RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 22/4895 en 24/950 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 januari 2024 in de zaak tussen [belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 16 september 2022. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd van € 420.000. Bij gelijktijdige beschikking heeft de inspecteur een verzuimboete van € 5.278 aan belanghebbende opgelegd (de boetebeschikking). Verder heeft de inspecteur bij beschikking belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht van € 66.034 (de belastingrentebeschikking). 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking bij uitspraak op bezwaar afgewezen. Bij afzonderlijke uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur ook het bezwaar van belanghebbende tegen de belastingrentebeschikking afgewezen. 1.3. De rechtbank heeft de beroepen op 30 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende haar bestuurder [naam 1] , de gemachtigde, en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] , mr. drs. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag, boete- en belastingrentebeschikking door de inspecteur terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende opgelegd. Ook de boetebeschikking is naar het oordeel van de rechtbank terecht aan belanghebbende opgelegd, maar deze moet worden verminderd in verband met ‘undue delay’. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Belanghebbende exploiteert een hotelbedrijf onder de naam " [naam 2] ". Tot 20 november 2015 huurde belanghebbende de onroerende zaak waarin het hotelbedrijf wordt geëxploiteerd (hierna: het hotel). Ter zake van de verhuur van het hotel is een huurovereenkomst opgesteld tussen belanghebbende en de eigenaren van het hotel. De maandhuur bedroeg € 20.000 exclusief omzetbelasting. 4.1. De eigenaren van het hotel hebben het hotel verkregen op 15 december 2014 voor een bedrag van € 500.000. In de periode van 15 december 2014 tot 26 augustus 2015 hebben zij een bedrag van ruim € 1.000.000 geïnvesteerd om het hotel te verbouwen. 4.2. Op 20 november 2015 hebben de eigenaren van het hotel gezamenlijk – in gelijke delen – alle aandelen in belanghebbende verkregen. Zij zijn per die datum ook benoemd als bestuurders van belanghebbende. 4.3. Bij e-mail van 10 november 2015 heeft de [notaris] namens de eigenaren van het hotel de inspecteur om een standpuntbepaling verzocht over toepassing van de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel e, sub 2, Wet BRV (inbreng van een onderneming in een vennootschap). De inspecteur heeft de notaris bij e-mail van 23 november 2015 bericht dat hij zich op het standpunt stelt dat de vrijstelling in dit geval geen toepassing vindt. 4.4. Vanaf 20 november 2015 zijn ter zake van het hotel geen huurkosten (meer) geboekt. Verder zijn in 2017 met terugwerkende kracht naar 20 november 2015 respectievelijk 1 januari 2016 in de administratie van belanghebbende – voor zover hier van belang – de volgende journaalposten geboekt: Datum Grootboekrekening Omschrijving Bedrag Bedrag 20-11-2015 0210 Bedrijfsgebouwen [naam 2] €7.000.000 20-11-2015 1820 Rekening-courant directie [naam 2] €7.000.000 01-01-2016 0210 Bedrijfsgebouwen Aanpassen waarde Hotel €89.500 01-01-2016 1820 Rekening-courant directie Aanpassen waarde Hotel €89.500 4.5. Verder is in 2017 met terugwerkende kracht naar 31 december 2015 in de administratie van belanghebbende op de balans onder "Materiële vaste activa" een bedrag opgenomen van € 7.311.181 en onder "Kortlopende schulden en overlopende passiva" een bedrag van € 7.455.132. 4.6. De afschrijvingskosten ter zake van het hotel zijn in 2017 voor 2015 berekend op basis van een boekwaarde van € 7.000.000. Voor de vaststelling van de afschrijvingskosten over de jaren 2016 en 2017 is de boekwaarde verhoogd met een bedrag van € 89.500. Deze afschrijvingskosten zijn in aanmerking genomen bij de vaststelling van de belastbare winst voor de vennootschapsbelasting over 2016 en 2017. 4.7. Door makelaardij [b.v.] is een taxatierapport met dagtekening 28 april 2017 opgesteld ter zake van het hotel. Uit dit rapport blijkt een getaxeerde marktwaarde van € 6.500.000 per 27 maart 2017. Door [bedrijf] is een taxatierapport met dagtekening 17 september 2017 opgesteld ter zake van het hotel. Uit dit rapport blijkt een getaxeerde marktwaarde van € 7.679.000 per 17 september 2017. 4.8. De inspecteur heeft op 6 december 2019 – conform zijn eerder kenbaar gemaakte voornemen – de naheffingsaanslag en boetebeschikking aan belanghebbende opgelegd. Vervolgens heeft de inspecteur bij beschikking van 22 januari 2020 de belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht. 4.9. In 2020 is de waarde van het hotel voor de vennootschapsbelasting – in het kader van een compromis – vastgesteld op € 2.000.000. Als gevolg daarvan zijn de oorspronkelijk bij de Kamer van Koophandel gedeponeerde jaarrekeningen gecorrigeerd, waarbij is uitgegaan van een waarde van het hotel in 2015 van € 2.000.000 en een daar tegenoverstaande rekening-courant schuld van € 2.000.000. Motivering Vooraf; ontvankelijkheid beroep met betrekking tot de belastingrentebeschikking 5. Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift alleen beroep in gesteld tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking. De inspecteur heeft namelijk ten aanzien van de belastingrentebeschikking een separate uitspraak op bezwaar gedaan en de belastingrentebeschikking is ook niet begrepen in het besluit met [aanslagnummer] waarnaar belanghebbende in zijn beroepschrift verwijst. 5.1. Anders dan belanghebbende meent, wordt de belastingrente niet (automatisch) geacht onderdeel uit te maken van de belastingaanslag en daarmee van het bezwaar en beroep tegen die belastingaanslag. Belanghebbende had in zijn beroepschrift dus ook moeten verwijzen naar de belastingrentebeschikking of separaat beroep moeten instellen tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de belastingrentebeschikking. 5.2. Belanghebbende heeft pas voor het eerst bij brief van 11 november 2022, ingekomen bij de rechtbank op 18 november 2022 (de gronden van het beroep), kenbaar gemaakt dat zijn beroep zich ook richt tegen de belastingrentebeschikking. Dat is te laat, want de termijn voor het instellen van beroep tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de belastingrentebeschikking was op dat moment al verstreken. 5.3. Naar het oordeel van de rechtbank moet in dit geval de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar worden geacht. Belanghebbende mocht menen dat hij door beroep in te stellen tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de naheffingsaanslag en de boetebeschikking ook beroep instelde tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de belastingrentebeschikking. Daarvoor acht de rechtbank in het bijzonder van belang dat belanghebbende in één geschrift bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag, boete- en belastingrentebeschikking, dat de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de naheffingsaanslag en de boetebeschikking en de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de belastingrentebeschikking op dezelfde datum zijn gedaan, en dat het over het algemeen ongebruikelijk is om de belastingrentebeschikking separaat van de naheffingsaanslag vast te stellen. 5.4. Het voorgaande betekent dat de rechtbank in deze uitspraak ook toekomt aan een beoordeling van de belastingrentebeschikking. Omdat het beroep zich nu mede richt tegen de belastingrentebeschikking en in deze uitspraak dus twee uitspraken op bezwaar ter beoordeling voorliggen, heeft de rechtbank (administratief) nog een extra zaaknummer aangemaakt. Het zaaknummer 22/4895 heeft betrekking op de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de naheffingsaanslag en de boetebeschikking en het zaaknummer 24/950 heeft betrekking op de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de belastingrentebeschikking. Is de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting terecht opgelegd? 6. Overdrachtsbelasting wordt geheven ter zake van de verkrijging van het juridische en/of economische eigendom van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen. De maatstaf van heffing vormt de waarde van de onroerende zaak, waarbij de waarde tenminste gelijk is aan de waarde van de tegenprestatie. Onder waarde moet worden verstaan de waarde in het economisch verkeer. 6.1. Het begrip ‘economische eigendom’ omvat de volgende elementen: het moet gaan om een samenstel van rechten en verplichtingen met betrekking tot onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn onderworpen, dat een belang bij die zaken of rechten vertegenwoordigt. het belang omvat ten minste enig risico van waardeverandering en komt toe aan een ander dan de eigenaar of beperkt gerechtigde. de verkrijging van uitsluitend het recht op levering wordt niet aangemerkt als verkrijging van economische eigendom. 6.2. Bij economische eigendom in de zin van artikel 2, tweede lid, van de BRV is steeds sprake van een splitsing tussen macht (in de juridische betekenis) en belang (in de economische betekenis) bij het goed op grond van een overeenkomst tussen partijen. 6.3. Vast staat dat het juridische eigendom vanaf 15 december 2014 bij de eigenaren van het hotel is geweest en dat er in dit geval geen schriftelijke overeenkomst is gesloten op basis waarvan de economische eigendom van het hotel op enig moment van de eigenaren van het hotel is overgegaan op belanghebbende. Aan een overeenkomst worden echter geen vormvereisten gesteld. Dat betekent dat een overeenkomst ook op andere wijze dan schriftelijk tot stand kan komen. De rechtbank beoordeelt hierna daarom of er in dit geval een overeenkomst tot stand is gekomen op basis waarvan het economische eigendom van het hotel is overgegaan op belanghebbende. 6.4. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het samenstel van feiten en omstandigheden dat er tussen de eigenaren van het hotel en belanghebbende op enig moment (een naar buiten toe kenbare) wilsovereenstemming bestond om de economische eigendom van het hotel tegen vergoeding op belanghebbende te doen overgaan. De rechtbank merkt dit aan als een overeenkomst en constateert op basis van het samenstel van feiten en omstandigheden dat aan deze overeenkomst ook uitvoering is gegeven. Bij de hiervoor gegeven oordelen acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden van belang:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.