RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02-127788-23 vonnis van de meervoudige kamer van 12 september 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ( [land] ), wonende te [woonadres] , raadsvrouw mr. S. Marjanovic, advocaat te ’s-Gravenhage. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 augustus 2024. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie, mr. J. Verschuren, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: zich op 21 mei 2023 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het voorbereiden of bevorderen van het invoeren, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van cocaïne;feit 2: op 21 mei 2023 samen met anderen wederrechtelijk heeft verbleven op het afgesloten terrein van [bedrijf] in de haven van Vlissingen en zich toegang heeft verschaft door middel van braak, inklimming of een valse sleutel. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de verlengde invoer van cocaïne zoals onder feit 1 ten laste is gelegd en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. Hieruit blijkt dat het opzet van de verdachten was gericht op de verlengde invoer van cocaïne en dat alle verdachten een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de voorbereiding hiervan, waardoor er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Ook feit 2, het medeplegen van het zich wederrechtelijk de toegang verschaffen tot het haventerrein, kan wettig en overtuigend worden bewezen gelet op de bewijsmiddelen in het dossier. Hieruit blijkt dat alle verdachten hun bijdrage hebben geleverd aan het toegang verschaffen tot het havengebied en de samenwerking erop was gericht om de uithalers op en van het haventerrein af te krijgen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1. Daartoe is aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat in de container uiteindelijk geen cocaïne is aangetroffen, omdat die cocaïne al in België in beslag is genomen. Van die partij zijn monsters genomen, maar de uitkomst van het onderzoek naar de bemonsteringen is niet bij de stukken gevoegd. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat de inbeslaggenomen partij in België daadwerkelijk cocaïne betrof, waardoor vrijspraak moet volgen. Daarnaast ontbreekt het bewijs voor opzet van verdachte op het (medeplegen van het) voorbereiden van de invoer van cocaïne. Verdachte was met een andere reden in de omgeving van het terrein en is zelf het terrein niet op geweest. Hij was slechts bijrijder en niet is gebleken dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van het paspoort van [medeverdachte 1] en het gereedschap in de auto. Verder kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de aangetroffen telefoon aan verdachte toebehoort. Reden hiervoor is dat de chain of custody wat betreft de inbeslagname van de telefoon niet controleerbaar is. Mocht de rechtbank wel tot de conclusie komen dat de telefoon en het telefoonnummer van verdachte zijn, dan kan niet worden vastgesteld dat hij degene is geweest die de chatgesprekken heeft gevoerd. Ook kan niet uit de inhoud van de aangetroffen chatgesprekken worden afgeleid dat hij wist of had moeten weten dat het zou gaan om cocaïne. Mocht de rechtbank wel tot de conclusie komen dat verdachte op enige wijze op de hoogte en/of betrokken was, dan zouden zijn handelingen slechts ondersteunend zijn geweest en kan dit niet als medeplegen worden gekwalificeerd. Ten aanzien van feit 2 moet verdachte eveneens worden vrijgesproken, omdat verdachte niet op het haventerrein aanwezig is geweest. Ook is er onvoldoende bewijs dat er sprake was van medeplegen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feiten en omstandigheden Op grond van de bewijsmiddelen en de overige stukken in het dossier stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. De politie ontvangt op 21 mei 2023 omstreeks 01.30 uur een melding van insluipers op het terrein van [bedrijf] te [plaats] . Enige tijd na de melding worden medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden. Zij zijn door een verbalisant gezien op het terrein, waar zij - om te ontkomen aan de politie - over het hekwerk zijn geklommen. Op de plaats op het terrein waar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] over het hek zijn geklommen wordt een dopsleutel met een dop erop aangetroffen en op de plaats waar de verbalisant [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft zien wegrennen zijn twee zwarte sporttassen aangetroffen. In één van die tassen zaten vijf doppen. [medeverdachte 4] is omstreeks 01.45 uur nabij het terrein aangehouden. Hij stond op dat moment bij zijn auto, een Volkswagen Golf met [kenteken 1] . In zijn auto is verschillend gereedschap en een verpakking van een set dopsleutels aangetroffen. Vlak voor de melding werd bij het havengebied een auto, een Volkwagen Polo met [kenteken 2] , gecontroleerd. Bestuurder hiervan was [medeverdachte 