RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: BRE 23/9617 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2024 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats 1] , eisers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland, (gemachtigde: [naam 1] ). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats 2] , vergunninghouder, (gemachtigde: mr. M.A. de Boer). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de niet-ontvankelijkverklaring van een op 17 juli 2023 ingediende bezwaarschrift. Eisers hebben in het bezwaarschrift bezwaar gemaakt tegen de aanvraag door vergunninghouder van een omgevingsvergunning van 14 juli 2023 voor het legaliseren van een bestaande kachelpijp en een dakkapel op het [perceel 1] te [plaats 2] (perceel). Het college heeft bij besluit van 4 augustus 2023 (bestreden besluit) het bezwaarschrift van eisers niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.1. De rechtbank heeft dit beroep op 22 april 2024 – tegelijk met het beroep in procedure BRE 23/8932 – op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers deelgenomen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door waarnemend gemachtigde mr. L. Koster-Braad, vergezeld door [naam 2] . Vergunninghouder heeft eveneens aan de mondelinge behandeling deelgenomen, bijgestaan door zijn gemachtigde. 1.2. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of het college op goede gronden het bezwaarschrift van eisers niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eisers. 3. Naar het oordeel van de rechtbank dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eisers zijn eigenaren van de percelen [perceel 2] en [perceel 3] te [plaats 2] . Vergunninghouder heeft op 14 juli 2023 bij het college een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van een bestaande kachelpijp en een 31 jaar oude dakkapel. Het college heeft deze aanvraag op 17 juli 2023 gepubliceerd. Eisers hebben naar aanleiding van deze publicatie bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit heeft het college – overeenkomstig het advies van de commissie bezwaarschriften – het bezwaarschrift van eisers niet-ontvankelijk verklaard. Overigens heeft het college daarna op 10 oktober 2023 de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Eisers hebben hiertegen geen bezwaar ingediend. 5. Als een bestuursorgaan – zoals het college – een besluit neemt en een belanghebbende is het niet eens met dat besluit, dan bestaat de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen dat besluit. Dat is bepaald in artikel 6:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat kan echter pas als het besluit ook daadwerkelijk genomen is. Onder de publicatie van de aanvraag door vergunninghouder is daarom expliciet aangegeven “Tegen deze aanvraag kunt u nu nog geen bezwaar indienen”. Eisers hebben toch op 17 juli 2023 bezwaar gemaakt tegen de ingediende aanvraag. Dat betekent dat het bezwaarschrift te vroeg is ingediend. Onder omstandigheden kan een dergelijk bezwaarschrift toch ontvankelijk zijn, mits aan de in artikel 6:10, sub a of b, van de Awb gestelde voorwaarden is voldaan. Daarvoor is vereist dat op het moment van het maken van het bezwaar
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.