RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/423429 / FA RK 24-2700 Datum uitspraak: 19 juli 2024 beschikking betreffende voorlopige voorzieningen in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. I. Lamou te Breda, en [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. S. van Reeven-Özer te Waalwijk. 1. Het procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 12 juni 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het op 5 juli 2024 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken met bijlagen. 1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 11 juli 2024. Bij die gelegenheid zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld van een tolk; de man, bijgestaan door zijn advocaat; een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda (hierna: de Raad). 2Het verzoek 2.1. De vrouw verzoekt, samengevat: 1. primair: toevertrouwing van de minderjarige aan haar; subsidiair: vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken; 2. het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door haar; 3. vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige van € 250,= per maand; 4. vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar van € 400,= bruto per maand. 2.2. De man verzoekt zelfstandig, samengevat: I. toevertrouwing van de minderjarige aan hem; II. vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken; III. het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door hem. 3De beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht 3.1. Vanwege de nationaliteit van partijen (de Poolse nationaliteit) heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft die ambtshalve beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat haar rechtsmacht toekomt en dat zij naar Nederlands recht dient te beslissen op de verzoeken. Inhoudelijke beoordeling van de verzoeken Uitsluitend gebruik van de woning en toevertrouwing van de minderjarige 3.2. Ter onderbouwing van haar verzoek tot het uitsluitend gebruik van de woning stelt de vrouw dat voor haar vertrek uit de woning een escalatie tussen partijen heeft plaatsgevonden, waarbij Veilig Thuis en de politie betrokken zijn geweest. De vrouw heeft dus vanwege spanningen de woning verlaten. Zij verblijft op dit moment bij een vriendin, maar heeft niet de mogelijkheid daar langdurig te verblijven. Ze kan bovendien nergens anders heen. De man en [de minderjarige] verblijven in de echtelijke woning (met de [meerderjarige] ). De vrouw acht het in het belang van [de minderjarige] dat hij in zijn vertrouwde leefomgeving kan wonen met de ouder die de zorg over hem draagt. De vrouw verzoekt daarom ook primair te bepalen dat [de minderjarige] aan haar wordt toevertrouwd. De vrouw heeft gedurende het huwelijk altijd de zorg voor hem gehad en wenst dit ook na het huwelijk voort te zetten. Zij hebben nu telefonisch contact met elkaar. De vrouw merkt dat de man zich negatief uitlaat over de vrouw richting [de minderjarige] en hij probeert daardoor afstand te creëren. 3.3. De man voert hiertegen verweer en verzoekt zelfstandig ook het uitsluitend gebruik van de woning en toevertrouwing van [de minderjarige] aan hem. Daartoe voert de man aan dat de vrouw een scene heeft opgezet om de man uit de woning te kunnen krijgen. De woning is bovendien vlakbij de onderneming van de man en de school van [de minderjarige] , waardoor de ontstane rust wordt verstoord als hij uit de woning moet. De man heeft echter geen alternatieve woonruimte. De vrouw heeft wel een alternatief, omdat zij bij een kennis verblijft. Tot slot is de man voornemens de echtelijke woning over te nemen. De vrouw is daartoe financieel gezien niet toe in staat. De man acht het niet wenselijk dat partijen samen in de woning verblijven. Inmiddels is een zeer rustige thuissituatie ontstaan in de echtelijke woning met de man, [de minderjarige] en [meerderjarige] . De vrouw heeft laten weten dat zij terug naar Polen wil verhuizen en dat [de minderjarige] mee zou gaan. De vrouw zet [de minderjarige] onder druk. De man ontkent tot slot dat de vrouw degene is geweest die tijdens het huwelijk alleen de zorg voor [de minderjarige] heeft gehad. De vrouw heeft tot voor kort ook gewerkt. De man heeft, sinds het vertrek van de vrouw uit de woning, het contact tussen de vrouw en [de minderjarige] op geen enkele wijze beperkt. Er was gedurende het huwelijk veel sprake van ruzie tussen de vrouw en [de minderjarige] , zodat de man het niet in het belang van [de minderjarige] acht dat hij bij de vrouw zal wonen. 3.4. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van de overgelegde stukken en dat wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is de rechtbank gebleken dat het niet wenselijk is als partijen uitvoering gaan geven aan een zogenaamde birdnesting regeling. Daarmee komt de rechtbank toe aan een oordeel over de over en weer gedane verzoeken tot het uitsluitend gebruik van de woning en toevertrouwing van [de minderjarige] . 3.5. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat zij het in het belang van [de minderjarige] en ook [meerderjarige] acht dat zij in de echtelijke woning kunnen blijven wonen, zodat zij – in ieder geval voorlopig – in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven. Dat betekent dat de verzoeken tot toevertrouwing van [de minderjarige] en het uitsluitend gebruik van de woning onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, doordat degene aan wie [de minderjarige] wordt toevertrouwd, degene is die in de woning zal blijven. 3.6. De rechtbank overweegt verder dat beide partijen hebben aangegeven dat zij nergens anders kunnen verblijven, zodat daarin geen aanknopingspunt kan worden gevonden. Beide partijen hebben dan ook belang bij het uitsluitend gebruik van de woning. Zoals gezegd is duidelijk geworden dat een andere constructie, bijvoorbeeld een constructie waarbij partijen door middel van birdnesting in de woning verblijven en alsdan voor de kinderen zorgen, niet wenselijk is gebleken. In de belangenafweging betrekt de rechtbank verder dat de man op dit moment met de kinderen in de echtelijke woning verblijft. Volgens de man is de thuissituatie rustig, wat door de vrouw ook niet is betwist. De man heeft daarbij onbetwist gesteld dat hij een eigen bedrijf heeft en daaruit inkomen genereert, terwijl de vrouw op dit moment geen baan heeft. De man is daarmee de kostwinnaar en verantwoordelijk voor de huisvesting van twee kinderen. De rechtbank kan niet inschatten wat het voor de kinderen betekent als de huidige, op zich stabiele situatie wordt veranderd. De rechtbank acht de situatie van de vrouw invoelbaar, maar is van mening dat het belang van [de minderjarige] dient te prevaleren. Hij heeft belang bij een rustige thuissituatie. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank het in het belang van [de minderjarige] dat hij voorlopig aan de man wordt toevertrouwd. Gelet op de samenhang van beide verzoeken, zoals hiervoor overwogen, zal ook het verzoek van de man met betrekking tot het uitsluitend gebruik van de woning worden toegewezen. De rechtbank wijst het primaire verzoek van de vrouw tot toevertrouwing van [de minderjarige] aan haar daarom af, net als haar verzoek tot het uitsluitend gebruik van de woning. Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken 3.7. Nu het primaire verzoek van de vrouw wordt afgewezen, komt de rechtbank toe aan haar subsidiaire verzoek. De man heeft daarnaast zelfstandig ook een zorgregeling verzocht. 3.8. De vrouw verzoekt subsidiair een voorlopige zorgregeling te bepalen waarbij [de minderjarige] de helft van de tijd bij haar zal verblijven, dan wel een zorgregeling te bepalen die de rechtbank in het belang van [de minderjarige] acht. De vrouw appt of belt [de minderjarige] op dit moment dagelijks en zij hebben af en toe, op onregelmatige basis, fysiek contact. Volgens de vrouw hebben zij niet vaker contact, omdat zij geen auto, geen inkomen en geen huisvesting heeft. Zij doet alles wat mogelijk is om toch contact met [de minderjarige] te hebben. In de toekomst wenst de vrouw met [de minderjarige] naar Polen te verhuizen. De vrouw maakt zich zorgen over [de minderjarige] nu hij de man verblijft. 3.9. De man acht een co-ouderschapsregeling nu niet in het belang van [de minderjarige] en verzoekt een zorgregeling waarbij de vrouw en [de minderjarige] wekelijks gedurende één dag contact met elkaar hebben. De vrouw heeft [de minderjarige] sinds haar vertrek uit de woning slechts twee keer gezien. Dat regelen de vrouw en [de minderjarige] dan onderling, want de man en de vrouw hebben geen contact met elkaar. De man denkt aan een beperkte zorgregeling, onder de voorwaarde dat de vrouw [de minderjarige] niet meeneemt naar Polen om daar te gaan wonen. Als de vrouw in Nederland blijft wonen, kunnen zij en [de minderjarige] vaker contact met elkaar hebben. Op dit moment maakt de man zich daar echter nog zorgen over. Tijdens het huwelijk lagen de vrouw en [de minderjarige] ook niet altijd op één lijn en de vrouw deelt emotionele zaken met [de minderjarige] . 3.10. De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven het lastig vinden om te adviseren over de zorgregeling, omdat de mening van [de minderjarige] niet bekend is. Ongeacht aan wie van de ouders [de minderjarige] wordt toevertrouwd, is het van belang dat diegene [de minderjarige] stimuleert om op regelmatige basis contact met de andere ouder te hebben. Het advies aan ouders is in ieder geval om met elkaar in overleg te gaan met behulp van hulpverlening via het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). 3.11. De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor is overwogen, wordt bepaalt dat de man gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en wordt [de minderjarige] aan hem toevertrouwd. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij niet langer bij haar vriendin kan verblijven, zodat zij op zoek zal moeten gaan naar andere woonruimte. De rechtbank overweegt gelet daarop dat zij het niet wenselijk acht om nu al een overnachting vast te leggen, omdat onduidelijk is waar de vrouw zal verblijven. De rechtbank acht het echter wel in het belang van [de minderjarige] dat er wekelijks contact is tussen hem en de vrouw. De rechtbank zal aldus een voorlopige zorgregeling bepalen waarbij [de minderjarige] en de vrouw gedurende één dag in het weekend van 10:00 uur tot 19:00 uur contact met elkaar hebben. Partijen dienen onderling af te stemmen of dit de zaterdag of de zondag zal zijn. Nu de vrouw geen auto heeft, dient de man [de minderjarige] voor dit contactmoment te brengen en te halen, er van uitgaande dat de vrouw in [woonplaats] , althans in West of midden Brabant huisvesting zal vinden. De rechtbank merkt hierbij op dat partijen opnieuw met elkaar in overleg moeten treden over uitbreiding van deze regeling met een overnachting als de vrouw andere huisvesting heeft gevonden. 3.12. Tijdens de mondelinge behandeling is ook het advies van de Raad tot een doorverwijzing naar het UHA besproken. Het lukt de ouders samen namelijk niet de problemen tussen hen op te lossen. Zo verschillen zij van mening over de toevertrouwing van [de minderjarige] en de zorgregeling. Bovendien ziet de vrouw een toekomst in Polen voor zich met [de minderjarige] , terwijl de man in Nederland wenst te blijven. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarig(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.