RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 22/5859 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2024 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant (gemeente Halderberge), de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 8 november 2022. 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres 1] te [plaats 1] (de woning) op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 369.000. Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende (onder andere) een aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Halderberge voor het jaar 2022 opgelegd (de aanslag OZB). 1.2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de beschikking en de aanslag gehandhaafd. 1.3. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2024. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen. Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen [naam] en [taxateur 1] 1.5. De rechtbank heeft het onderzoek aangehouden en partijen in de gelegenheid gesteld om te onderzoeken of een overeenstemming mogelijk is. 1.6. De rechtbank heeft bij brieven van 8 februari 2024 aangekondigd dat partijen in de gelegenheid worden gesteld om binnen drie weken aan te geven wat de stand van zaken is 1.7. Na berichtgeving van partijen dat zij geen overeenstemming hebben bereikt, heeft de rechtbank bij brieven van 16 mei 2024 partijen medegedeeld dat het onderzoek gesloten is en binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan. Een nadere zitting is achterwege gebleven nu partijen niet om een nadere zitting hebben verzocht. Feiten 2. Belanghebbende is eigenaar van het object. Het betreft een twee-onder-een-kapwoning. De woning heeft een woonoppervlakte van 115 m2, een aangebouwde schuur/berging, een carport en een aangebouwde garage. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Belanghebbende vindt dat de waarde van de woning op de waardepeildatum maximaal € 338.000 is. De heffingsambtenaar verdedigt de in de uitspraak op bezwaar gehandhaafde waarde van € 369.000. 4. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woning niet te hoog vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Motiveringsgebrek uitspraak op bezwaar [adres 8] . Belanghebbende heeft gesteld dat de uitspraak op bezwaar niet deugdelijk is gemotiveerd nu daarin niet is ingegaan op de aangedragen referentiewoningen van belanghebbende. 5.1. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de uitspraak op bezwaar dat de heffingsambtenaar is ingegaan op de door belanghebbende gestelde vergelijking. Weliswaar is de weerlegging summier, maar de rechtbank is van oordeel dat de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd is. De rechtbank ziet, anders dan belanghebbende, geen aanleiding te concluderen dat sprake is van een motiveringsgebrek. Toetsingskader van de rechtbank 6. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". 6.1. De waarde van een woning wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De vergelijkingsobjecten hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld. 6.2. Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen. 6.3. De heffingsambtenaar mag de waarde in principe in iedere fase van de procedure opnieuw onderbouwen. De onderbouwing van de WOZ-waarde door de heffingsambtenaar [adres 9] . De heffingsambtenaar heeft aan de waardevaststelling in beroep een taxatierapport ten grondslag gelegd dat op [adres 8] mei 2023 door [taxateur 1] is opgemaakt. 7.1. In het taxatierapport is de waarde van de woning op basis van een vergelijking met referentiewoningen vastgesteld op een getaxeerde waarde van € 373.000 naar de waardepeildatum 1 januari 2021. Als referentiewoningen zijn gebruikt de woningen aan de [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] te [plaats 2] . In het taxatierapport zijn voornoemde referentiewoningen vergeleken met de woning. De heffingsambtenaar heeft verder twee extra onderbouwingen in het rapport opgenomen, de woningen aan [adres 5] en [adres 6] te [plaats 2] . Deze woningen zijn niet in de berekening van de waarde meegenomen. 7.2. Volgens de heffingsambtenaar is voldoende aangetoond dat de gehanteerde WOZ–waarde van € 369.000 niet te hoog is. Gelijkheidsbeginsel 8. Belanghebbende doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Hij voert aan dat een aantal woningen in dezelfde straat ligt als zijn woning maar een WOZ-waarde hebben die lager ligt dan de waarde van zijn woning. Belanghebbende noemt daarbij de woningen aan [adres 7] , [adres 8] , [adres 9] , [adres 10] , [adres 11] en [adres 2] . 8.1. De rechtbank overweegt dat van schending van het gelijkheidsbeginsel sprake kan zijn indien
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.