RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 23/1090 tot en met 23/1093, 23/1095, 23/1097, 23/1098 en 23/1100 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2024 in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende, (gemachtigde: mr. M.F.P. de Clercq), en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 12 januari 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende (navorderings)aanslagen opgelegd: een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2014 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.524. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 12.411 en is belastingrente van € 6.206 in rekening gebracht (zaaknummer 23/1090); een navorderingsaanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringwet (Zvw) voor het jaar 2014 naar een bijdrage-inkomen van € 37.351. Daarbij is € 315 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23/1091); een aanslag IB/PVV voor het jaar 2015 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 108.004. Daarbij is € 405 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23/1092); een aanslag Zvw voor het jaar 2015 naar een bijdrage-inkomen van € 37.783. Daarbij is € 2 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23/1093); een aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 98.969 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.576. Gelijktijdig met de aanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 14.349 en is belastingrente in rekening gebracht van € 4.600 (zaaknummer 23/1095); een aanslag Zvw voor het jaar 2016 naar een maximum bijdrage-inkomen van € 38.214. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 34 (zaaknummer 23/1097); een aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.883 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.570. Gelijktijdig met de aanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 8.709 en belastingrente in rekening gebracht van € 1.484 (zaaknummer 23/1098); een aanslag Zvw 2017 naar een maximum bijdrage-inkomen van € 38.947. Daarbij is € 124 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23/1100). 1.2. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende voor de jaren 2014 en 2015 ongegrond verklaard. Hij heeft daarbij de (navorderings)aanslagen, de boetebeschikking voor 2014 en de belastingrentebeschikkingen gehandhaafd. 1.3. De inspecteur heeft het bezwaar voor het jaar 2016 gegrond verklaard. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning ongewijzigd gelaten en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verlaagd naar € 4.544. De belastingrentebeschikking is verminderd naar € 4.526. De vergrijpboete is in stand gelaten. 1.4. Het bezwaar voor 2017 is ook gegrond verklaard. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is verlaagd naar € 50.939 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is verlaagd naar € 6.909. De vergrijpboete is in zijn geheel vernietigd en de belastingrente is verminderd naar € 830. 1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld. Daarbij is door de griffier in alle zaaknummers griffierecht geheven. De rechtbank stelt vast dat sprake is van samenhang zodat in zaaknummers 23/1091, 23/1093, 23/1097 en 23/1100 het griffierecht door de griffier aan belanghebbende moet worden terugbetaald. 1.6. De rechtbank heeft de beroepen op 14 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en mr. A.F.J.P. Thielemans namens de inspecteur. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de opgelegde (navorderings)aanslagen en de belastingrentebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Verder beoordeelt de rechtbank of de vergrijpboetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. De rechtbank is van oordeel dat de de (navorderings)aanslagen en de belastingrentebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. De boetes moeten wel worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende exploiteert gedurende meer dan 40 jaar een autosloperij. Op 11 juli 2017 is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek de woning en het terrein rondom de woning van belanghebbende doorzocht. Daarbij is een bedrag van € 235.715,69 aan contant geld gevonden en sieraden ter waarde van € 29.175. Bij vonnis van 22 juli 2020 van deze rechtbank is belanghebbende vrijgesproken van witwassen. 3.1. Belanghebbende heeft voor de jaren 2014 tot en met 2017 aangiften IB/PVV ingediend. Naar aanleiding van de aangetroffen contante gelden heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat deze gelden inkomen vormen en daarom moeten worden aangemerkt als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Hij heeft het totaalbedrag van € 235.715 over vier jaren verdeeld en voor alle vier de jaren het inkomen uit werk en woning verhoogd. Voor de jaren 2016 en 2017 is eveneens het inkomen uit sparen en beleggen gecorrigeerd. 3.2. De bezwaren tegen de (navorderings)aanslagen voor de jaren 2014 en 2015 zijn ongegrond verklaard. De bezwaren tegen de aanslagen voor de jaren 2016 en 2017 zijn gegrond verklaard. Voor 2016 is het inkomen uit werk en woning in stand gelaten en is het inkomen uit sparen en beleggen verminderd. De vergrijpboete voor 2016 is daarbij abusievelijk niet verminderd. Zoals de inspecteur terecht heeft gesteld dient dit in beroep te worden gecorrigeerd. Voor het jaar 2017 zijn zowel het inkomen uit werk en woning als het inkomen uit sparen en beleggen verminderd, en is de vergrijpboete in zijn geheel vernietigd. 3.3. De rechtbank heeft dit cijfermatig samengevat in onderstaande tabel. € 2014 2015 2016 2017 Aangegeven belastbaar inkomen box 1 22.177 40.657 31.622 25.209 Correctie ROW (totaal € 235.715) 67.347 67.347 67.347 33.674 Vastgesteld belastbaar inkomen box 1 89.524 108.004 98.969 58.883 Aangegeven vermogen box 3 0 0 0 241.889 Correctie grondslag box 3 0 0 164.402 233.455 Vastgestelde grondslag box 3 0 0 164.402 475.344 Vergrijpboete 12.411 geen 14.349 8.709 Uitspraak op bezwaar ongegrond ongegrond gegrond gegrond Belastbaar inkomen box 1 ongewijzigd 50.939 Vastgestelde grondslag box 3 113.614 201.451 Vergrijpboete ongewijzigd vernietigd Motivering Is de vereiste aangifte gedaan? 4. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan wordt het beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op het bezwaar onjuist zijn (‘omkering en verzwaring van de bewijslast’). 4.1. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte wordt alleen aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. 4.2. Voor wat betreft de vraag of belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan dient eerst de vraag te worden beantwoord of belanghebbende meer inkomsten had dan hij heeft aangegeven. De bewijslast hiervoor rust op de inspecteur. 4.3. Bij een huiszoeking in 2017 is een contant bedrag van afgerond € 235.715 aangetroffen. Volgens belanghebbende komt een deel van dit bedrag hem niet toe omdat het aan anderen toebehoorde. Belanghebbende heeft echter niet bestreden dat een bedrag van € 180.000 in zijn aangifte opgenomen had moeten worden als inkomen uit sparen en beleggen omdat hij dit naar eigen zeggen over de jaren bij elkaar heeft gespaard. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften wist dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven, doordat hij het inkomen niet in zijn aangifte heeft verantwoord. Belanghebbende bestrijdt dit ook niet. Deze gebreken in de aangifte hebben ertoe geleid dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook zijn de bedragen van de belasting die als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vereiste aangifte niet is gedaan. 4.4. Het voorgaande geldt eveneens voor de aanslagen Zvw. Redelijke schatting en de verzwaarde bewijslast 4.5. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende de vereiste aangifte IB/PVV/Zvw niet heeft gedaan, is er sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. In dat geval heeft een rechter te beoordelen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.