RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02/128748-23 vonnis van de meervoudige kamer van 10 juli 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] , raadsvrouw mr. S. van Minderhout, advocaat te Breda. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 juni 2024, waarbij de officier van justitie mr. D. Colak en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door hem meermalen met kracht te schoppen en te slaan, en te steken. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit samen en in vereniging met [medeverdachte] heeft begaan en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit, nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte en/of [medeverdachte] [slachtoffer] hebben gestoken. De overige geweldshandelingen, het slaan en het schoppen, en het geconstateerde letsel zijn niet voldoende om vast te stellen dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, nu er hierdoor geen aanmerkelijk kans op deze gevolgen in het leven is geroepen. Daarnaast bevat het dossier onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht 4.3.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs Feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast. Op 20 mei 2023 rond 03:30 uur heeft in [plaats] een geweldsincident plaatsgevonden waarbij [verdachte] , [medeverdachte] en [slachtoffer] betrokken zijn geweest. [slachtoffer] gaat in de nacht langs bij de woning aan [adres] waar hij verwacht [verdachte] te treffen. [verdachte] ziet via een applicatie op zijn telefoon dat [slachtoffer] voor de woning staat en besluit er naar toe te gaan. Hij heeft op dat moment een groot mes bij zich. Ook [medeverdachte] besluit naar de woning te gaan. Hij komt vervolgens als eerste bij de woning aan en geeft [slachtoffer] een klap waarna deze weg rent in de richting van de [straat 1] . [medeverdachte] rent achter hem aan en treft hem ter hoogte van [huisnummer] . Daar slaat hij met gebalde vuisten tegen het hoofd van [slachtoffer] . Tijdens dat achterhalen en slaan van [slachtoffer] zegt [medeverdachte] onder andere: “Waar ben jij? Ik ben bij hem, ik heb hem hier. Bij eh [straat 2] . Ja, daar achter.” Kort daarna komt [verdachte] aanrennen vanuit de [straat 3] met nog steeds een mes in zijn hand en voegt zich bij [medeverdachte] en [slachtoffer] , waarna zij beiden op [slachtoffer] inslaan en schoppen. Nadat [medeverdachte] [slachtoffer] schopt valt [slachtoffer] vervolgens op de grond. [verdachte] schopt en slaat [slachtoffer] vervolgens meermaals terwijl hij op de grond ligt en roept hierbij: ‘vieze vuile flikker, kom nog een keer aan de deur, kom nog één keer, kom nog één keer aan de deur, kom nog één keer aan de deur, ik maak je dood’. [medeverdachte] loopt vervolgens weg. [verdachte] blijft en roept naar [slachtoffer] , waarna [slachtoffer] roept: ‘kom met die mes’. [verdachte] roept vervolgens onder meer: ‘kankermongool, ik zweer het ik steek je dood’ en ‘(..) opkankeren, volgende keer ga je dood’. Hierna loopt ook [verdachte] weg in de richting waarin [medeverdachte] al was weggelopen. Kort daarna staat [slachtoffer] op en loopt weg de andere kant uit. [slachtoffer] wordt ruim twee uur later met een met bloed doordrenkte broek aangetroffen aan de [straat 4] in [plaats] . Er loopt een spoor van voetstappen met bloed in de richting van de [straat 1] . Dat bloedspoor stopt ter hoogte van het pand [straat 1] [huisnummer] waar een grote plas bloed voor de deur ligt. [slachtoffer] is naar het ziekenhuis vervoerd waar wordt vastgesteld dat [slachtoffer] twee verwondingen aan het rechteronderbeen aan de kuitzijde heeft, meerdere niet gespecifieerde kneuzingen en een gebroken neus. Is er gestoken met een mes en zo ja, waar en wanneer en door wie? De eerste vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet is of, en zo ja, waar en wanneer en door wie er is gestoken met een mes. In de geneeskundige verklaring van [chirurg] van 23 juni 2023 staat “steekwonden kuit”. In de forensische letselbeschrijving van 16 februari 2024 staat dat het behandelend [chirurg] opviel dat de twee verwondingen