderjarigen ervaren daarnaast onduidelijkheid over hun perspectief, waar met name [minderjarige 1] veel last van ervaart. Gebleken is dat de ouders onvoldoende in staat zijn om de verzorging en opvoeding van de minderjarigen op een verantwoorde wijze op zich te nemen. De ouders hebben de beste bedoelingen en zijn liefdevol en betrokken, maar missen het inzicht in wat er mis is gegaan in de opvoeding van de minderjarigen, welke schade dit heeft opgeleverd voor de minderjarigen en wat de minderjarigen nu nodig hebben van hen als ouders. De ouders bekijken de situatie vooral vanuit hun eigen positie en minder vanuit het oogpunt van de minderjarigen. Daarin speelt mee dat bij de ouders weliswaar geen sprake is van een licht verstandelijke beperking, maar wel van een complexe onderliggende persoonlijke problematiek waardoor zij minder mogelijkheden hebben om aan te sluiten bij de behoeften van de minderjarigen. Ook lukt het de ouders onvoldoende om mee te werken aan zaken die voor de minderjarigen nodig zijn, zoals bijvoorbeeld het verlenen van toestemming voor een identiteitsbewijs, vakanties en ondertekenen van formulieren voor onderwijs. Tijdens het onderzoek is gebleken dat de ouders zich wisselend opstellen over het opvoedperspectief van de minderjarigen en dat het hen niet lukt om aan de minderjarigen consequent emotionele toestemming te geven voor hun verblijf en het opgroeien bij de pleegouders. Tegelijkertijd is gebleken dat het LJ&R tijdens de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing onvoldoende regie heeft genomen. Hierdoor heeft een gedegen uitvoering van een plan van aanpak vanuit de GI ontbroken en is het traject van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, met het verduidelijken van het perspectief en het onderzoeken naar de mogelijkheden in de toekomst, onvoldoende en niet op de juiste manier doorlopen. Daarmee zijn de ouders tekort gedaan. De belangen van de minderjarigen staan echter centraal, en kijkend vanuit hun belangen naar de situatie acht de Raad een gezagsbeëindigende maatregel ten aanzien van beide ouders noodzakelijk en aangewezen. Het opvoedperspectief van de minderjarigen is gelegen bij de pleegouders. De minderjarigen zijn op zeer jonge leeftijd uit huis geplaatst en wonen inmiddels al drie jaar, te weten (bijna) de helft van hun leven, bij hun pleegouders. Binnen de pleeggezinnen wordt aan de minderjarigen de opvoeding geboden die zij nodig hebben, waardoor alle drie de minderjarigen een grote groei hebben doorgemaakt in hun ontwikkeling. Ondanks dat beide pleeggezinnen een complexe samenwerking ervaren met de ouders, wordt gezien dat zij respectvol zijn ten aanzien van de positie en rol van de ouders. De aanvaardbare termijn van de minderjarigen, te weten de periode die kinderen kunnen overbruggen waarin zij onduidelijkheid ervaren over hun toekomstperspectief, is inmiddels ruim verstreken. De minderjarigen hebben duidelijkheid nodig over hun perspectief, waarbij [minderjarige 1] ook letterlijk vraagt om helderheid hierover; ze wil weten of ze bij de pleegmoeder mag blijven wonen. Daarnaast heeft de Raad niet de verwachting dat de ouders binnen een afzienbare termijn het perspectief van de minderjarigen kunnen gaan accepteren en uitdragen naar de minderjarigen gezien de omstandigheid dat de ouders zich al drie jaar wisselend opstellen over het perspectief van de minderjarigen. De Raad hoopt dat met een gezagsbeëindigende maatregel ten aanzien van de ouders rust kan gaan ontstaan voor alle betrokkenen, waarbij de minderjarigen fijn kunnen opgroeien bij hun pleegouders, de ouders een duidelijke rol in het leven van de minderjarigen hebben en de ouders en de pleegouders in goed contact met elkaar staan. De uitvoering van de voogdij-maatregel moet volgens de Raad worden belegd bij een neutrale instantie, zoals een gecertificeerde instelling. Dit omdat er sprake is van een complexe en moeizame samenwerking tussen de ouders en de pleegouders, maar ook omdat er nog een traject voor de minderjarigen bij Basic Trust loopt en er nog een traject moet worden ingezet voor de ouders voor het leren accepteren van hun positie. Hierbij moet ook aandacht zijn voor de omgang tussen de ouders en de minderjarigen. Het is in het belang van de minderjarigen dat de pleeggezinnen zich blijven richten op het bieden van een sensitieve opvoedingsomgeving voor de