3] , de bijrijder was verdachte. De auto kwam uit de richting van het havengebied rijden. In de auto werd het paspoort van [medeverdachte 1] aangetroffen. Ook blijkt de auto op naam te staan van de vader van [medeverdachte 1] . De auto mocht doorrijden, maar nadat [medeverdachte 1] is aangehouden is besloten om [medeverdachte 3] en verdachte alsnog aan te houden. Zij zijn uiteindelijk in Rotterdam aangehouden. In het voertuig zijn een telefoon, een boor, een dremel en een handzaag aangetroffen. Onder alle verdachten zijn tijdens de fouillering telefoons aangetroffen. Over de chain of custody met betrekking tot de inbeslaggenomen telefoon bij verdachte overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat de telefoon bij de aanhouding onder hem in beslag is genomen. De rechtbank ziet dan ook geen onregelmatigheden in de chain of custody. De rechtbank ziet op basis van het dossier evenmin aanleiding om te twijfelen dat verdachte zowel de eigenaar als de gebruiker was van de telefoon, nu hij deze onder zich had ten tijde van de aanhouding en uit het dossier niet blijkt dat een ander de telefoon onder zich heeft gehad en ook daadwerkelijk heeft gebruikt. Het verweer van de verdediging met betrekking tot de telefoon van verdachte wordt dan ook verworpen. Op de telefoons van [medeverdachte 1] en verdachte zijn (groeps)gesprekken aangetroffen die zien op de uithaalactie die avond. Anders dan de verdediging is de inhoud van die berichten naar het oordeel van de rechtbank niet anders te lezen dan dat het gaat om de uithaalactie van die avond. Eén van de groepsgesprekken is opgestart door verdachte. In dat groepsgesprek en in een afzonderlijk chatgesprek met [medeverdachte 1] geeft hij [medeverdachte 1] instructies over waar hij moet zijn en wat hij moet doen. Ook blijkt hieruit dat [medeverdachte 1] zijn livelocatie moet delen, zodat hij gevolgd kon worden. Het verband tussen de verdachten onderling De rechtbank stelt vast dat de verdachten die avond gezamenlijk zijn opgetrokken en kent in dat verband veel gewicht toe aan de verklaring van [medeverdachte 1] . Niet alleen heeft [medeverdachte 1] zichzelf in zijn verklaring belast, maar zijn gedetailleerde verklaring wordt ook ondersteund door ander bevindingen uit het dossier. De rechtbank acht zijn verklaring daarom betrouwbaar en zal deze dan ook als uitgangspunt bij haar beoordeling gebruiken. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij die avond door iemand met de auto is opgehaald. De andere jongen waarmee hij was (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ) is later ingestapt. Zij hadden die avond het doel om verdovende middelen uit de container te halen en zij zijn om die reden door de chauffeur (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 4] ) naar het haventerrein gebracht. Tijdens het rijden werd er tussen de drie verdachten overleg gevoerd, waarbij [medeverdachte 4] informatie ontving en aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] liet weten bij welke container zij moesten zijn. Eenmaal op het haventerrein aangekomen zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] richting het afgesloten terrein gerend en is [medeverdachte 4] op hen blijven wachten. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hadden twee sporttassen en meerdere dopsleutels bij zich om de container mee open te maken. De tassen en het gereedschap lagen al klaar in de auto op het moment dat [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 4] instapte. De rechtbank acht de verklaring van [medeverdachte 4] dat hij niet wist met welk doel hij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar het haventerrein moest brengen en geen wetenschap had van het gereedschap en de overige voorwerpen in de auto, gelet op het voorgaande, ongeloofwaardig. De rechtbank stelt verder vast dat er contact werd gehouden tussen de twee groepen verdachten. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn nadat zij bij [medeverdachte 4] zijn uitgestapt over het hek geklommen en op zoek gegaan naar de container, waarbij [medeverdachte 1] telefonisch instructies kreeg en live gevolgd werd door onder andere verdachte. De rechtbank heeft hiervoor reeds geoordeeld dat verdachte de gebruiker was van de onder hem in beslag genomen telefoon en acht zijn verklaring dat hij niet bij de uithaalactie betrokken is geweest en om een andere reden die avond aanwezig was nabij het terrein van [bedrijf] , daarom ongeloofwaardig. [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat er die avond nog een persoon aanwezig was die de wacht zou houden. Hier had hij ook contact mee. Volgens hem is dit de persoon waar zijn paspoort is gevonden en waaraan hij de sleutels van de auto van zijn vader heeft gegeven. [medeverdachte 1] noemt die persoon [naam] (fonetisch). De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat [medeverdachte 1] hiermee [medeverdachte 