← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2024:4268

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02-307611-22 vonnis van de rechtbank d.d. 21 juni 2024 in de ontnemingszaak tegen [betrokkene] geboren op [geboortedag] 1957 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] raadsman mr. J.C. Spigt, advocaat te Capelle aan den IJssel 1De procedure Betrokkene is op 21 juni 2024 door de rechtbank veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep en medeplichtigheid aan het medeplegen van diefstal van elektriciteit tot de in die uitspraak vermelde straf. De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd. De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 juni 2024, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De officier van justitie heeft daarbij de vordering gewijzigd. 2Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft behaald van € 13.548,

  1. Dit bedrag is gebaseerd op de verklaring van betrokkene dat hij per maand € 1.500,00 ontving voor het ter beschikking stellen van zijn schuur. Voor de periode waarover betrokkene dit bedrag heeft ontvangen, heeft de officier van justitie zich aangesloten bij het rapport van de politie met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel. Gelet daarop gaat de officier van justitie uit van een periode van 24 maanden, te weten van december 2019 tot en met december
  2. Hiermee komt de officier van justitie op een voordeel van € 36.000,
  3. De officier van justitie heeft daarop de energiekosten van € 19.877,79 en de netwerkkosten van € 2.573,69 in mindering gebracht. 3Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat betrokkene gedurende 16 maanden een geldbedrag van € 1.500,00 per maand heeft ontvangen voor het ter beschikking stellen van zijn schuur, hetgeen een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 24.000,00 oplevert. De raadsman gaat daarbij uit van een periode van augustus 2020 tot en met november 2021 en heeft daartoe gewezen op de verklaring van betrokkene en het feit dat betrokkene in december 2021 geen huur meer heeft ontvangen. De raadsman heeft aangevoerd dat op het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 24.000,00 de kosten van Enexis Netbeheer B.V. in mindering moeten worden gebracht. 4Het oordeel van de rechtbank 4.1 Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank heeft bij vonnis van 21 juni 2024 bewezen verklaard dat betrokkene de schuur bij zijn woning ter beschikking heeft gesteld voor de inrichting van een hennepkwekerij vanaf juli 2020 tot en met 8 december
  4. Zoals uit de bij dat vonnis gevoegde bewijsmiddelen volgt, heeft betrokkene ter zitting verklaard dat hij daarvoor maandelijks een geldbedrag van € 1.500,00 ontving. Gelet daarop stelt de rechtbank vast dat betrokkene gedurende 17 maanden, te weten van juli 2020 tot en met november 2021, een bedrag van € 1.500,00 heeft ontvangen, waarmee het wederrechtelijk verkregen voordeel in totaal € 25.500,00 betreft. Op dit bedrag zal de rechtbank de energiekosten van € 19.877,79 en de netwerkkosten van € 2.573,69 in mindering brengen. Op grond van het bovenstaande zal de rechtbank het genoten wederrechtelijke verkregen voordeel schatten op € 3.048,
  5. 4.2 Vaststelling ontnemingsbedrag De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op € 3.048,52 en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen. 5De wettelijke voorschriften De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 6De beslissing De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 3.048,
  6. - legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag van € 3.048,52, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. - bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 60 dagen. - wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af. Dit vonnis is gewezen door mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, mr. H. Skalonjic en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.J.M. van de Vrede en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 juni
  7. Mrs. Skalonjic, Mullers en Van de Vrede zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.