RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/5423 uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juli 2024 in de zaak tussen [verzoeker], uit [plaats], verzoeker en Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland (gemachtigde: mr. L.P. Koster-Braad). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [de vergunninghouder] uit [plaats] (de vergunninghouder) (gemachtigde: [naam]). Inleiding
- In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om de omgevingsvergunning die het college aan zijn buurman heeft verleend voor het gebruiken van een bijgebouw als Bed en Breakfast te schorsen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.
- Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. 1.
- Het college heeft de omgevingsvergunning op 15 mei 2024 verleend. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Daarbij kan de onomkeerbaarheid een belangrijke rol spelen. In dit geval gaat het om het gebruik van een bijgebouw in strijd met het bestemmingsplan of het omgevingsplan. Dit gebruik kan, indien de vergunning herroepen wordt, gemakkelijk worden beëindigd. Onomkeerbaarheid leidt dus niet tot een spoedeisend belang. Het gebruik vindt al drie jaar zonder vergunning plaats. Verzoeker geeft aan dat hij hier hinder van ondervindt. Ondanks een verzoek om de spoedeisendheid te onderbouwen, blijft onduidelijk waaruit die hinder bestaat. Verzoeker heeft niet aangegeven en onderbouwd dat de hinder, voor zover daar sprake van is, dusdanig is dat niet van hem verwacht kan worden dat hij deze hinder accepteert totdat op zijn bezwaarschrift is beslist. Bovendien leidt het schorsen van de vergunning er niet automatisch toe dat het gebruik als Bed en Breakfast wordt beëindigd en de hinder stopt. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Conclusie en gevolgen
- Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Wesel, griffier, op 17 juli 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.