RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 22/3315, BRE 22/3317, BRE 22/3319, BRE 22/3320, BRE 22/3322, BRE 22/3323, BRE 22/3324, BRE 22/3326, BRE 22/3327, BRE 22/3329, BRE 22/3330 en BRE 24/1206 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2024 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. C.C.J. Mouwen, verbonden aan Möller en Cools Advocaten), en de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar. Inleiding 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van 19 april 2022, 2 mei 2022, 14 juni 2022 en 13 juli 2022. 1.2. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende onder andere de volgende naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting opgelegd. Aanslagen op volgorde genummerd Datum van oplegging Aanslagnummer Zaaknummer in beroep 1 02-02-2022 [aanslagnummer 1] BRE 22/3326 2 07-02-2022 [aanslagnummer 2] N.v.t. 3 08-02-2022 [aanslagnummer 3] BRE 22/3328* 4 09-02-2022 [aanslagnummer 4] BRE 22/3316* 5 10-02-2022 [aanslagnummer 5] BRE 22/3322 6 11-02-2022 [aanslagnummer 6] BRE 22/3314* 7 12-02-2022 [aanslagnummer 7] BRE 22/3321* 8 13-02-2022 [aanslagnummer 8] BRE 22/3318* 9 14-02-2022 [aanslagnummer 9] BRE 22/3317 10 16-02-2022 [aanslagnummer 10] BRE 22/3315 11 17-02-2022 [aanslagnummer 11] BRE 22/3330 12 18-02-2022 [aanslagnummer 12] BRE 24/1206 13 19-02-2022 [aanslagnummer 13] BRE 22/3319 14 20-02-2022 [aanslagnummer 14] BRE 22/3323 15 21-02-2022 [aanslagnummer 15] BRE 22/3327 16 22-02-2022 [aanslagnummer 16] BRE 22/3320 17 23-02-2022 [aanslagnummer 17] BRE 22/3324 18 24-02-2022 [aanslagnummer 18] BRE 22/3329 1.3. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. Belanghebbende is in beroep gekomen tegen de afzonderlijke uitspraken op bezwaar met betrekking tot in totaal 17 naheffingsaanslagen. Met betrekking tot de naheffingsaanslag van 7 februari 2022 heeft te gelden dat uit de gedingstukken niet is gebleken van een uitspraak op bezwaar. Over de juistheid van die naheffingsaanslag kan de rechtbank daarom geen oordeel geven. 1.4. De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift, heeft vijf naheffingsaanslagen vernietigd en heeft twaalf naheffingsaanslagen in stand gehouden. Voor de naheffingsaanslagen die zijn vernietigd, heeft belanghebbende zijn beroepen ingetrokken. De rechtbank heeft vervolgens voor de beroepen ten aanzien waarvan nog een inhoudelijk geschil bestond, een zitting gepland. Het betrof deze twaalf beroepen: Datum van oplegging Aanslagnummer Zaaknummer in beroep 02-02-2022 [aanslagnummer 1] BRE 22/3326 10-02-2022 [aanslagnummer 5] BRE 22/3322 14-02-2022 [aanslagnummer 9] BRE 22/3317 16-02-2022 [aanslagnummer 10] BRE 22/3315 17-02-2022 [aanslagnummer 11] BRE 22/3330 18-02-2022 [aanslagnummer 12] BRE 24/1206 19-02-2022 [aanslagnummer 13] BRE 22/3319 20-02-2022 [aanslagnummer 14] BRE 22/3323 21-02-2022 [aanslagnummer 15] BRE 22/3327 22-02-2022 [aanslagnummer 16] BRE 22/3320 23-02-2022 [aanslagnummer 17] BRE 22/3324 24-02-2022 [aanslagnummer 18] BRE 22/3329 Voor de uitspraak op bezwaar betreffende de naheffingsaanslag voor de constatering op 18 februari 2022 was abusievelijk geen zaaknummer aangemaakt. Dit heeft alsnog plaatsgevonden, om de rechtspositie van belanghebbende te beschermen. 1.5. De rechtbank heeft de in de aanhef genoemde beroepen op 20 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende mr. C.C.J. Mouwen en namens de heffingsambtenaar mr. M.H.F. Bucx en [naam] . Beoordeling door de rechtbank 2. 2.1. De rechtbank beoordeelt of de twaalf naheffingsaanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 2.2. De rechtbank geeft voor elf van de twaalf naheffingsaanslagen de heffingsambtenaar gelijk. Voor één naheffingsaanslag is het gelijk aan de zijde van belanghebbende. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. 3.1. Belanghebbende heeft een geldige parkeervergunning gehad in de periode van 9 maart 2021 tot en met 25 februari 2022. Parkeren met gebruik van deze vergunning is toegestaan in zone West 03 en in de naastgelegen rayons met dezelfde rayonletter (windrichting) in [plaats] . 