RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Tilburg Zaaknummer: 10687169 \ CV EXPL 23-3498 Vonnis van 17 juli 2024 in de zaak van [eiser] , te [plaats] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. B.W.M. van Hoof, tegen 1 [gedaagde 1] , te [plaats] ,2. [gedaagde 2], te [plaats] , gedaagden in conventie, eisers in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , gemachtigde: mr. M.F.J. Martens. 1De procedure 1.1. Het gaat in deze procedure kort gezegd om de vraag wie eigenaar is van een bepaalde strook grond. [gedaagde 1] betwist niet dat de betreffende strook grond onderdeel uitmaakt van het kadastrale perceel van [eiser] , maar stelt dat hij eigenaar is geworden door verkrijgende danwel bevrijdende verjaring. [eiser] betwist dat en heeft ontruiming van de strook grond gevorderd. Ook dient beoordeeld te worden of [gedaagde 1] aansprakelijk is voor (herstel van) schade die is veroorzaakt doordat hij een schutting heeft bevestigd aan de muur van [eiser] . 1.2. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 15 november 2023; - het proces-verbaal van de op 5 april 2024 gehouden descente en de aansluitend gehouden mondelinge behandeling, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de akte uitlaten voortzetting procedure van 22 mei 2024 van beide partijen. 1.3. Na de mondelinge behandeling zijn partijen in overleg getreden over een minnelijke regeling. Bij akte van 22 mei 2024 hebben partijen de kantonrechter bericht dat zij er niet in zijn geslaagd om een minnelijke regeling te treffen, waarna de uitspraak van het vonnis is bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] is samen met zijn echtgenote mevrouw [naam 1] , woonachtig aan de [adres 1] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn directe buren van [eiser] en zijn woonachtig op de [adres 2] . 2.2. [eiser] is sinds 1986 eigenaar van zijn perceel en woning. [gedaagde 1] is sinds 2017 eigenaar van zijn perceel en woning en heeft deze verkregen uit een partiële verdeling van de nalatenschap van zijn oom, wijlen de heer [naam 2] . [naam 2] heeft de woning in of omstreeks december 2002 gekocht van de heer [naam 3] . 2.3. In het voorjaar van 2020 heeft [gedaagde 1] werkzaamheden in zijn achtertuin verricht/laten verrichten. Bij de werkzaamheden is achterin de tuin over de breedte ervan een tuinhuis gerealiseerd en is tussen de voorzijde van het perceel van [gedaagde 1] (de oprit) en de achtertuin van [gedaagde 1] haaks een schutting tegen de woning van [eiser] geplaatst. Daarnaast zijn tegen de bestaande erfafscheiding (gemetselde pilaren met houten schuttingdelen) over de lengte van de tuin gemetselde bloembakken met beplanting gerealiseerd. 2.4. In het voorjaar van 2020 heeft in opdracht van [gedaagde 1] een grensreconstructie door een landmeter van het Kadaster plaatsgevonden, waarbij een relaas van bevindingen is opgemaakt. 2.5. Bij brief van 13 mei 2020 heeft [eiser] een brief aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gestuurd, waarin – voor zover hier van belang – het volgende wordt vermeld: “Beste [gedaagde 1] , Helaas moeten wij u deze brief schrijven. Wij kunnen het niet tolereren dat u onze perceelsgrens, zoals gemeten door het kadaster, niet accepteert. Wij verwachten van u dat u e.e.a. binnen een redelijke termijn corrigeert, wij verzoeken u, beleefd, doch dringend voor 1 Juli 2020 onderstaande zaken te herstellen: 1) Het door u gebouwde tuinhuis. Dit staat gedeeltelijk op onze grond, dat willen wij niet. Ook verlangen wij dat het door u gebouwde tuinhuis conform de voorschriften van de Gemeente Waalwijk is gebouwd. (…) 2) De bloembakken en bestrating. Deze heeft u op onze grond geplaatst, dat willen wij niet. (…) 3) De schutting. Deze heeft u op onze grond geplaatst, dat willen wij niet. Bovendien heeft u deze gemonteerd aan ons huis, door middel van pluggen en schroeven waarvoor u in ons huis heeft geboord. Dat willen wij niet. Wij verwachten niet alleen dat u deze schutting van onze grond verwijdert, ook willen wij dat u de stenen, die u heeft geboord, door het juiste type/fabrikaat laat vervangen. Verdere beschadigingen aan ons huis willen wij hersteld zien, de te gebruiken specie/voeg dient op kleur te zijn, zodat uiteindelijk niets meer van de door u toegebrachte schade zichtbaar is. (…) Verder wil ik, [eiser] , dat Mevr. [gedaagde 2] mijn vrouw, [naam 1] in de toekomst op een normale manier bejegend. De omgang met mijn vrouw door Mevr. [gedaagde 2] , in het verleden, is absoluut niet acceptabel. Ook wil ik u er op wijzen dat wij het bijzonder jammer vinden dat onze afspraak op 11 Mei, 20.00 om e.e.a eens door te nemen, is afgezegd. Wij vonden dit een serieuze zaak, wij hebben zelfs onze afspraken verzet om u tegemoet te komen. Verder heeft Mevr. [gedaagde 2] geen nieuwe afspraak voorgesteld. Hopelijk regelt u de genoemde zaken voor 1 Juli 2020 zodat wij niet genoodzaakt zijn om juridische stappen te ondernemen. Wij spreken de hoop uit dat we alsnog als goede buren met elkaar kunnen omgaan”. 2.6. Daarop heeft de gemachtigde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij brief van 12 juni 2020 als volgt gereageerd: “Het stelt mijn cliënten enorm teleur dat zij na het jarenlange goede contact met u nu op deze wijze worden bejegend en dat alleen maar omdat u zelf ruzie hebt met uw achterburen, de familie [naam 4] , en had gehoopt mijn cliënten daarin te kunnen betrekken. Mijn cliënten staan daar echter heel anders in. Zij hebben helemaal geen behoefte aan een onnodig conflict. Vanaf het moment dat u hebt bemerkt dat mijn cliënten de kwestie met de familie [naam 4] laten rusten is uw houding ten opzichte van mijn cliënten volledig omgeslagen. Waar u voorheen gezellig bij elkaar op de koffie kwam probeert u nu een erfgrensgeschil met mijn cliënten op te werpen. Dat dit niet slaagt zal hierna blijken. Toen mijn cliënten in het voorjaar met uw plotselinge vreemde verzoek kwam aangaande de boeiboorden van de aanbouw van uw woning hebben mijn cliënten gemeend duidelijkheid te moeten verkrijgen en het Kadaster ingeschakeld in verband met een grensconstructie. Deze is eind april uitgevoerd en daarbij is geconstateerd dat de erfgrens tussen uw perceel en dat van mijn cliënten al jarenlang niet op juiste wijze is aangegeven. Zolang zelfs dat uw vordering tot herstel van de oorspronkelijke erfgrens is verjaard. Mijn cliënten hebben de woning gekocht uit de nalatenschap van een oom, de heer [naam 2] die jarenlang uw buurman is geweest. Ook toen en zelfs ten tijde van de rechtsvoorgangers van de oom van mijn cliënten was de erfgrens al zoals deze nu is. Al meer dan twintig jaren is de erfgrens tussen de beide percelen op deze wijze bepaald. Waar mijn cliënten zelf het Kadaster hebben ingeschakeld is het ook evident dat mijn cliënten hebben gedacht, ook uit de verhalen van de familie, dat de erfgrens op juiste wijze was vastgelegd tussen de percelen. Tot voor kort stond er een schuurtje tegen de aanbouw aan uw woning en dat heeft er ook al veel langer dan twintig jaren gestaan. Cliënten en hun rechtsvoorgangers hebben zich ook altijd als eigenaren van het litigieuze perceelgedeelte gedragen. Hiernavolgend wordt puntsgewijs op de door u aangehaalde onderwerpen ingegaan. 1. Tuinhuis Het betreffende tuinhuis aan de achterzijde op het perceel hebben mijn cliënten gebouwd met een vergunning van de gemeente Waalwijk. Het tuinhuis is zo gebouwd dat het exact op de grond staat zoals mijn cliënten die hebben aangekocht en aangetroffen bij de aanvang van de bewoning van hun woning. De grond, althans het gedeelte waarop u doelt, is ook al bij de rechtsvoorganger van mijn cliënten en zijn rechtsvoorgangers zo in gebruik geweest. Het betreffende perceelgedeelte is op grond van verkrijgende verjaring eigendom geworden van mijn cliënten (en hun rechtsvoorgangers). 2. Bloembakken en bestrating Voor wat betreft de bloembakken en bestrating zoals u die hebt aangegeven heeft hetzelfde te gelden. Ook dit gedeelte van het perceel is al meer dan twintig jaren in gebruik en in het bezit van mijn cliënten en hun rechtsvoorgangers. Zij zijn op grond van verkrijgende verjaring eigenaar geworden van dit deel dat overigens in het verlengde ligt van het gedeelte waarop het tuinhuis staat. 3. De schutting Toen mijn cliënten in 2017 in de woning kwamen wonen hebben zij de schutting waarop u doelt geplaatst. Op uw uitdrukkelijke verzoek hebben zij deze schutting tegen uw woning aangebouwd. Niet voor niets staat de schutting er nu ook al weer drie jaren. Anders had u meteen na het aanbrengen van de schutting al commentaar geleverd. Dat is niet gebeurd. Resumerend bevestig ik u hierdoor nogmaals dat mijn cliënten en hun rechtsvoorgangers op grond van verkrijgende verjaring eigenaar zijn geworden van de ondergrond waarop u doelt. Dit loopt vanaf het trottoir aan de voorzijde van het perceel tot aan de brandgang aan de achterzijde. Een en ander betekent ook dat zij niet tot verwijdering van de door u bedoelde bouwwerken zullen overgaan”. 2.7. In januari 2023 heeft (wederom) een grensreconstructie door een landmeter van het Kadaster plaatsgevonden, dit maal in opdracht van [eiser] . Naar aanleiding daarvan heeft het Kadaster op 11 januari 2023 een relaas van bevindingen van de landmeter opgemaakt. 2.8. Op 26 januari 2023 heeft de gemachtigde van [eiser] aan de gemachtigde van [gedaagde 1] – voor zover van belang – het volgende bericht: “Opstal In het voorjaar van 2020 heeft u een opstal gerealiseerd of doen realiseren op uw perceel aan de [adres 2] te [plaats] , kadastraal bekend [perceel 1] . Het betreft de opstal die zich op het uiterst zuid-westelijke gedeelte van uw perceel bevindt, en dat de uiterlijke verschijningsvorm van een tuinhuis heeft. U heeft voorafgaand aan of tijdens de realisatie van de opstal geen contact met cliënten opgenomen over de exacte locatie va de opstal. Na de realisatie van de opstal stelden cliënten vast dat deze ook deels op hun perceel is gerealiseerd. Het betreft he perceel [adres 1] , kadastraal bekend [perceel 2] . BIJ brief va 13 mei 2020 hebben cliënten u hiervan mededeling gedaan, en u verzocht de opstal, voor zover gebouwd op het perceel van cliënten, te (doen) verwijderen. Een afschrift van de betreffende brief heb Ik voor u bijgevoegd.* Aan dit verzoek heeft u vooralsnog niet voldaan. Naar ik van cliënten heb begrepen, stelt u zich op het standpunt dat het betreffende gedeelte van het perceel van cliënten, voor zover dat zich onder de opstal bevindt, door verjaring u eigendom is geworden. Cliënten betwisten dat de grond onder de opstal door verjaring uw eigendom zou zijn geworden. Schutting In dezelfde periode (voorjaar 2020) heeft u een schutting geplaatst of doen plaatsen op het perceel van cliënten, met aan 'uw' zijde van de schutting, bloembakken en bestrating. Cliënten hebben u bij eerdergenoemde brief van 13 mei 2020 eveneens verzocht de betreffende schutting, bloembakken en bestrating, voor zover deze zich op de grond va cliënten bevinden, te (doen) verwijderen. Ook aan dit verzoek heeft u vooralsnog niet voldaan. Naar ik van cliënten heb begrepen, stelt u zich op het standpunt dat ten aanzien van de bloembakken en de bestrating sprake zou zijn van verjaring, en dat de schutting