aan het rechter onderbeen van [slachtoffer] aan de ene kant breder waren dan aan de andere kant. Dit kan volgens de behandelend chirurg goed passen bij steekwonden. Dat wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door het vele bloedverlies van [slachtoffer] dat blijkt uit zijn met bloed doordrenkte broek en het bloedspoor vanaf de plaats waar [slachtoffer] rond 05:45 uur werd aangetroffen. Dat spoor liep terug naar een grote plas bloed voor het pand [straat 1] [huisnummer] , waar [verdachte] en [medeverdachte] samen geweld tegen [slachtoffer] hebben gebruikt. Dat is ook de plaats waar [verdachte] met een groot mes naar toe kwam gerend. [verdachte] heeft ook op zitting verklaard dat hij het (rechtbank: grote) mes nog steeds vast had toen hij vanuit de [straat 3] naar [medeverdachte] en [slachtoffer] toerende, maar hij zou het net voor de plek van het geweld hebben weggegooid. Dit laatste acht de rechtbank ongeloofwaardig. Nadat [medeverdachte] al was weggelopen, is op de camerabeelden namelijk te horen dat [slachtoffer] naar [verdachte] roept ‘kom met die mes’ en dat [verdachte] terugroept: ‘kankermongool, ik zweer het ik steek je dood’. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [verdachte] op dat moment het mes nog steeds vast had. Gelet op wat hiervoor is vastgesteld en overwogen, is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] door [verdachte] met een (groot) mes is gestoken tijdens het treffen ter hoogte van de [straat 1] [huisnummer] rond 03:30 uur. Het door de verdediging opgeworpen alternatieve scenario dat het ook [medeverdachte] zou kunnen zijn die heeft gestoken wordt door het vorenstaande weerlegd. Tussenconclusie Op basis van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat zowel [medeverdachte] als [verdachte] op 20 mei 2023 in [plaats] [slachtoffer] hebben geslagen en geschopt en dat [verdachte] hem in het been heeft gestoken, door welke gedragingen [slachtoffer] letsel heeft opgelopen. Poging doodslag of poging zware mishandeling? De volgende vraag die door de rechtbank moet worden beantwoord, is of voornoemde gedragingen als een poging tot doodslag kunnen worden aangemerkt. Daarvoor is opzet op de dood van [slachtoffer] vereist, al dan niet in voorwaardelijke zin. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat sprake is van vol opzet op de dood. [verdachte] en [medeverdachte] hebben dit niet verklaard en het volgt ook niet uit de bewijsmiddelen. Voor voorwaardelijk opzet geldt dat [verdachte] en/of [medeverdachte] met hun handelen in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans moeten hebben aanvaard op de dood van [slachtoffer] . Het zwaartepunt ligt in dit geval bij het steken van die [slachtoffer] , nu enkel het met kracht slaan en schoppen zonder nadere informatie naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval géén poging tot doodslag oplevert. Van belang is verder op te merken dat niet elke steekverwonding een aanmerkelijke kans op overlijden oplevert. In dit geval is het letsel in ieder geval toegebracht op een plaats waar zich niet direct vitale organen in het lichaam bevinden en uit het dossier volgt ook niet dat [slachtoffer] in levensgevaar is geweest. Uit de medische informatie blijkt weliswaar dat er in het ziekenhuis complicaties zijn opgetreden (ischemische colitis), maar de oorzaak hiervan is niet te achterhalen. Ook wordt direct geconcludeerd dat een volledig herstel van [slachtoffer] waarschijnlijk is. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de aanmerkelijke kans op de dood niet is vast te stellen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Wel acht de rechtbank de gedragingen te kwalificeren als een poging tot zware mishandeling. Door [slachtoffer] te slaan en schoppen, terwijl hij al op de grond lag, én te steken in het been is bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht geweest op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel dat uit deze gedragingen zelf kan worden afgeleid dat het intreden van dit ontstane risico bewust is aanvaard. Medeplegen Voor een bewezenverklaring van medeplegen moet vast komen te staan dat bij het begaan van het strafbare feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat sprake is van medeplegen kan niet in algemene zin worden beantwoord, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat er bij de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] . [verdachte] had een conflict met [slachtoffer] en [verdachte] en [medeverdachte] zijn hem beiden gaan opzoeken, toen [verdachte] zag dat [slachtoffer] bij zijn vriendin aan de deur stond. Uit de vastgestelde feiten blijkt ook dat zij eenmaal ter plaatse gezamenlijk op zoek waren naar [slachtoffer] . Het is immers [medeverdachte] die [slachtoffer] als eerste vindt en [verdachte] naar de plek praat, waar zij samen geweld tegen [slachtoffer] gebruiken. De rechtbank is verder van oordeel dat het niet anders kan dan dat [medeverdachte] het grote mes van [verdachte] heeft gezien toen die naar hem en [slachtoffer] toe kwam rennen. [medeverdachte] heeft daarmee in ieder geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit mes ook daadwerkelijk zou worden gebruikt. Dat wordt versterkt doordat hij op enig moment is weggelopen en [slachtoffer] als het ware heeft overgeleverd aan [verdachte] met zijn mes zonder zich verder om het lot van [slachtoffer] te bekommeren. Dat [medeverdachte] zelf niet met het mes heeft gestoken, maakt niet dat voor het steken geen sprake kan zijn van medeplegen. Hij heeft namelijk voor het overige wel een essentiële bijdrage geleverd, zoals hiervoor toegelicht. De rechtbank komt op grond hiervan tot een bewezenverklaring (voor zowel [medeverdachte] als [verdachte] ) van het medeplegen van een poging tot zware mishandeling. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte Subsidiair op 20 mei 2023 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen met kracht heeft geschopt en geslagen en in het been heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering in haar rapport zijn geadviseerd. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat volstaan kan worden met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest, met daaraan gekoppeld eventueel nog een voorwaardelijk deel met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het contactverbod met aangever. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte en zijn mededader hebben zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling, waarbij het slachtoffer is geschopt, geslagen en met een mes gestoken. Dit geweld heeft er uiteindelijk toe geleid dat het slachtoffer een steekwond in zijn onderbeen, meerdere kneuzingen en een gebroken neus heeft opgelopen. Het betreft een ernstig feit, dat ook psychische gevolgen voor het slachtoffer heeft gehad. In zijn schriftelijke slachtofferverklaring schrijft hij dat hij er nog steeds moeite mee heeft om het feit een plek te kunnen geven en tot op heden nog hinder ondervindt van wat hem is aangedaan. Verdachte heeft met zijn gedragingen niet alleen het gevoel van veiligheid van het slachtoffer aangetast en hem angst bezorgd, maar ook voor onrust en gevoelens van onveiligheid gezorgd bij bijvoorbeeld de bewoners van de [straat 1] [huisnummer] , degene die het slachtoffer later die ochtend gevonden heeft en bij anderen die van het incident gehoord hebben of er over gelezen hebben. Als reden voor dit incident is aangevoerd dat er een conflict speelde tussen [verdachte] en het slachtoffer. Verdachte heeft daarbij op zitting verklaard nog steeds lastig gevallen te worden door het slachtoffer. Er zou in dat verband zelfs een stopgesprek gevoerd zijn. De rechtbank overweegt hierover dat, hoe vervelend een dergelijke situatie ook is en óók al is het slachtoffer zelf naar verdachte toegegaan, dit nooit enige rechtvaardiging kan bieden voor het gebruik van geweld in het algemeen, laat staan voor de manier waarop dat hier heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft acht geslagen op de rapportages van de reclassering, waaronder het voortgangsverslag toezicht van 6 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.