minderjarigen. De door de ouders geboden optie om iemand uit het eigen netwerk, via de kerk, tot voogd te benoemen acht de Raad niet wenselijk. Hiervoor is de situatie te complex, die bovendien vraagt om een voogd die kennis heeft van de ontwikkelingsproblemen van de minderjarigen, samenwerkingssituaties tussen de ouders en de pleegouders en mogelijke omgangstrajecten. De Raad acht de WSG de meest passende gecertificeerde instelling om met de voogdij over de minderjarigen te worden belast gezien het functioneren van de ouders en de omstandigheid dat de ouders weinig leerbaar zijn gebleken. De ouders hebben veel herhaling en structuur nodig en moeten informatie in stukjes aangeboden krijgen. Volgens de Raad hebben de ouders dan ook meer baat bij een aanpak zoals geboden door de WSG dan door het LJ&R of Stichting Jeugdbescherming Brabant (hierna JBB). Het beleggen van de voogdij over de minderjarigen bij het LJ&R of JBB is bovendien niet mogelijk. Tussen de ouders en het LJ&R is sprake van een beschadigde samenwerkingsrelatie en JBB heeft aangegeven niet bereid te zijn tot uitvoering van de voogdijmaatregel. 4.2 Standpunt ouders Door en namens de ouders is aangevoerd dat de ouders, vanaf het moment dat de minderjarigen in de pleeggezinnen zijn gaan wonen, door het LJ&R grotendeels aan hun lot zijn overgelaten. Door het LJ&R is nauwelijks regie gevoerd, waarbij lange tijd - tot begin van dit jaar - een vaste jeugdzorgwerker heeft ontbroken waardoor de ouders aangewezen waren op het doorstroomteam van het LJ&R dat niet of nauwelijks bereikbaar was. Dit heeft tot gevolg gehad dat de hele situatie voor de ouders onduidelijk was en zij geenszins wisten waar zij aan toe waren. In 2023 hebben de ouders aanvankelijk aangegeven achter een gezagsbeëindigende maatregel te kunnen staan. Er speelde op dat moment veel problematiek bij [naam 2] en de zorg voor [naam 2] , in combinatie met de zorg voor hun jongere kind [naam 1] , vroeg veel van de ouders waardoor de ouders aan de top van hun belastbaarheid zaten. Lopende 2023 is de situatie echter rustiger geworden rondom [naam 2] en zijn de ouders tot voortschrijdend inzicht gekomen. Een gezagsbeëindigende maatregel is volgens de ouders te prematuur. Voor de ouders staat niet zonder meer vast dat het perspectief van de minderjarigen is gelegen bij de pleegouders nu [naam 2] en [naam 1] , zonder enige vorm van toezicht, wel bij hen kunnen wonen. Daarnaast is gedurende de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing onvoldoende hulp aan de ouders geboden bij het uitoefenen van hun ouderrol in een eventueel vrijwillig kader. Zo hebben de ouders tot op heden geen begeleiding gekregen bij het leren accepteren dat de minderjarigen in een pleeggezin opgroeien en is evenmin ingezet op een verbetering van de samenwerkingsrelatie tussen de ouders en de pleegouders, terwijl daarvoor door de ouders wel mogelijkheden worden gezien. Daar komt bij dat blijkens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) de maatstaf van artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) voor gezagsbeëindiging anders is dan die van artikel 1:266 BW. In het geval van een gezagsbeëindiging moet daadwerkelijk gebleken zijn dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind. Die vraag is ten aanzien van de minderjarigen nog niet beantwoord. Een gezagsbeëindiging zal, anders dan de Raad stelt, bovendien geen rust brengen voor de ouders. Integendeel, het zal de ouders juist heel veel pijn en verdriet doen en hen het gevoel geven dat zij er als ouders niet meer toe doen. De ouders kunnen er niet mee instemmen dat de voogdij over de minderjarigen, in geval van een gezagsbeëindiging, bij de WSG wordt belegd. In het verleden hebben de ouders eenmaal een gesprek gevoerd met een medewerker van de WSG en dat gesprek hebben zij als zeer onprettig ervaren. Hierdoor hebben de ouders geen vertrouwen in de WSG. Daarnaast vallen de ouders niet onder de doelgroep van de WSG aangezien zij geen verstandelijke beperking hebben. Gelet op dit alles verzoeken de ouders het verzoek van de Raad tot gezagsbeëindiging af te wijzen en het resterende deel van het verzoek van het LJ&R tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen toe te wijzen. Binnen de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing moet ingezet worden op een betere samenwerkingsrelatie tussen de