RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/5426 WABOA uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juli 2024 in de zaak tussen [verzoekers] , uit [plaats 2] , verzoekers (gemachtigde: [naam] ), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena. Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [B.V.], vergunninghoudster. Inleiding Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 10 juni 2024 waarbij het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning heeft verleend voor het plaatsen van 7 tiny houses nabij [adres] in [plaats 2] . Zij hebben daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
- Bij besluit van 26 januari 2024 (primair besluit) heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van 7 tiny houses nabij [adres] te [plaats 2] . Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 5 april 2024 heeft de voorzieningenrechter de omgevingsvergunning geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Bij besluit van 10 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het college een beslissing op bezwaar genomen. Het college heeft de omgevingsvergunning van 26 januari 2024 herroepen en een nieuw besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning genomen. Het college heeft bij besluit van 10 juni 2024 opnieuw een omgevingsvergunning voor het plaatsen van 7 tiny houses nabij [adres] te [plaats 2] verleend.
- Verzoekers hebben op 4 juli 2024 beroep ingesteld tegen het besluit van 10 juni 2024 en gelijktijdig een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank. Vergunninghoudster heeft aangegeven de tiny houses te willen plaatsen zodra de schorsing die volgt uit de uitspraak van 5 april 2024 is afgelopen. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit op 22 juli 2024 is. De voorzieningenrechter is – mede door de door het college en vergunninghoudster doorgegeven verhinderdata – , die het houden van een zitting op korte termijn mét deelname van deze beide partijen niet mogelijk maken, op deze korte termijn niet in staat om een weloverwogen oordeel te geven over het verzoek om een voorlopige voorziening. Gelet daarop zal de voorzieningenrechter de werking van het bestreden besluit bij ordemaatregel schorsen tot uiterlijk twee weken na de zitting waarop het verzoek zal worden behandeld. Dat betekent dat vergunninghoudster tot die tijd geen gebruik mag maken van de verleende omgevingsvergunning en geen tiny house(s) op het perceel nabij [adres] te [plaats 2] mag plaatsen. Het verzoek zal zo spoedig als mogelijk op zitting worden behandeld. Deze ordemaatregel heeft een voorlopig karakter en de voorzieningenrechter is daar in de verdere procedure niet aan gebonden. Beslissing De voorzieningenrechter schorst de werking van het besluit van 10 juni 2024 tot uiterlijk twee weken na de zitting waarop het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden behandeld. Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier op 11 juli 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. ECLI:NL:RBZWB:2024:2345.