RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Zittingsplaats Breda zaaknummer : 10970272 \ MB VERZ 24-249 CJIB-nummer : 6062 5422 5063 3508 uitspraakdatum : 7 juni 2024 proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in de zaak van naam : [betrokkene] B.V. adres : [adres] woonplaats : [woonplaats] hierna: betrokkene gemachtigde : [gemachtigde] Verloop van de procedure Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Gemachtigde heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door gemachtigde beroep ingesteld bij de kantonrechter. De zaak is behandeld op de zitting van 7 juni
- Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze. Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan. Standpunten De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: handelen in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen bord C12 op de Houtmarkt (richting Karnemelkstraat) te Breda op 22 juni 2022 om 18:04 uur. Gemachtigde heeft namens betrokkene in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Betrokkene stelt dat er op de pleegdatum sprake was van werkzaamheden. Op één van die borden stond vermeld dat vanaf een paar dagen later gemachtigde de straat niet meer in mocht. Gemachtigde was onderweg naar parkeergarage de Barones. Gemachtigde stelt dat de officier van justitie dient te handelen overeenkomstig de beleidsregels, maar vraagt zich af of dat in onderhavig geval sprake van is. In het proces-verbaal is een foto opgenomen waarop niet zowel het bord als het voertuig staan. Volgens het beleidskader moet er dan een maandelijkse schouw worden uitgevoerd. De verbalisant moet bewijzen dat er bebording ter plaatse goed zichtbaar was en dat betrokkene niet in een fuik terecht is gekomen. Voorts verzoekt gemachtigde om een proceskostenvergoeding. De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Gemachtigde heeft geen onderbouwing gegeven voor het standpunt dat er een onduidelijke situatie was, waardoor betrokkene verplicht door de geslotenverklaring heen mocht rijden. Overwegingen De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. De boete is dus terecht opgelegd. De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen. De kantonrechter is van oordeel dat er te weinig aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan het opgenomen feit in het zaakoverzicht. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. Beslissing De kantonrechter: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier X.L.C.M. van Sprundel, en in het openbaar uitgesproken op 7 juni
- Tegen deze beslissing is er geen hoger beroep mogelijk. Datum verzending: