RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/9540 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2024 in de zaak tussen [belanghebbende] uit [plaats] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 29 augustus 2023. 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 25 februari 2023 de waarde van de onroerende zaak [adres 1] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 311.000. Tegelijk met deze waardevaststelling zijn aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen (de aanslag OZB) van de gemeente Sluis en de aanslag watersysteemheffing gebouwd voor het jaar 2023 opgelegd. 1.2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben belanghebbende en, namens de heffingsambtenaar, [naam] deelgenomen. Feiten 2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het is een twee-onder-een-kap woning (bouwjaar 1970) met een woonoppervlakte van 147 m² en een perceeloppervlakte van 422 m2. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De heffingsambtenaar verdedigt de in de uitspraak op bezwaar gehandhaafde waarde. Belanghebbende vindt dat de waarde van de woning op de waardepeildatum maximaal € 247.160 is. 3.1. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende en is de waarde van de woning te hoog vastgesteld. De rechtbank stelt de waarde van de woning op de waardepeildatum in goede justitie vast op € 285.000. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Toetsingskader van de rechtbank 3.2. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". 3.3. De waarde van de woning is bepaald met de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. 3.4. Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen. De onderbouwing van de waarde door de heffingsambtenaar 3.5. De heffingsambtenaar heeft aan de waardevaststelling in beroep een waarderapport ten grondslag gelegd dat op 10 juni 2024 door [taxateur] is opgemaakt. 3.6. In het waarderapport is de waarde van de woning op basis van een vergelijking met referentiewoningen berekend op € 324.000 naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Als referentiewoningen zijn gebruikt de woningen aan de [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] te [plaats] . In het rapport zijn deze referentiewoningen vergeleken met de woning. Zijn de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar met de woning? 3.7. De rechtbank is het met belanghebbende eens dat de vrijstaande referentiewoning [adres 2] vanwege de ligging aan dezelfde (drukkere) weg en de uitstraling van de woning het best bruikbaar is als vergelijkingsobject. De referentiewoningen [adres 3] en [adres 4] acht de rechtbank minder geschikt, omdat deze woningen in een volstrekt ander gedeelte van [plaats] zijn gelegen. De rechtbank laat hierna de referentiewoningen [adres 3] en [adres 4] daarom buiten beschouwing. De rechtbank merkt daarbij op dat het betoog van de heffingsambtenaar, namelijk dat hij bij de waardering niet mag uitgaan van één goed vergelijkbare woning, niet afdoet aan de op hem rustende last om de vast te stellen waarde aannemelijk te maken op basis van een juiste vergelijking met de verkoopopbrengst van andere woningen. Heeft de heffingsambtenaar voldoende rekening gehouden met de verschillen tussen de woning en de referentiewoningen? 3.8. Belanghebbende is van mening dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met (onder meer) de ligging van zijn woning aan een drukke(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.