RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Belastingrecht zaaknummers: BRE 23/3568 en 24/1938 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2024 in de zaken tussen [belanghebbende] uit [plaats 1] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 13 juni 2023 en 29 december 2023. 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende (onder meer) waardebeschikkingen met betrekking tot de onroerende zaak gelegen aan de [adres 1] te [plaats 2] (de woning) toegezonden. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning per 1 januari 2021 (de waardepeildatum voor het belastingjaar 2022) vastgesteld op € 583.000 en per 1 januari 2022 (de waardepeildatum voor het belastingjaar 2023) vastgesteld op € 623.000. De beschikkingen zijn vastgesteld op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). 1.2. De heffingsambtenaar heeft (onder andere) ook aanslagen onroerendezaakbelastingen (OZB) voor de jaren 2022 en 2023 aan belanghebbende opgelegd. 1.3. De bezwaren van belanghebbende tegen de beschikkingen en de aanslagen OZB zijn door de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar afgewezen. 1.4. De rechtbank heeft de beroepen op 7 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbende en, namens de heffingsambtenaar, [naam] . Feiten 2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een vrijstaande recreatiewoning uit 1980 met een woonoppervlakte van 66 m², een aanbouw van 50 m² en een berging van 12 m² op een perceel van 924 m². De woning mag niet permanent worden bewoond. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2021 en 1 januari 2022 en daarmee ook de aanslagen OZB niet te hoog heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2021 en 1 januari 2022 en daarmee ook de aanslagen OZB niet te hoog vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Motivering 4. Partijen zijn het niet eens over de waarde van de woning op de waardepeildata. Belanghebbende bepleit een waarde van € 489.000 per 1 januari 2021 en een waarde van € 530.000 per 1 januari 2022. De heffingsambtenaar verdedigt de bij beschikkingen vastgestelde waarden van € 583.000 per 1 januari 2021 en € 623.000 per 1 januari 2022. Toetsingskader rechtbank 5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". 5.1. De waarden van de woning zijn bepaald aan de hand van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarden zijn vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. 5.2. Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door hem verdedigde waarden aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen. De onderbouwing van de waarden door de heffingsambtenaar 6. De heffingsambtenaar heeft aan de waardevaststelling in beroep voor beide belastingjaren een waarderapport met daarbij een matrix ten grondslag gelegd. 6.1. Het waarderapport voor de waardepeildatum 1 januari 2021 is op 24 juni 2024 door [taxateur] opgemaakt. In het waarderapport en in de matrix is de waarde van de woning berekend op € 684.000. Als referentiewoningen zijn gebruikt de objecten aan de [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] te [plaats 2] . In de matrix zijn de referentiewoningen vergeleken met de woning. 6.2. Het waarderapport voor de waardepeildatum 1 januari 2022 is eveneens op 24 juni 2024 door [taxateur] opgemaakt. In het waarderapport en in de matrix is de waarde van de woning berekend op € 756.000. Als referentiewoningen zijn gebruikt de objecten aan de [adres 5] , [adres 4] en [adres 6] te [plaats 2] . In de matrix zijn de referentiewoningen vergeleken met de woning. Zijn de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar met de woning? 7. De referentiewoningen aan de [adres 2] , [adres 5] , [adres 3] en [adres 7] zijn vrijstaande recreatiewoningen. De referentiewoning aan de [adres 6] is een eind recreatiewoning. De referentiewoningen hebben een vergelijkbaar bouwjaar als de woning van belanghebbende, namelijk tussen 1978 en 1987 en liggen in hetzelfde complex als de woning van belanghebbende. Verder zijn de referentiewoningen verkocht binnen een jaar voor of na de betreffende waardepeildatum. 7.1. Belanghebbende stelt dat de referentiewoning aan de [adres 5] niet vergelijkbaar is omdat deze woning – in tegenstelling tot zijn woning en de overige referentiewoningen – permanent mag worden bewoond. De heffingsambtenaar heeft ter zitting aangegeven dat deze referentiewoning buiten beschouwing kan worden gelaten. Dat betekent dat de rechtbank over de vergelijkbaarheid van deze referentiewoning geen oordeel meer hoeft te geven. 7.2. Belanghebbende heeft als zodanig niet bestreden dat de overige referentiewoningen vergelijkbaar zijn met zijn woning. De referentiewoningen zijn in hetzelfde complex gelegen, ze zijn nagenoeg even groot, ze hebben een vergelijkbaar bouwjaar en ze hebben dezelfde recreatiebestemming. De rechtbank is van oordeel dat de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn met de woning van belanghebbende om ter onderbouwing van de waarde te kunnen dienen. De verschillen tussen de referentiewoningen en de woning 8. De verkoopprijzen van de referentiewoningen zijn geïndexeerd naar de waardepeildatum. De grondprijs voor de woning en de referentiewoningen is bepaald aan de hand van een grondstaffel. Aan een berging/schuur, garage, overkapping/luifel, tuinhuis/blokhut en aanbouw zijn afzonderlijke waarden toegekend. De inhoudsprijs van de referentiewoning aan de [adres 7] is gecorrigeerd op de afwijkende kwalificatie voor onderhoud en voorzieningen (factor 2) ten opzichte van de kwalificatie voor onderhoud en voorzieningen van de woning van belanghebbende (factor 3). De heffingsambtenaar heeft hiermee inzichtelijk gemaakt dat met de verschillen, in het bijzonder de verschillen in onderhoud en (kwaliteit van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.