RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-114345-24 vonnis van de meervoudige kamer van 10 september 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1936 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] raadsman mr. H. van Asselt, advocaat te Roosendaal 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 augustus 2024, waarbij de officier van justitie, mr. P.W.P. Emmen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij de heer [slachtoffer] is overleden. Dit is in twee varianten ten laste gelegd. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (hierna: WVW). 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de primair verweten overtreding van artikel 6 WVW. De verdediging refereert zich subsidiair aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van een bewezenverklaring van overtreding van artikel 5 WVW. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs Wat is er gebeurd? De rechtbank stelt de navolgende feiten en omstandigheden vast. Verdachte wilde op 24 juli 2023 zijn oprit verlaten om te parkeren in een parkeervak gelegen aan de ventweg voor zijn woning. Verdachte reed daarom met zijn auto achteruit de oprit af. Hierbij heeft verdachte eerst de regenpijp van zijn woning geraakt en daarna een gemetselde paal van de erfafscheiding in zijn voortuin. Verdachte is vervolgens in paniek geraakt en heeft daarbij in plaats van de rem het gaspedaal ingetrapt. De auto die door verdachte werd bestuurd is vervolgens verder achteruit gereden door een berm met beplanting heen en terechtgekomen op de naastgelegen fietsstraat. Tijdens deze rit achteruit is het voertuig met een bocht van rijrichting veranderd. Op de fietsstraat reed de fietser [slachtoffer] . Hij is geraakt door het voertuig dat door verdachte werd bestuurd. Verdachte is uiteindelijk even verderop tot stilstand gekomen na een botsing met een geparkeerd voertuig. [slachtoffer] is bij de aanrijding zwaar gewond geraakt en kort na het ongeval aan zijn verwondingen overleden. Wat moet de rechtbank toetsen? Primair wordt verdachte verweten dat hij heeft gehandeld in strijd met artikel 6 WVW. De rechtbank zal daarom moeten beoordelen of en in welke mate er sprake is van schuld van verdachte aan de aanrijding. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld zoals hiervoor bedoeld. Voor de beoordeling van de vraag of verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, moet de rechtbank op grond van het voornoemde toetsingskader vaststellen of de bewezen geachte feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan, en de overige omstandigheden, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Wat is het oordeel van de rechtbank? De verdediging heeft betoogd dat bovenstaande gedragingen door verdachte niet kunnen worden gekwalificeerd als het overtreden van artikel 6 WVW. Verdachte heeft namelijk maar één verkeersfout gemaakt door gas te geven in plaats van te remmen. De rechtbank ziet dit anders. Zij begrijpt dat verdachte aanvankelijk in paniek raakte toen hij de regenpijp en de gemetselde paal van de erfafscheiding raakte. Een kortdurende vergissing in die paniek is dan ook zeker voorstelbaar. Tegelijkertijd mag van de gemiddelde bestuurder worden verwacht dat hij een dergelijke vergissing direct herstelt en dat heeft verdachte niet gedaan. Uit de gebeurtenissen volgt namelijk dat verdachte niet slechts een enkele (fractie van een) seconde het gaspedaal heeft ingedrukt, maar dat hij het gaspedaal langere tijd ingedrukt heeft gehouden. Zo is verdachte (achteruit) de ventweg opgereden en heeft deze volledig overgestoken, is daarna dwars door de beplanting in de middenberm gereden en heeft vervolgens [slachtoffer] omvergereden. Het voertuig is pas tot stilstand gekomen na de aanrijding met het geparkeerde voertuig op een oprit aan de overkant van de straat. Tijdens deze manoeuvre is verdachte ook nog van rijrichting veranderd en heeft hij een bocht gemaakt. Uit deze omstandigheden blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet alleen dat verdachte per ongeluk gas heeft gegeven, maar ook dat hij gas is blijven geven en zijn auto niet tot stilstand heeft gebracht binnen de ruimte waarop de weg te overzien en vrij was. Dit alles is naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als een enkele kortdurende fout of een enkel moment van onoplettendheid. Verdachte heeft zijn vergissing niet direct hersteld, terwijl er gedurende de rit meerdere momenten zijn geweest om dit te doen. Hij heeft daarmee niet gehandeld zoals van een gemiddelde bestuurder mag worden verwacht. De rechtbank is van oordeel dat dit rijgedrag van verdachte aangemerkt kan worden als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Zij acht daarmee de overtreding van artikel 6 WVW wettig en overtuigend bewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 24 juli 2023 te [plaats] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [naam straat] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, zonder zich er voldoende van te vergewissen dat de weg achter hem, verdachte, vrij was en/of vrij zou blijven, zijn motorrijtuig niet tot stilstand te brengen binnen de ruimte waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, vanuit een oprit gelegen aan [woonadres] achteruit [naam straat] op te rijden, waarbij hij een regenpijp en enige erfafscheiding heeft geraakt, envervolgens, in plaats van te remmen/stoppen, gas te geven en te blijven geven endoor enige bosschages op de middenberm tussen de rijbaan en de fietsweg te rijden, enop de aldaar achter gelegen fietsweg in aanrijding te komen met een zich aldaar bevindende fietser envervolgens nog enige afstand door te blijven rijden en uiteindelijk tot stilstand te komen tegen een geparkeerd motorrijtuig op de oprit van woning [adres] , waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een geldboete van € 2.000,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.