3.2. Belanghebbende is in januari 2022 verhuisd van de [adres 1] naar de [adres 2] in [plaats] . 3.3. De auto van belanghebbende, een Opel met [kenteken] (de auto), stond in de periode van 2 februari 2022 tot en met 24 februari 2022 geparkeerd om en nabij de [adres 2] in [plaats] . 3.4. Tijdens controles met een scanauto op voormelde data is geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan. Daarom zijn aan belanghebbende de naheffingsaanslagen opgelegd, alle ter hoogte van € 44,80 (€ 2,20 aan parkeerbelasting en € 42,60 aan kosten). Overwegingen 4. 4.1. Belanghebbende voert aan dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij over een parkeervergunning beschikte die geldig was aan de [adres 2] , omdat zijn parkeervergunning geldig was in rayon West 03 en in de naastgelegen rayons West 01, West 02, West 05 en West 06. Belanghebbende stelt dat onder bijlage 2 van het aanwijzingsbesluit van de gemeente Tilburg een straatnamenlijst staat opgenomen waarin staat dat onder het rayon West 01 de [adres 3] valt en dat nergens in het aanwijzingsbesluit staat dat het enkel zou gaan om oneven huisnummers. Verder betoogt belanghebbende dat het aanwijzingsbesluit en als gevolg daarvan ook de opgelegde naheffingsaanslagen in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. 4.2. Tussen partijen is niet in het geschil dat belanghebbende heeft geparkeerd aan de [adres 2] en dat deze locatie zich bevindt in een betaald parkeren zone. Het geschil spitst zich toe op de werking van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur op dit specifieke geval in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel (ook wel aangeduid als proportionaliteit). Zorgvuldigheidsbeginsel en tijdige bekendmaking 4.3. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar voldoende zorgvuldig te werk gegaan door de naheffingsaanslag voor de eerste constatering op 2 februari met dagtekening 4 februari 2022 aan belanghebbende kenbaar te maken. Uiterlijk op 14 februari moet belanghebbende redelijkerwijs kennis hebben gehad van een hiaat in de nakoming van zijn verplichtingen als vergunninghouder. 4.4. De stelling van belanghebbende dat hij niet bekend was met een aansporing tot actie om wegens zijn verhuizing een nieuwe parkeervergunning aan te vragen slaagt niet. Uit de stukken van het dossier blijkt dat belanghebbende op 7 januari 2021 een bewonersvergunning heeft aangevraagd. Deze aanvraag is goedgekeurd en de vergunning is verstrekt. Gelet daarop moet belanghebbende redelijkerwijs hebben geweten dat bij een verhuizing de mogelijkheid bestaat dat een nieuwe parkeervergunning moet worden aangevraagd. Belanghebbende stelt dat hij naar aanleiding van zijn verhuizing een telefoontje heeft gepleegd met de gemeente en dat hem is verteld dat zijn parkeervergunning ook geldig zou zijn in het gebied aan de [adres 2] . De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat belanghebbende een dergelijk telefoontje heeft gepleegd, maar bewijs ervan ontbreekt. De naheffingsaanslag is kort na de eerste constatering verzonden en belanghebbende moet zich ervan bewust zijn geweest dat zijn parkeervergunning mogelijk de geldigheid had verloren. De naheffingsaanslagen voor de constateringen vanaf 14 februari 2022 zijn dan ook terecht opgelegd. Evenredigheid en proportionaliteit 4.5. De laatste constateringen hebben plaatsgevonden van 14 tot en met 24 februari 2022. Op dat moment moet belanghebbende redelijkerwijs op de hoogte zijn geweest van het standpunt van de heffingsambtenaar (zie 4.2 hiervoor). De omstandigheid dat vanaf 14 februari in totaal nog 10 naheffingsaanslagen zijn opgelegd roept de vraag op of dit in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel. Voor de beoordeling van die vraag maakt de rechtbank onderscheid tussen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.