RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/1829 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2024 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. A.T.P. Nefkens), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 februari 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 468.549. Tegelijk met de aanslag zijn een boetebeschikking van € 116.389 en een beschikking belastingrente van € 5.825 vastgesteld. 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 336.549. De boetebeschikking is verlaagd tot € 82.234 en de beschikking belastingrente tot € 4.115. 1.3. Belanghebbende is in beroep gegaan. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Vooraf en ambtshalve 2. Belanghebbende heeft verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling omdat hij zelf bij de zitting aanwezig wilde zijn. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen omdat het niet binnen een termijn van een week na de uitnodiging voor de zitting was gedaan. De rechtbank heeft ook achteraf geen reden gezien de zaak aan te houden. Ter zitting is komen vast te staan dat belanghebbende in het buitenland gedetineerd is en dat de gemachtigde geen idee heeft wanneer hij weer in Nederland zou kunnen zijn. Onder die omstandigheden dient naar het oordeel van de rechtbank voorrang te worden gegeven aan het belang van een vlotte rechtsgang. 2.1. Ter zitting is komen vast te staan dat de boete moet worden vernietigd. De rechtbank zal aldus beslissen. Feiten 3. Op 19 juli 2019 heeft de landelijke recherche van de politie in een loods op het [perceel] een productielaboratorium voor synthetische drugs aangetroffen. De loods was ingericht en gebruikt voor het op grote schaal vervaardigen van synthetische drugs. Uit camerabeelden bleek dat drie personen (verdachten) bij en in de loods zijn geweest, onder wie belanghebbende. In de loods zijn 66 emmers aangetroffen met restanten MDMA-HC1 kristallen en vervuilde aceton en 109 liter MDMA-olie, waarmee minimaal 109 kilogram MDMA.HC1 kristallen geproduceerd kan worden. 3.1. Belanghebbende is op 15 juli 2020 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf en een half jaar voor de productie van synthetische drugs in het aangetroffen laboratorium. 3.2. De inspecteur heeft belanghebbende voor 2019 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV. Belanghebbende heeft aangifte gedaan en daarin een inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking aangegeven van € 12.298. 3.3. Met dagtekening 22 januari 2021 heeft de inspecteur de voorlopige aanslag IB/PVV 2019 vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte. 3.4. Met dagtekening 3 april 2021 heeft de inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV 2019 vastgesteld. Het verzamelinkomen is vastgesteld op € 468.549 en bestaat uit: €12.298 inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking, € 462.000 resultaat uit overige werkzaamheden en € 5.749 saldo inkomsten- en aftrekposten eigen woning. 3.5. Het resultaat uit overige werkzaamheden zoals hiervoor onder 3.4. genoemd, is berekend op basis van ervaringsgegevens van de politie. De inspecteur is uitgegaan van 369,6 kilogram MDMA-HC1 kristallen, gebaseerd op de 66 aangetroffen emmers, een feitelijke productie van 1,4 kilogram MDMA-HC1 op 1 liter MDMA-base en een prijs per kilogram van € 1.250. Omdat door de drie verdachten niet is verklaard welke verdeelsleutel voor de winst is toegepast, is belanghebbende voor het gehele bedrag aangeslagen. 3.6. In de bezwaarfase heeft de inspecteur het resultaat uit overige werkzaamheden met € 132.000 verminderd tot een bedrag van € 330.000 waarbij is uitgegaan van een productie van 1 kilogram MDMA-HC1 op 1 liter MDMA-base. Het inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 336.549. Beoordeling door de rechtbank 4. De rechtbank beoordeelt of de aanslag te hoog is en of de belastingrentebeschikking terecht aan belanghebbende is gegeven. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 4.1. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag en de belastingrentebeschikking te hoog zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Motivering Het in aanmerking te nemen resultaat uit overige werkzaamheden 5. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de vereiste aangifte niet is gedaan en dat de bewijslast daarom moet worden omgekeerd en verzwaard. Hij acht het redelijk de hele winst van de drugs aan belanghebbende toe te rekenen omdat hij geen inzicht heeft in de verdeling tussen de verdachten. 5.1. Belanghebbende meent dat de inspecteur niet heeft bewezen dat belanghebbende niet de juiste aangifte heeft gedaan. Het aangegeven inkomen van € 12.298 sluit globaal aan bij de inkomens van de jaren 2016 tot en met 2018 zoals deze door de inspecteur zijn vastgesteld. Bij het drugslab waren meer personen betrokken en belanghebbende was niet de eigenaar van de drugs. Omdat belanghebbende ook strafrechtelijk is vervolgd, is omkering en verzwaring van de bewijslast niet gerechtvaardigd en niet proportioneel. Van een redelijke schatting is ook geen sprake, te meer omdat vaststaat dat ook aan een van de andere verdachten een aanslag is opgelegd wegens inkomsten uit dit drugslab. In die zaak heeft de rechtbank dat inkomen in goede justitie vastgesteld op € 75.000. Belanghebbende heeft bovendien overtuigend aangetoond dat de aanslag te hoog is, aldus belanghebbende. 5.2. De rechtbank zal eerst oordelen over de verdeling van de bewijslast. Die berust in beginsel bij de inspecteur. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur met al hetgeen hij heeft aangevoerd, aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in 2019 aanzienlijke inkomsten uit het drugslab heeft genoten. Het is immers onaannemelijk dat belanghebbende een strafrechtelijk risico zou willen lopen zoals hij heeft gedaan zonder dat daar een behoorlijke financiële beloning tegenover stond. De berekening van de inspecteur van de totale winst van het drugslab van € 330.000 in 2019 acht de rechtbank ook aannemelijk. Zelfs als belanghebbende gevolgd wordt in zijn betoog dat hij niet de eigenaar was van de drugs en dat er meer dan de drie verdachten bij het drugslab waren betrokken, acht de rechtbank aannemelijk dat het door belanghebbende in verband daarmee verdiende bedrag ten minste € 50.000 zal hebben bedragen. De daarover verschuldigde IB/PVV is zowel absoluut als relatief aanmerkelijk hoger dan uit de aangifte volgt. De rechtbank acht ook aannemelijk dat belanghebbende heeft beseft dat een dergelijk bedrag aan inkomsten in de aangifte IB/PVV 2019 vermeld had moeten worden. Dit alles leidt tot het oordeel dat niet de juiste aangifte is gedaan zodat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. 5.3. Daarvan uitgaande moet de rechtbank nog beoordelen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.