RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-119755-23 vonnis van de meervoudige kamer van 14 augustus 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] raadsman mr. W.B.M. Bos, advocaat te Oud-Beijerland 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 juli 2024, waarbij de officier van justitie mr. J. Castelein en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon of dat hij met (een) ander(en) die persoon heeft mishandeld; Feit 2: met een honkbalknuppel heeft geprobeerd iemand zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de onder feit 1 primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging en de onder feit 2 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich voor feit 1 primair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank als het gaat om het geweld bij de voordeur van aangever. Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij daar klappen heeft uitgedeeld. Voor feit 2 kan geen bewezenverklaring volgen, nu verdachte ontkent met een honkbalknuppel geslagen te hebben. Indien wel wordt aangenomen dat verdachte met een honkbalknuppel op het lichaam van aangever geslagen heeft, levert dat niet per definitie een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Ook om die reden moet verdachte van feit 2 vrijgesproken worden. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht 4.3.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs Feit 1 primair: Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank de openlijke geweldpleging wettig en overtuigend bewezen, inclusief het meermalen slaan tegen het lichaam van aangever met een honkbalknuppel (door verdachte). Bij de politie heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. Op zitting heeft verdachte eerst meermalen verklaard dat hij wel een honkbalknuppel uit de kofferbak van zijn auto heeft gepakt, maar die daarna heeft weggelegd. Die verklaring schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde gelet op de verklaringen van aangever en getuigen waaruit volgt dat verdachte die knuppel wel degelijk heeft gebruikt. Bovendien heeft verdachte later op zitting verklaard dat hij een honkbalknuppel uit de auto heeft gepakt en toen kapot heeft geslagen. Dat is echter heel wat anders dan wegleggen. Verdachte heeft dat bovendien pas verklaard, en dus zijn eerdere verklaring op zitting aangepast, toen hem werd voorgehouden dat volgens een getuige de knuppel kapot is geslagen nadat verdachte uit de woning van aangever kwam. Ook die aangepaste verklaring schuift de rechtbank daarom als ongeloofwaardig terzijde. Op basis van de bewijsmiddelen is ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bij het (wat verdachte betreft voortgezette) openlijk geweld tegen aangever op de oprit betrokken was. Feit 2: Bij feit 1 primair is al overwogen waarom de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte meermalen met een honkbalknuppel tegen het lichaam van aangever heeft geslagen. Daarbij heeft hij ook met kracht tegen de onderrug van aangever geslagen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. In de onderrug bevinden zich namelijk kwetsbare inwendige organen, waaronder de nieren. Het is een feit van algemene bekendheid dat die nieren beschadigd kunnen raken wanneer met een hard voorwerp als een honkbalknuppel met kracht tegen de onderrug wordt geslagen. Dit slaan kan dus zwaar lichamelijk letsel opleveren. Ook de poging zware mishandeling acht de rechtbank daarom wettig en overtuigend bewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1 primair op 3 juni 2022 te [plaats] , gemeente Rucphen , openlijk, te weten aan de [straat] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door die [slachtoffer] : -meermalen tegen het hoofd en het lichaam te slaan en -meermalen met een honkbalknuppel tegen het lichaam te slaan en -meermalen tegen het lichaam te schoppen; 2 op 3 juni 2022 te [plaats] , gemeente Rucphen , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen met een honkbalknuppel tegen het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderdvijftig uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. 6.2 Het standpunt van de verdediging Bij een bewezenverklaring van beide feiten wordt een taakstraf voorgesteld, waarvan een deel voorwaardelijk. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De ernst van de feiten Verdachte heeft op 3 juni 2022, eerst samen met zijn vader en daarna met zijn oom en zwager, openlijk geweld gepleegd tegen de ex van zijn zus, met wie zij twee kinderen heeft. Verdachte heeft daarbij onder andere met een honkbalknuppel geslagen, wat ook een poging zware mishandeling oplevert. Dit geweld was een reactie op de mishandeling van zijn zus door het slachtoffer kort daarvoor, waarbij zijn zus letsel had opgelopen. Dit verklaart de boosheid van verdachte, maar verontschuldigt het gedrag van hem en zijn mededaders niet. Een dergelijke vorm van eigenrichting kan niet getolereerd worden. Het gepleegde geweld heeft bovendien plaatsgevonden bij en naast de woning van het slachtoffer en buurtgenoten zijn daar getuige van geweest. Veel erger nog is dat de jonge kinderen van het slachtoffer en de zus van verdachte in de woning waren. Nadat zij getuigen waren van de mishandeling van hun moeder door het slachtoffer, hebben zij vermoedelijk ook het een en ander meegekregen van de wraakhandelingen van hun oom en zijn mededaders. Zij zullen na het geweld tegen hun vader in ieder geval zijn letsel hebben gezien. Te verwachten is dat dit alles diepe indruk op de kinderen zal hebben gemaakt en verdachte is daar medeverantwoordelijk voor. De landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van de rechtspraak geven als uitgangspunt bij openlijk geweld tegen een persoon met lichamelijk letsel als gevolg een taakstraf van honderdvijftig uur als uitgangspunt. Voor het toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met een wapen als een honkbalknuppel is het uitgangspunt zeven maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij een poging gaat daar één derde vanaf. De rechtbank kijkt ook naar de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte Gelet op de bewezenverklaring concludeert de rechtbank in het nadeel van verdachte dat hij op zitting tegen beter weten in heeft ontkend een honkbalknuppel te hebben gebruikt tegen het slachtoffer. Van echt verantwoordelijkheid nemen voor zijn gedrag is daarom geen sprake. Bovendien is verdachte eerder - op 2 november 2018 - voor een mishandeling veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf voorwaardelijk en op 30 november 2016 voor een poging zware mishandeling tot één dag gevangenisstraf en honderdtwintig uur taakstraf voor een poging zware mishandeling. Die straffen hebben blijkbaar onvoldoende indruk gemaakt en het huidige bewezen verklaarde geweld niet voorkomen. In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat hij sinds dit incident in juni 2022 niet meer met justitie in aanraking is geweest. In de tussentijd is hij vader geworden en met zijn partner een bedrijf begonnen. Wel is op zitting gebleken dat er nog steeds familierechtelijke spanningen en emoties zijn. Daarom vindt de rechtbank dat een deel van de op te leggen straf voorwaardelijk moet zijn om verdachte te stimuleren in de toekomst voor een andere oplossing dan geweld te kiezen. Straf Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf recht doet aan de feiten en omstandigheden. Zij zal aan verdachte dan ook opleggen een taakstraf van honderdvijftig uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. 7De benadeelde partij De benadeelde partij [slachtoffer] vordert voor feit 1 een schadevergoeding van € 3.551,64, bestaande uit € 701,64,- aan materiële schade en € 2.850,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. Materiële schade De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 701,64,-, bestaande uit het eigen risico over 2022 en het eigen risico over
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.