RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Middelburg Zaaknummer: 10507768 \ CV EXPL 23-1154 Vonnis van 21 augustus 2024 in de zaak van [eiser] , H.O.D.N. [bedrijf van eiser], te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [bedrijf van eiser] , gemachtigde: [gemachtigde] , tegen [gedaagde] , H.O.D.N. [bedrijf van gedaagde], te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 8 mei 2024; - de akte van [bedrijf van eiser] , met aanvullende producties 1 en 2; - de akte van [gedaagde] . 1.
- Ten slotte heeft de kantonrechter vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.
- De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis van 8 mei 2024 is beslist. Daarin is onder meer bepaald dat [gedaagde] het nog openstaande deel van de facturen van 15 september 2021, 15 november 2021, 16 december 2021 en 15 april 2022 is verschuldigd. Dat is totaal een bedrag van € 695,
- 2.
- In het tussenvonnis heeft de kantonrechter aan [bedrijf van eiser] de gelegenheid geboden om de grondslag van haar vordering te onderbouwen met betrekking tot betaling van de factuur van 24 mei 2022 ter hoogte van € 774,
- Naar het oordeel van de kantonrechter is [bedrijf van eiser] daar niet in geslaagd. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt. 2.
- [bedrijf van eiser] beroept zich op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde overeenkomst en de daaruit voorvloeiende betalingsverplichting van [gedaagde] . Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) draagt [bedrijf van eiser] de stelplicht en de bewijslast van het bestaan van een dergelijke overeenkomst. In de akte na het tussenvonnis volstaat [bedrijf van eiser] met de enkele stelling dat de werkzaamheden in de factuur van 24 mei 2022 losstaan van het abonnement en later op verzoek van [gedaagde] zijn verricht. Gelet op de betwisting door [gedaagde] , had het op de weg van [bedrijf van eiser] gelegen om feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat [gedaagde] opdracht heeft gegeven voor werkzaamheden die niet waren begrepen in het abonnement, en ook dat die werkzaamheden zijn uitgevoerd en wanneer dat is gebeurd. De enkele stelling dat op verzoek van [gedaagde] extra werkzaamheden zijn verricht die niet in het abonnement vallen, is onvoldoende. [bedrijf van eiser] heeft haar vordering op dit punt dan ook onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter wijst daarom de vordering af met betrekking tot betaling van de factuur van 24 mei 2022, ter hoogte van € 774,
- 2.
- [bedrijf van eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De vordering van € 220,46 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het wettelijke tarief van € 104,30 bij € 695,33 in hoofdsom. De kantonrechter wijst daarom € 104,30 toe. 2.
- [gedaagde] heeft, zo volgt uit de dagvaarding, in totaal € 550,00 betaald. [gedaagde] wordt, gelet op het voorgaande, veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 249,63 (€ 695,33 + € 104,30 – € 550,00). 2.
- De gevorderde wettelijke handelsrente wordt toegewezen zoals in het dictum vermeld. 2.
- [gedaagde] is deels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat van de vordering van € 1.262,93 slechts een bedrag van € 249,63 is toegewezen, zal [gedaagde] worden veroordeeld om het griffierecht van € 86,00 te vergoeden dat bij het toegewezen bedrag hoort en niet het griffierecht van € 214,00 dat op basis van de vordering van € 1.262,93 bij [bedrijf van eiser] in rekening is gebracht. Het verschil tussen deze bedragen dient als nodeloos veroorzaakte kosten voor rekening van [bedrijf van eiser] te blijven. De proceskosten van [bedrijf van eiser] worden daarom begroot op: - kosten van de dagvaarding € 107,32 - griffierecht € 86,00 - salaris gemachtigde € 100,00 (2,50 punten × € 40,00) - nakosten € 20,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 313,32 3De beslissing De kantonrechter 3.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [bedrijf van eiser] te betalen een bedrag van € 249,63, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de respectievelijke factuurbedragen, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen tot de dag van betaling van die factuurbedragen, 3.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 313,32, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2024.