RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Middelburg Zaaknummer: 10068308 CV EXPL 22-2168 Vonnis van 24 juli 2024 in de zaak van [eiser] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: ing. [gemachtigde] van [bedrijf] B.V. te [plaats 2] tegen ZWN DAKTECHNIEK B.V., te Tholen, gedaagde partij, hierna te noemen: ZWN, gemachtigde: mr. E.P.M.J. Prop, advocaat te Bergen op Zoom. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 6 december 2023; - de op 31 januari 2024 genomen akte van ZWN;- het proces-verbaal van het op 27 februari 2024 gehouden getuigenverhoor. 1.2. Op laatstgenoemde zitting is vonnis bepaald op heden. 2De nadere beoordeling 2.1. De kantonrechter volhardt bij de inhoud van het op 6 december 2023 gewezen vonnis. Bij dat vonnis is ZWN toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands bewezen geachte feit dat ZWN [eiser] , voorafgaand aan de totstandkoming van de aannemingsovereenkomst op 9 december 2021, zonder enig voorbehoud heeft medegedeeld dat de dakkapellen vergunningvrij konden worden geplaatst en dat zij hem niet uitdrukkelijk heeft geadviseerd daaromtrent navraag te (laten) doen bij de gemeente. 2.2 Ter voldoening aan voormelde bewijsopdracht heeft ZWN [getuige] als getuige doen horen. [getuige] is de partner van [naam 1] , de bestuurder van ZWN.2.3 [getuige] heeft verklaard dat hij als adviseur werkzaam is binnen het bedrijf van ZWN, dat hij naar aanleiding van een offerteaanvraag bij [eiser] thuis is geweest om daar de situatie in ogenschouw te nemen en om de gewenste dakkapel in te meten, dat hij met [eiser] heeft besproken hoe deze het werk uitgevoerd wenste te zien en dat hij later, samen met enkele collega’s de plaatsingswerkzaamheden heeft verricht. [getuige] heeft verklaard dat hij bij zijn eerste bezoek aan de familie [eiser] eerst met de heer [eiser] naar de eerste en tweede verdieping van de woning is gegaan om de situatie te bekijken en dat hij daarna met de heer [eiser] naar beneden is gegaan om daar, in aanwezigheid van mevrouw [naam 2] , de wensen ten aanzien van de te gebruiken materialen en indeling van de ramen te bespreken. Ook heeft [getuige] verklaard dat hij altijd tegen klanten zegt dat er per gemeente grote verschillen zijn wat betreft de vraag of voor een bepaalde werkzaamheid wel of geen vergunning noodzakelijk is en dat hij altijd adviseert om contact op te nemen met de gemeente, bijvoorbeeld door te bellen, door een vooroverleg aan te vragen of door een website te bezoeken waar je, na het invullen van je postcode, vrij snel kunt zien of iets vergunningplichtig is. [getuige] heeft voorts verklaard dat de heer [eiser] hem, toen zij boven waren, heeft gevraagd of er voor de plaatsing van een dakkapel een vergunning nodig was, dat hij toen heeft geantwoord dat dat per gemeente anders kan zijn en dat hij de heer [eiser] erop heeft gewezen dat het van belang zou kunnen zijn wat de buren ervan zouden vinden omdat met het aanbrengen van deze extra dakkapel sprake zou kunnen zijn van inkijk in de achtertuin van de buren. 2.4 In contra-enquête heeft [eiser] als getuige verklaard dat het juist is dat hij, toen [getuige] voor het eerst de woning bezocht, samen met [getuige] naar boven is gegaan om hem te tonen waar welke werkzaamheden moesten worden uitgevoerd en dat ook juist is dat zij daarna naar beneden zijn gegaan en het gesprek hebben voortgezet in aanwezigheid van zijn echtgenote. De wensen ten aanzien van materiaalkeuze en indeling van de ramen zijn daar toen ter sprake gekomen. [eiser] heeft verklaard dat hij [getuige] boven heeft gevraagd of de plaatsing van dakkapellen vergunningsvrij mocht en dat [getuige] hem toen heeft gezegd dat dit vergunningsvrij mocht omdat het om een zijvlak van de woning ging, er geen zicht was op openbaar groen of op de openbare weg en dat het dan altijd vergunningvrij mocht worden uitgevoerd, zolang maar een afstand 50 cm van de nok en 50 cm van de zijkant van het dak zou worden gebleven. [eiser] heeft tot slot verklaard dat [getuige] hem niet heeft gezegd dat hij bij de gemeente moest informeren of het werk wel of niet vergunningvrij mocht worden uitgevoerd omdat dit per gemeente zou verschillen. 2.5 Zoals onder 2.1 vermeld is aan ZWN tegenbewijs opgedragen. Tegenbewijs houdt in het bewijzen van feiten of omstandigheden die het voorshands bewezen geachte feit toch onaannemelijk maken of uitsluiten. 2.6 De kantonrechter is van oordeel dat ZWN niet is geslaagd in het leveren van dat tegenbewijs. Daartoe overweegt hij het navolgende. 2.7 Vaak kan niet onomstotelijk worden vastgesteld of een te bewijzen opgedragen feit zich wel of niet heeft voorgedaan. In het civiele recht is dat ook niet vereist; een redelijke mate van zekerheid volstaat. Als algemene regel kan worden aangenomen dat een feit voor de civiele rechter is bewezen wanneer uit de beschikbare bewijsmiddelen redelijkerwijs kan worden afgeleid dat het feit zich heeft voorgedaan, en uit die bewijsmiddelen níet even goed kan worden afgeleid dat hetgeen de wederpartij met betrekking tot dat feit stelt, zich heeft voorgedaan, terwijl zich evenmin de situatie voordoet dat bewijsmateriaal ontbreekt dat redelijkerwijs verwacht mocht worden. Het bewijsoordeel komt dan tot stand door al het bewijsmateriaal te betrekken in de beantwoording van de vraag of het opgedragen bewijs is geleverd. 2.8 In veel gevallen zal bij die beoordeling het getuigenbewijs centraal staan. De mate van geloofwaardigheid van een getuigenverklaring moet dan worden gezocht in de inhoud van de verklaring zelf, in combinatie met andere bewijsmiddelen (of juist het ontbreken daarvan). In het algemeen geldt dat een getuigenverklaring als minder geloofwaardig moet worden beschouwd als (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.