op uitdrukkelijk verzoek van cliënten op de betreffende locatie geplaatst zou zijn. Cliënten betwisten dat de grond onder bloembakken en bestrating door verjaring uw eigendom zou zijn geworden, alsook dat zij u expliciet (dan wel impliciet) verzocht zouden hebben de schutting op de betreffende locatie te plaatsen. Grensreconstructie Een landmeter (specialist grensconstructie) verbonden aan het Kadaster heeft op 10 januari 2023 op verzoek van cliënten een grensreconstructie uitgevoerd. U heeft hiervoor een uitnodiging ontvangen, maar bent hierbij niet verschenen. Bij een grensreconstructie stelt een onafhankelijke derde (landmeter) middels de gegevens uit de kadastrale registratie en een meting op locatie vast wat de exacte perceelgrens is. De landmeter heeft een relaas van bevindingen opgesteld.* Volledigheidshalve heb ik bij dit schrijven een kopie van de toelichting op het relaas van bevindingen en het veldwerk* en de reconstructie-coördinaten* gevoegd. Uit dit onderzoek is onomstotelijk vast komen te staan dat uw opstal, uw schutting, uw bloembakken en uw bestrating geheel of gedeeltelijk zijn gerealiseerd over de erfgrens tussen uw perceel en dat van mijn cliënten. Dit is waar te nemen op pagina 2 van het relaas van bevindingen. Hierop is waar te nemen dat de opstal (afkorting: 'schr'), die zich grotendeels op [perceel 1] bevindt, over de rode stippellijn (perceelgrens) is gebouwd. Op basis van de ligging van de verschillende opstallen op de beide percelen, is eveneens waar te nemen dat de schutting, bloembakken en bestrating deels over de rode stippellijn zijn gerealiseerd. Conclusie Op basis van de grensreconstructie staat vast dat de opstal, de schutting, de bloembakken en de bestrating geheel of gedeeltelijk op het perceel van cliënten gerealiseerd zijn. Cliënten hebben u hiervoor geen toestemming verleend, en zullen u die toestemming ook niet verlenen. Cliënten betwisten dat zij u destijds verzocht zouden hebben de schutting deels op hun perceel te (doen) plaatsen. Cliënten betwisten voorts dat u door verjaring eigenaar zou zijn geworden va de grond onder de opstal, de bloembakken en de bestrating. Cliënten houden u voor dat het bewijsrisico voor de vermeende toestemming en verjaring op u rust. Hierbij stel ik u gedurende veertien dagen na heden in de gelegenheid mij bewijsstukken c.a. toe te zenden waaruit volgens u blijkt van de vermeende toestemming en verjaring, dan wel mij mede te delen op grond waarvan u anderszins van oordeel bent dat de opstal, de schutting, de bloembakken en de bestrating zich rechtmatig aldaar bevinden vergezeld van bewijsstukken c.a. waaruit hiervan volgt. Mocht van de vermeende toestemming en verjaring niet blijken, omdat u niet (tijdig) aan het vorenstaande voldoet, komt aan cliënten een vordering tot amotie toe. Deze vordering is gebaseerd op het eigendomsrecht van de grond uit artikel 5:1 BW en houdt in dat wanneer een gebouw of werk ten dele op het erf van een andere eigenaar is gebouwd, deze laatste bevoegd is om wegneming hiervan te vorderen. Cliënten vorderen hierbij dat u per ommegaande overgaat tot verwijdering van de opstal, de schutting, de bloembakken en de bestrating, voor zover deze zich op het perceel van cliënten bevinden. Hierbij zeg ik u tevens de kosten voor de grensreconstructie van € 460,00 en de kosten van juridische bijstand (tot en met heden te begroten op € 1.485,00 inclusief 21% BTW) aan. Graag ontvang ik binnen twee weken na heden een inhoudelijke reactie op dit schrijven. Ik benadruk dat dit een laatste mogelijkheid is om te kunnen voldoen in de huidige vordering van cliënten. Indien uit uw reactie blijkt dat cliënten niet voldoende schadeloos gesteld zullen worden, zal ik namens hen een gerechtelijke procedure opstarten teneinde de afbraak, schadeloosstelling en kosten die verband houden met de vordering te vorderen. Ter voorkoming van een eventueel lopende verjaring van de vorderingen van cliënten, behouden cliënten zich te aanzien van de bovengemelde vorderingen alle rechten voor. U dient deze brief te beschouwen als een stuiting van eventueel lopende verjaringstermijnen ‘. 2.9. Daarop heeft de gemachtigde van [gedaagde 1] bij brief van 13 februari 2023 als volgt gereageerd: “Tot mij hebben zich gewend de heer [gedaagde 1] en mevrouw [gedaagde 2] , wonende te [plaats] , een en ander naar aanleiding van uw brief van 26 januari 2023. Cliënten zijn zeer verbaasd over de inhoud van uw brief. Deze discussie is in 2020 al gevoerd. Naar aanleiding daarvan heb ik uw cliënten op 12 juni 2020 een brief gestuurd en een kopie daarvan treft volledigheidshalve bijgaand (*) aan. De visie van mijn cliënten is niet gewijzigd. Naar aanleiding van de brief van de even vermelde brief van 12 juni 2020 heb ik nooit meer iets van uw cliënten gehoord. Nu, na ruim tweeënhalf jaar moet dezelfde discussie worden gevoerd? Overigens kunt u uit de brief afleiden dat het onderzoek door het Kadaster zoals dat nu heeft plaatsgevonden in 2020 ook al is uitgevoerd. De meerwaarde van het laatste Kadasteronderzoek ontgaat mij dan ook. Het spreekt voor zich dat de kosten die daaraan verbonden zijn dan ook nooit door mijn cliënten zullen worden betaald. Ik vertrouw erop dat u het vorenstaande eerst met uw cliënten wil terugkoppelen en dat ik vervolgens wellicht nog nader van u verneem?” 3Het geschil in conventie 3.1. [eiser] vordert primair om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot herstel van de rechtmatige toestand en aldus opheffing van de huidige onrechtmatige situatie, door het verplaatsen c.q. het verwijderen van zaken van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] die zich op de erfgrens en op het perceel van [eiser] bevinden, zodat zich daarop geen zaken meer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bevinden, binnen vier weken na dagtekening van het vonnis, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn. 3.2. Tevens vordert [eiser] primair voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens [eiser] aansprakelijk zijn voor de schade van [eiser] als gevolg van het monteren van de schutting aan de woning van [eiser] en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] die schade dienen te herstellen. 3.3. Subsidiair vordert [eiser] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding in natura door teruggave van de gronden, door het verplaatsen c.q. verwijderen van zaken van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] die zich op de erfgrens en op het perceel van [eiser] bevinden, zodat zich daarop geen zaken meer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bevinden, binnen vier weken na dagtekening van het vonnis, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn. 3.4. [eiser] legt – samengevat – de volgende stellingen aan zijn vordering ten grondslag. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een tuinhuis, bloembakken, bestrating, een schutting en andere zaken op het perceel van [eiser] en op de erfgrens geplaatst, als gevolg waarvan zij onrechtmatig jegens [eiser] handelen. De onrechtmatigheid van deze daad is erin gelegen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met dit (voortdurend) handelen inbreuk maken op het eigendomsrecht van [eiser] en dat zij zonder toestemming van [eiser] , schade aan de woning van [eiser] hebben toegebracht, door de schutting met pluggen en schroeven aan de woning van [eiser] te monteren. 3.5. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren het volgende verweer. 