← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2024:5015

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Middelburg Zaaknummer: 10842718 \ CV EXPL 23-3346 Vonnis van 17 juli 2024 in de zaak van [eiser], handelend onder de naam [handelsnaam 1], wonende te [plaats 1], eiser, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: [gemachtigde], tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam 2], wonende te [plaats 2], gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde], procederend in persoon. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 10 januari 2024; - de mondelinge behandeling van 2 april 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.
  2. [gedaagde] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen of vertegenwoordigd. 1.
  3. Ten slotte heeft de kantonrechter vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  4. [eiser] heeft in de periode oktober 2021 t/m juni 2022 in opdracht van [gedaagde] verschillende werkzaamheden verricht en materialen geleverd. Hij heeft daarvoor aan [gedaagde] vijf facturen gestuurd die in totaal € 20.487,63 bedragen. 2.
  5. Op 1 september 2022 heeft de accountant van [eiser], [accountant], een betalingsherinnering gestuurd aan [gedaagde]. Op 19 september 2022, 29 september 2022 en 11 oktober 2022 heeft [gerechtsdeurwaarder] nogmaals verzocht om betaling. 2.
  6. Op 24/25 oktober 2022 is tussen partijen een betalingsregeling tot stand gekomen. Partijen hebben afgesproken dat de factuur van € 14.516,28 wordt betaald vanuit een bouwdepot en dat de rest wordt afgelost met € 500,00 per maand. [gedaagde] heeft € 4.000,00 afgelost en uit het bouwdepot € 14.516,12 betaald. 3Het geschil en de beoordeling 3.
  7. [eiser] vordert in de dagvaarding de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 20.598,97, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 20.487,63 vanaf 1 december 2023, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Ter zitting heeft [eiser] erkend dat van de gevorderde hoofdsom, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente berekend tot 1 december 2023 na betaling van - in totaal - € 18.516,12, nog € 6.082,85 resteert. [eiser] heeft zijn vordering tot dat bedrag verminderd. 3.
  8. Tegen deze vordering heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd. De kantonrechter zal hem daarom veroordelen tot betaling van dit bedrag van € 6.082,
  9. Ook wijst de kantonrechter de gevorderde wettelijke handelsrente toe vanaf 1 december 2023, nu [eiser] daartoe voldoende heeft aangevoerd en [gedaagde] niet heeft betwist dat hij deze rente is verschuldigd. Proceskosten 3.
  10. Omdat [gedaagde] de overwegend in het ongelijk gestelde partij is, wordt hij veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). 3.
  11. [eiser] heeft € 693,00 aan griffierecht betaald. Dat bedrag is gebaseerd op de hoogte van de vordering zoals deze in de dagvaarding is vermeld, zijnde een bedrag van € 20.598,
  12. In deze zaak bleek dat [gedaagde] al voordat hij werd gedagvaard € 15.571,95 had afgelost. Daarmee bedroeg de vordering ten tijde van de dagvaarding niet € 20.598,97 maar € 9.027,02 (€ 24.598,97‬ aan hoofdsom, rente en incassokosten - € 15.571,95 aan aflossingen vòòr 4 december 2023) te vermeerderen met de op dat moment verschenen rente. Op basis daarvan zou een bedrag van € 244,00 aan griffierecht zijn geheven. De kantonrechter zal het verschil van € 449,00 aan meer geheven griffierecht op grond van artikel 237, eerste lid, laatste volzin, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor rekening van [eiser] laten, aangezien deze kosten nodeloos zijn gemaakt. Dat leidt ertoe dat de proceskosten van [eiser] worden begroot op: - dagvaarding € 110,03 - griffierecht € 244,00 - salaris gemachtigde € 678,00 (2 punten x € 339,00 per punt) - nakosten € 169,50 totaal € 1.201,53 4De beslissing De kantonrechter 4.
  13. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 6.082,85, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de afzonderlijke, nog openstaande, factuurbedragen, vanaf 1 december 2023 tot aan de dag van algehele betaling; 4.
  14. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 1.201,53, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 4.
  15. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 4.
  16. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2024.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.