RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/162053-23 vonnis van de meervoudige kamer van 26 augustus 2024 in de strafzaak tegen: [verdachte] geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] wonende op het [woonadres] thans uit andere hoofde gedetineerd in JC Zaanstad raadsman: mr. E.M. Steller, advocaat te Amsterdam. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de onderzoeken ter zitting van 7, 11 en 14 juni 2024, waarbij de officieren van justitie, mr. H.G. Klootwijk en mr. M.K.A. Wijnbelt, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Voorts heeft mw. [naam 1] (van Slachtofferhulp Nederland), namens de benadeelde partij de vordering tot schadevergoeding nader toegelicht. Het onderzoek ter terechtzitting is op 26 augustus 2024 gesloten. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als Bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte, door te schieten op een auto, zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging moord op de bestuurder en aan een poging doodslag op diens dochter die als bijrijder in de auto zat. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officieren van justitie zijn van mening dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord op [slachtoffer 1] en aan een poging tot doodslag op [slachtoffer 2] . Dit volgt onder andere uit de chats, de hoeveelheid schoten en de uiterlijke verschijningsvorm. Verdachte moet [slachtoffer 2] ook hebben zien zitten. Voor het volledige standpunt verwijst de rechtbank naar het als bijlage aan dit vonnis gehechte requisitoir. Daarnaast hebben de officieren nog een visualisatie van de volgens hen relevante bewijsmiddelen gemaakt die is getoond ter terechtzitting. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Kortgezegd heeft de verdediging betoogd dat er geen sprake is van voorbedachte raad of (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] . Voor het volledige standpunt verwijst de rechtbank naar de als bijlage aan dit vonnis gehechte pleitnota. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van feit 1 en 2 Op 4 juni 2020 is [slachtoffer 1] beschoten terwijl hij vlak bij zijn woning in [plaats] zijn auto parkeerde. In deze auto zat op het moment van de beschieting ook zijn toen 9 jaar oude dochter [slachtoffer 2] . Uit het forensisch onderzoek en de foto’s van de auto volgt dat er minimaal een keer op de personenauto is geschoten met een vuurwapen. Er is een doorschot aangetroffen in het voorportier aan de bestuurderszijde. Ook is een deel van een mantel van de kogel bij de handgreep van het voorportier aangetroffen. Op basis van de aangetroffen kogelhuls kan worden vastgesteld dat er is geschoten met een 9mm pistool. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het dossier dat er via de applicatie SkyECC tussen verschillende personen is gecommuniceerd over een actie gericht tegen [slachtoffer 1] . Er werd gecommuniceerd in groepschats, maar ook tussen verschillende individuele personen. Hieruit heeft de rechtbank een communicatielijn gedestilleerd van de opdrachtgevers via de tussenpersoon naar de coördinatoren die vervolgens in contact stonden met de schutter, te weten verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij de schutter is geweest en dat hij dit in opdracht van anderen heeft gedaan. Verdachte maakte gebruik van een Sky-telefoon. Uit het dossier volgt dat verdachte de gebruiker was van het [sky-ID] . De vraag die ter beantwoording voorligt, is of er sprake is geweest van een poging tot moord/doodslag op [slachtoffer 1] en een poging tot doodslag op zijn dochter [slachtoffer 2] die als bijrijder in de auto zat. Wat was de opdracht? In de chats zijn door verschillende verdachten bewoordingen gebruikt waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat de actie erop was gericht om [slachtoffer 1] te doden. De rechtbank ziet echter ook dat er in de groepschats veelvuldig wordt gesproken over handelingen die uiteindelijk niet hebben plaats gevonden, zoals het opblazen van een hele straat of het achterlaten van ‘appels’ (de rechtbank begrijpt: handgranaten). De rechtbank heeft bij de beoordeling om die reden de inhoud van de berichten beoordeeld in het licht van de andere stukken in het dossier omtrent hetgeen zich op 4 juni 2020 heeft voorgedaan. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Uit de chats kan niet, althans niet eenduidig, worden afgeleid dat het de bedoeling was dat [slachtoffer 1] dodelijk zou worden getroffen. Weliswaar wordt in de [groepschat 1] op 17 mei 2020, drie weken voor de beschieting van [slachtoffer 1] , gesproken over dat hij door buik en benen moet worden geschoten. Hieruit volgt echter niet ondubbelzinnig dat het de bedoeling was om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Later, op 23 mei 2020, wordt door [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] bericht dat het been voor de kapper moet. Anders dan het Openbaar Ministerie is de rechtbank van oordeel dat dit erop lijkt te zien op dat eerst [slachtoffer 1] en daarna een kapperszaak moet worden beschoten. Uit het dossier volgt immers niet dat [slachtoffer 1] kapper werd genoemd. Hij werd aangeduid als ‘aap’, ‘die zwarte’ of met zijn [bijnaam] . Eerder, op 14 mei 2020, stuurt [medeverdachte 1] het bericht door van [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] met de tekst: “die man stuurt me aub geen slaap alleen been”. Het Openbaar Ministerie is van mening dat dit bericht niet ziet op [slachtoffer 1] , maar op de voorgenomen beschieting van [naam 2] bij de [adres] . De rechtbank is van oordeel dat dit niet zo duidelijk uit het dossier volgt. Naast de voornoemde chats zijn er ook nog andere berichten die een indicatie geven van de bedoeling van de beschieting. Zo heeft [medeverdachte 4] het erover dat [slachtoffer 1] een goede ziekenhuisopname verdient, hetgeen erop wijst dat hij niet dood zou moeten. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank ook worden afgeleid uit de communicatie na afloop van het schietincident. Uit de reacties in de [groepschat 2] ’, waaraan [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [naam 3] deelnamen, volgt dat men denkt dat [slachtoffer 1] nu de ‘message’ wel heeft begrepen en dat hij zijn lesje wel heeft gehad. Ook wordt er gezegd dat [slachtoffer 1] sowieso denkt dat het een ‘hit’ was en dat ze dat er ook van gaan maken zodat ze een hogere boete op kunnen leggen. Het feit dat [medeverdachte 4] tegenover [slachtoffer 1] wilde doen alsof het een hit was duidt erop dat dit het niet was. Ook volgt uit de chats niet dat er enige teleurstelling of onvrede was over de uitvoering van de schietpartij, iets wat wel valt te verwachten als de uitvoering of het resultaat niet conform de opdracht was geweest. In de chats is ook te zien dat dit bij andere incidenten wel het geval was. Verdachte heeft over zijn handelen verklaard dat hij de opdracht heeft gekregen om [slachtoffer 1] in zijn been te schieten en dat hij hiernaar ook heeft gehandeld door gericht naar beneden te schieten. Hieruit volgt dat het niet de bedoeling was om [slachtoffer 1] om het leven te brengen. De rechtbank kan gelet op het voorgaande niet vaststellen wat de exacte opdracht is geweest die [verdachte] heeft gekregen. Er kan in ieder geval niet worden vastgesteld dat de opdracht was om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Hiervoor bevinden zich te veel onduidelijkheden in het dossier. Poging moord Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het de bedoeling was (vol opzet) van de opdrachtgevers om [slachtoffer 1] om het leven te laten brengen. Ook uit de verklaring van verdachte zelf en uit de overige inhoud van het dossier volgt niet dat het de bedoeling was om [slachtoffer 1] van het leven te beroven, zodat verdachte van het medeplegen van poging moord zal worden vrijgesproken. Poging doodslag – voorwaardelijk opzet Voor een veroordeling ter zake van poging doodslag is vereist dat verdachte opzet het gehad op de dood van [slachtoffer 1] . Dit kan zowel in de zin van vol opzet als voorwaardelijk opzet. De rechtbank heeft al vastgesteld dat het niet de bedoeling was om [slachtoffer 1] om het leven te laten brengen. Van vol opzet op de dood was dan ook geen sprake. De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of er sprake is van voorwaardelijk opzet. Van voorwaardelijk opzet is sprake als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het intreden van een bepaald gevolg, in dit geval de dood. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, of anders gezegd om een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo'n kans is bovendien vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De rechtbank overweegt hierover als volgt. Schot(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.