3.6. [eiser] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vorderingen, voor zover deze gericht zijn jegens [gedaagde 2] , nu [gedaagde 2] geen (mede) eigenaar is van de woning van [gedaagde 1] . 3.7. Ten aanzien van de (primaire en subsidiaire) vordering tot het verplaatsen en verwijderen van de nieuw geplaatste schutting en van teruggave van de grond voeren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan dat de schutting binnen de (zelfs oorspronkelijk geregistreerde kadastrale) erfgrens staat. Daarmee is van erfgrensoverschrijding geen sprake en dienen de vorderingen te worden afgewezen. 3.8. Tegen de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens [eiser] aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van het monteren van de schutting aan de woning van [eiser] en herstel daarvan voert [gedaagde 1] aan dat [eiser] mondeling toestemming heeft gegeven om de schutting tegen de muur van [eiser] te bevestigen. [eiser] heeft ook, tot de brief van 5 mei 2020, geen bezwaar gemaakt tegen de wijze van bevestiging. Bovendien heeft [eiser] geen enkele onderbouwing of begroting gegeven van de door hem geleden schade. 3.9. Ten aanzien van de vorderingen tot herstel van de rechtmatige toestand voeren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] primair aan dat er sprake is van verkrijgende verjaring ex artikel 3:99 BW. Zij stellen dat de schutting (voorzien van stenen pilaren tussen en aan de buitenkant van de panelen) die aan de lange zijde van het perceel is geplaatst, er al stond toen zijn oom ( [naam 2] ) in of omstreeks december 2002 eigenaar werd van de woning. [naam 2] heeft in de periode van december 2002 tot aan zijn overlijden in oktober 2016 het betreffende deel van het perceel in bezit gehad op basis van de feitelijke, naar buitend toe kenbare, scheidslijn. [gedaagde 1] heeft toen hij eigenaar werd, diezelfde scheidslijn, gevormd door de muur van de aanbouw van [eiser] en de in rechte lijn daarmee geplaatste schutting, aangehouden. Voor zover [gedaagde 1] bekend, heeft [naam 2] nooit geweten dat [eiser] eigenaar was van een gedeelte aan de lange zijde van het perceel dat in bezit was van [naam 2] . De feitelijke scheidslijn is nooit een punt van discussie geweest tussen [naam 2] en [eiser] . Uitgaande van de goede trouw van [naam 2] en de periode dat hij als eigenaar minimaal tien jaar onafgebroken het betreffende deel het perceel aan de lange zijde in bezit heeft gehad, is dit deel op grond van verkrijgende verjaring eigendom geworden [naam 2] en is [gedaagde 1] in 2017 derhalve (ook) van dat deel rechtmatig eigenaar geworden. Omdat de uiterlijke omstandigheden (duidelijke afscheiding) geen vragen opriepen, was er voor [gedaagde 1] geen aanleiding om nauwgezet onderzoek te verrichten naar de kadastrale kaart. [gedaagde 1] maakt geen inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] omdat op het moment dat hij het eigendom van de woning verkreeg, het betreffende gedeelte van het perceel (met de bestaande feitelijke begrenzing) door verkrijgende verjaring al eigendom was geworden van [naam 2] . [gedaagde 1] was en is derhalve ook eigenaar van het betreffende deel. 3.10. Subsidiair stelt [gedaagde 1] dat hij krachtens artikel 3:105 lid 1 BW eigenaar is geworden van het betreffende deel van het perceel, omdat er sinds de ‘inbezitneming’ van het gedeelte door [gedaagde 1] en zijn rechtsvoorgangers meer dan twintig jaar zijn verstreken. De schutting tussen beide percelen is in de jaren tachtig (van de vorige eeuw) door [eiser] en zijn toenmalige buurman, de heer [naam 3] , geplaatst. Daarmee is de verjaringstermijn van twintig jaar voltooid. Dit geldt ongeacht of de rechtsvoorganger(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.