RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Jeugd Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02-184700-22 vonnis van de meervoudige kamer van 24 juni 2024 in de strafzaak tegen de minderjarige [verdachte], geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats], wonende te [woonadres], raadsman mr. J.M.H.J. Colen, advocaat te Terneuzen. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 10 juni 2024, waarbij de officier van justitie, mr. M. van Leeuwen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2/3 augustus 2021 openlijk in verenging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De ontvankelijkheid van de officier van justitie 3.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie, gelet op artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en de jurisprudentie van de Hoge Raad, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De redelijke termijn is aangevangen op 12 augustus 2021 en wordt sinds 12 december 2022 overschreden. Die forse overschrijding van de redelijke termijn dient (primair) te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie erkent dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, maar verzet zich, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, tegen de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. 3.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft te gelden dat bij minderjarigen de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn in deze zaak is aangevangen op 12 augustus 2021, de dag dat verdachte voor de eerste keer als verdachte is gehoord en bekend is geworden met de verdenking tegen hem. De termijn tussen het eerste verhoor op 12 augustus 2021 en de uitspraak is ruim 34 maanden. Daarmee is de redelijke termijn van 16 maanden voor jeugdigen fors overschreden. De rechtbank is van oordeel dat er geen of onvoldoende sprake is van bijzondere omstandigheden die deze forse overschrijding kunnen verklaren. Het betreft geen complexe zaak en door de verdediging zijn geen onderzoekswensen ingediend. Door de verdediging van [medeverdachte 1] is slechts één onderzoekswens ingediend, als gevolg waarvan er op 21 november 2023 drie getuigen zijn gehoord. Totdat deze zaak ter zitting van 10 juni 2024 is aangebracht, is er niets meer gebeurd. Nu de forse overschrijding niet is veroorzaakt door de complexiteit van de zaak, noch door de verdediging, komt zij voor rekening van het Openbaar Ministerie. De vraag die de rechtbank nu moet beoordelen is of de vastgestelde forse overschrijding van de redelijke termijn kan en moet leiden tot het oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijkheid moet worden verklaard. Voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie moet er, gelet ook op het arrest van 20 december 2020 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:1890), sprake zijn van een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Van een dergelijke situatie is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Zoals hiervoor is overwogen is de zaak eenvoudig van aard en is het dossier overzichtelijk. Ook de herinnering aan het feit waarvan verdachte wordt beschuldigd, is bij de procesdeelnemers nog voldoende levendig. De aangevers zijn bij de rechter-commissaris als getuige gehoord in het bijzijn van de verdediging van [medeverdachte 1]. De overschrijding van de termijn heeft daarmee niet tot gevolg dat van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM niet langer sprake kan zijn. Conclusie De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de aangiften, de verklaring bij de politie en ter zitting van verdachte zelf en de verklaringen van de medeverdachten. Verdachte heeft een wezenlijke en significante bijdrage gehad aan het geweld zoals zich dat tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gericht. Dat verdachte probeerde om [slachtoffer 2] te schoppen, maar hem niet heeft geraakt omdat [slachtoffer 2] wegdraaide en verdachte [slachtoffer 1] wilde slaan, maar het toch niet deed, doet er niet aan af dat er dan nog steeds sprake is van openlijke geweldpleging. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van de openlijke geweldpleging. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Aangezien verdachte ten aanzien van het feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 10 juni 2024 en afgelegd bij de politie op 12 augustus 2021; - de aangifte van [slachtoffer 1] van 2 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.