ouders en de pleegouders. Ook dient de rol en positie van de ouders in het leven van de minderjarigen nader vorm te worden gegeven. De ouders hebben medio 2023 de beslissing genomen om de individuele contactmomenten met de minderjarigen te stoppen omdat hen verteld werd dat deze momenten teveel van de minderjarigen vroegen. Zij dachten hiermee in het belang van de minderjarigen te hebben gehandeld, echter dit wordt hen nu - onterecht - tegengeworpen. Zij zouden graag zien dat de individuele contactmomenten weer worden opgepakt. De contactmomenten met alle kinderen samen, de zogenaamde brusjesbezoeken, verlopen goed. Ten aanzien van de toestemming voor de vakantie merken ouders op dat zij eerst de mondelinge behandeling wilden afwachten alvorens al dan niet toestemming te verlenen. 4.3 Standpunt LJ&R De vertegenwoordigers van het LJ&R hebben naar voren gebracht dat het LJ&R achter het verzoek van de Raad tot gezagsbeëindiging staat. Het LJ&R heeft in augustus 2023 in overleg met de ouders een verzoek bij de Raad ingediend om onderzoek te doen naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel ten aanzien van de minderjarigen. Dit omdat de ouders destijds aangaven achter het verblijf van de minderjarigen in de pleeggezinnen te staan en niet langer met het ouderlijk gezag belast te willen zijn. Hierop zijn de ouders terug gekomen; zij staan niet langer achter een gezagsbeëindiging. Voor het LJ&R staat het perspectiefbesluit voor alle drie de minderjarigen, namelijk dat de minderjarigen dienen op te groeien in de pleeggezinnen, echter vast. De pleegouders sluiten aan bij de opvoedbehoeften van de minderjarigen en de minderjarigen ontwikkelen zich, binnen hun mogelijkheden, goed in de pleeggezinnen. Belangrijk is dat er duidelijkheid gaat komen over het opvoedperspectief. De ouders zijn wisselend in hun uitspraken en in hun medewerking wat betreft zaken die voor de minderjarigen geregeld moeten worden. Zij weigeren op dit moment toestemming te geven voor een vakantie van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] samen met de pleegouders in de zomervakantie zonder hiervoor een concrete reden te geven. De ouders hebben aangegeven de individuele contactmomenten met de minderjarigen, naast de huidige brusjesbezoeken, weer te willen opstarten. Hierover heeft overleg plaatsgevonden met de pleegouders en pleegzorg, en besloten is om de individuele contactmomenten nog een half jaar uit te stellen in verband met het hulpverleningstraject Basic Trust dat op dit moment nog loopt. Voor een goed verloop van dit traject is het van belang dat de situatie voor de minderjarigen rustig en stabiel is. Over een half jaar wordt de invulling van het contact tussen de ouders en de minderjarigen nader bekeken. Met de Raad acht het LJ&R het aangewezen om de voogdij over de minderjarigen, in geval van een gezagsbeëindiging, bij de WSG te beleggen. De ouders hebben een groot wantrouwen naar het LJ&R en hoewel bij de ouders geen sprake is van een verstandelijke beperking, past de benadering van de WSG beter bij de ouders. Beide ouders zijn taalvaardig, maar het overbrengen van informatie beklijft niet goed. De GI handhaaft haar resterende verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in het geval het gezag van de ouders niet zou worden beëindigd dan wel een beslissing over het gezag van de ouders door de rechtbank zou worden aangehouden. 4.4 Standpunt WSG De vertegenwoordiger van de WSG heeft aangegeven dat de WSG, zoals schriftelijk al verklaard, bereid is de voogdij over de minderjarigen uit te voeren in geval van een beëindiging van het gezag van de ouders. De ouders passen gezien hun problematiek binnen de doelgroep van de WSG. 4.5 Standpunt pleegouders De pleegouders hebben geen mening gegeven over de verzoeken van de Raad en de GI. Zij hebben verwezen naar het onderzoeksrapport en het laatste verslag van de Raad waarin volgens hen alles staat beschreven. De pleegouders van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben nog aangegeven een moeizame samenwerkingsrelatie met de ouders te ervaren. Om conflicten te voorkomen hebben zij besloten de relatie met de ouders op dit moment zakelijk te houden. 5De nadere beoordeling Ten aanzien van C/02/416543 / FA RK 23-5636 5.1 Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het BW kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.