RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/148825-23 vonnis van de meervoudige kamer van 4 september 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] , raadsman mr. P. Susijn, advocaat te Tilburg. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 augustus 2024, waarbij de officier van justitie, mr. M.P. de Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 7 september 2020 tot en met 31 juli 2021, werkzaam in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] die zich als patiënt dan wel cliënt aan zijn zorg had toevertrouwd. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aan hem ten laste gelegde feit. De verklaringen van aangeefster zijn consistent. Verdachte heeft verklaard dat hij met aangeefster heeft gewandeld en dat zij seks hebben gehad. Hoewel er op dat moment formeel geen sprake meer was van een behandelrelatie, was wel sprake van een voortgezette behandelrelatie die door het handelen van verdachte zelf in stand werd gehouden. De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van rechtbank. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De aan verdachte verweten gedragingen, voor zover die kunnen worden vastgesteld, vallen niet onder het bereik van artikel 249, lid 2, onder 3° (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De seksuele handelingen hebben namelijk telkens plaatsgevonden nadat de behandelrelatie tussen verdachte en aangeefster feitelijk was beëindigd en hebben ook niet plaatsgevonden in het kader van een (materiële) voortzetting van de behandelrelatie. 4.3 Het oordeel van de rechtbank In zijn jurisprudentie met betrekking tot de reikwijdte van artikel 249, tweede lid, aanhef en onder 3, (oud) Sr, hebben seksuele handelingen binnen de relatie hulpverlener-patiënt/cliënt slechts dan geen ontuchtig karakter, wanneer die relatie bij de seksuele handelingen geen rol speelt, in die zin dat bij de patiënt of cliënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid niet van invloed is geweest. De afhankelijkheid moet worden gezien als een die direct voortvloeit uit de specifieke behandelrelatie. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat aangeefster en verdachte samen minimaal twee boswandelingen hebben gemaakt. Zowel aangeefster als verdachte hebben bij de politie verklaard dat zij tijdens (een) boswandeling(en) met elkaar hebben gezoend. Gelet op de aangetroffen berichten tussen verdachte en aangeefster, heeft een van die wandelingen op 5 oktober 2020 plaatsgevonden. Ook kan worden vastgesteld dat verdachte en aangeefster op 18 december 2020 in de woning van verdachte seks hebben gehad. Verdachte heeft dit ter zitting erkend. De vraag die de rechtbank eerst moet beantwoorden, is of sprake was van een behandel-relatie tussen verdachte en aangeefster op het moment dat de seksuele handelingen plaatsvonden. Uit het dossier blijkt dat aangeefster in de periode van 7 september 2020 tot en met 11 september 2020 opgenomen is geweest bij de GGZ-instelling waar verdachte op dat moment werkte. Verdachte heeft daar gewerkt tot zijn ontslag op 5 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.