RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/244401-22 vonnis van de meervoudige kamer van 30 januari 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] raadsman: mr. M. Broere, advocaat te Roosendaal 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 januari 2024, waarbij de officier van justitie mr. J. Verschuren en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd om een ander van het leven te beroven of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel dat verdachte die ander heeft mishandeld. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de impliciet primair ten laste gelegde poging zware mishandeling bewezen. Verdachte heeft aangeefster twee keer een harde schop gegeven tegen de voorkant van haar lichaam, terwijl aangeefster met haar rug richting een betonnen trap stond. Door de tweede schop van verdachte viel aangeefster achterover van deze trap, waardoor zij letsel opliep aan haar hoofd en pols. Door zo te handelen heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster ernstig letsel zou oplopen. De officier van justitie meent dat niet kan worden bewezen dat de kans aanmerkelijk was dat aangeefster zou komen te overlijden als gevolg van het handelen van verdachte, zodat vrijspraak wordt gevraagd van de poging tot doodslag. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging meent dat het primair ten laste gelegde niet kan worden bewezen. Er wordt niet weersproken dat aangeefster twee keer is geschopt door verdachte en ook niet dat zij van de trap is gevallen. Op basis van het gebrekkige dossier kan echter niet worden vastgesteld dat de aanmerkelijke kans bestond dat aangeefster als gevolg van het handelen van verdachte zou komen te overlijden of dat zij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, laat staan dat verdachte deze kans zou hebben aanvaard. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de bewijsvraag van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht 4.3.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat op 25 september 2022 in een trappenhuis van een parkeergarage in Roosendaal een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen verdachte en aangeefster. Ook staat vast dat verdachte twee keer een krachtige voorwaartse schop heeft gegeven tegen de voorkant van het lichaam van aangeefster. Door de eerste schop viel aangeefster op de grond waarna zij weer opstond. Na de tweede schop van verdachte is aangeefster achteruit naar beneden gevallen van een trap. Door de val van de trap liep aangeefster letsel op aan haar hoofd en pols. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is hoe het handelen van verdachte juridisch gekwalificeerd moet worden. Het primair ten laste gelegde Voor een bewezenverklaring van een poging doodslag moet sprake zijn van (voorwaardelijk) opzet op het veroorzaken van de dood. De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat de aanmerkelijke kans bestond dat aangeefster als gevolg van het handelen van verdachte zou komen te overlijden. De ten laste gelegde poging tot doodslag kan daarom niet worden bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank is verder van oordeel dat op basis van het dossier evenmin kan worden vastgesteld of er een aanmerkelijke kans bestond dat het handelen van verdachte zou hebben kunnen leiden tot zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster. Het einddossier is namelijk te summier daar waar het gaat om relevante details. De grootte van het trappenhuis staat nergens beschreven en onduidelijk is hoe ver aangeefster bij de trap vandaan stond op het moment dat verdachte de voorwaartse schoppen gaf. Ook is onbekend wat de hoogte is van de trap waar aangeefster omlaag is gevallen en of verdachte vanuit zijn positie zicht had op die trap. Gelet op al deze onduidelijkheden kan niet worden vastgesteld dat de kans aanmerkelijk was dat aangeefster als gevolg van het handelen van verdachte van de trap zou vallen en daardoor zwaar lichamelijk letsel zou bekomen en – zou er al sprake zijn van zo’n aanmerkelijk kans – dat verdachte deze willens en wetens heeft aanvaard. Daarmee bestaat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de impliciet primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, zodat verdachte ook daarvan zal worden vrijgesproken. Het subsidiair ten laste gelegde Vast staat dat verdachte opzettelijk twee keer een voorwaartse harde schop heeft gegeven tegen het lichaam van aangeefster. De eerste schop was in haar buikstreek en de tweede schop was ter hoogte van haar borstbeen. Aangeefster heeft daarvan pijn ondervonden. De rechtbank komt hiermee tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling, zoals hierna onder 4.4 wordt weergegeven. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte subsidiair op 25 september 2022 te Roosendaal [aangeefster] heeft mishandeld door die [aangeefster] schoppen tegen het lichaam te geven. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek van voorarrest. Verder wordt om opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis verzocht, omdat verdachte de aan deze schorsing verbonden voorwaarden - namelijk het meewerken aan het toezicht van de reclassering - niet heeft nageleefd. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt de rechtbank om aan verdachte geen langere gevangenisstraf dan de duur van het voorarrest (4 dagen) op te leggen, eventueel aan te vullen met oplegging van een taakstraf. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Na een uitgaansavond in Roosendaal ontstond een woordenwisseling tussen twee groepen personen wat uitmondde in een confrontatie tussen verdachte en het slachtoffer. Verdachte is een forse man van ruim honderd kilo en heeft het slachtoffer, een 50-jarige vrouw, twee harde schoppen gegeven tegen haar lichaam. Hij heeft haar in haar buik geschopt en tegen haar borstbeen. Het spreekt voor zich dat verdachte pijn heeft veroorzaakt bij het slachtoffer. Uit haar slachtofferverklaring komt naar voren dat zij ook psychische klachten ondervindt sinds het voorval. Zij schrijft last te hebben van paniekaanvallen en continue angstgevoelens, waarvoor zij thuis ambulante behandeling krijgt. Ook heeft dit soort uitgaansgeweld een enorme invloed op de samenleving. Het gevoel van onveiligheid en intolerantie neemt hierdoor steeds grotere vormen aan. Uitgaansgeweld heeft in de afgelopen jaren al veel dodelijke slachtoffers veroorzaakt. Verdachte mag zich gelukkig prijzen dat in dit geval het daadwerkelijke lichamelijke letsel van het slachtoffer betrekkelijk beperkt is gebleven, maar dat had ook anders kunnen aflopen. De rechtbank neemt bij de strafbepaling de landelijke oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt. In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat uit het dossier naar voren komt dat ook het slachtoffer zich tijdens het conflict niet onbetuigd heeft gelaten. Zij was degene die de confrontatie bleef zoeken, nádat verdachte zich reeds weg leek te bewegen van de situatie. Dit neemt echter niet weg dat verdachte zeer disproportioneel heeft gereageerd door grof geweld te gebruiken tegen een 50-jarige vrouw. De rechtbank neemt bij de strafbepaling verder in aanmerking dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat sprake is van recidive. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij al eerder op 11 augustus 2022 door het Gerechtshof Den Haag is veroordeeld voor mishandeling. Aan verdachte is toen een deels voorwaardelijke taakstraf opgelegd die nog door hem moet worden uitgevoerd. Verdachte heeft naar eigen zeggen meerdere keren contact gehad met de reclassering in verband met openstaande taakstrafuren. Het schorsingstoezicht in deze zaak is echter niet van de grond gekomen sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis op 28 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.