3] bedoelt, gelet op de gelijkenis met zijn voornaam en omdat [medeverdachte 3] zelf verklaart dat hij in de auto van de vader van [medeverdachte 1] reed en hij die sleutels van [medeverdachte 1] had gekregen. Zij acht de verklaring van [medeverdachte 3] dat hij niets afwist van wat er ging gebeuren die avond, daarom ongeloofwaardig. Daarbij weegt de rechtbank mee dat hij zich in de auto bevond met verdachte, die in constant contact stond met de andere verdachten. De rechtbank stelt gelet hierop vast dat [medeverdachte 3] en verdachte die avond nabij het terrein van [bedrijf] aanwezig waren om de wacht te houden, waarbij verdachte een coördinerende rol had door instructies te geven aan de verdachten die zich op het terrein bevonden, terwijl [medeverdachte 3] achter het stuur zat. Voorbereidingshandelingen? Uit het voorgaande volgt dat verdachte samen met de medeverdachten voorwerpen en vervoersmiddelen voorhanden heeft gehad en dat zij verdeeld over twee groepen naar het haventerrein in [plaats] zijn gereden, met als doel drugs uit een container te halen en deze vervolgens verder te vervoeren in (één van) de auto’s waarmee verdachte en de medeverdachten naar het terrein zijn gereden. Voor een bewezenverklaring op basis van artikel 10a van de Opiumwet moet komen vast te staan dat de verdachte heeft gehandeld met het opzet om de invoer van harddrugs voor te bereiden en/of te bevorderen. Daarvoor is noodzakelijk dat sprake is van een concreet verband met verdovende middelen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan gebleken, nu een specifieke container in verband kan worden gebracht met cocaïne. Op de telefoon die onder verdachte in beslag is genomen, is namelijk een video aangetroffen waarop de container met [nummer] is zien. Uit informatie van de Belgische autoriteiten is gebleken dat er op 14 mei 2023 - dus enkele dagen voor de ten laste gelegde feiten - een hoeveelheid van 46,4 kilogram cocaïne is aangetroffen in deze container. Dat niet kan worden vastgesteld dat het daadwerkelijk cocaïne betrof omdat de uitslag van het onderzoek van de bemonsteringen ontbreekt, doet hier niet aan af. Ongeacht of de invoer van cocaïne geslaagd is, is voor de kwalificatie van artikel 10a van de Opiumwet van belang dat het opzet van degene die de voorbereidingshandelingen pleegt erop is gericht om handelen in strijd met artikel 2 van de Opiumwet mogelijk te maken en dat hij aan die intentie uiting heeft gegeven door voorbereidingshandelingen (als bedoeld in artikel 10a van Opiumwet) te verrichten. Uit voornoemde omstandigheden blijkt voldoende wat de intentie van de verdachten was en dat de handelingen van verdachten het doel hadden het invoeren van de reeds inbeslaggenomen partij cocaïne, waarmee de criminele intentie gegeven is. Naar het oordeel van de rechtbank kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat verdachte en de medeverdachten op of nabij het haventerrein aanwezig waren als uithalers van cocaïne en dat de meegebrachte voorwerpen en de auto’s daarmee bestemd waren om cocaïne uit de betreffende container te halen en te vervoeren. Opzet? De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging over het ontbreken van opzet bij verdachte om drugsinvoer voor te bereiden of te bevorderen. Het uithalen van cocaïne uit containers op een haventerrein maakt deel uit van het complexe logistieke proces van een miljoenentransport van verdovende middelen, waarbij aannemelijk is dat dit van tevoren nauwkeurig is gepland en gecoördineerd. Verdachte is midden in de nacht, samen met [medeverdachte 3] , met gereedschap naar het haventerrein gereden, om aldaar de wacht te houden terwijl er cocaïne uit een container werd gehaald. Ondertussen hield hij contact met de verdachten uit de andere groep en gaf hij instructies aan de verdachten die zich op het terrein bevonden. Daaruit blijkt dat verdachte wetenschap had van het specifieke doel - namelijk het uithalen van cocaïne uit een container - en dat hij het gereedschap en de overige voorwerpen voorhanden heeft gehad met dat doel. Nauwe en bewuste samenwerking? De rechtbank is van oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking nu verdachte en de medeverdachten de voorwerpen en de auto’s samen voorhanden hebben gehad en daarmee een gezamenlijk doel hadden, namelijk het uithalen van cocaïne uit een container op het haventerrein. De rol van verdachte kan als die van medepleger worden gekwalificeerd. De rechtbank overweegt daartoe dat de nauwe en bewuste samenwerking niet ziet op een voltooid Opiumwetdelict, zoals het daadwerkelijk uithalen van de cocaïne, maar slechts op de voorbereidingshandelingen daartoe. Het gaat er dus om of er tussen verdachte en de medeverdachten sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het voorhanden hebben van voorwerpen en de auto’s terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die voorwerpen bestemd waren tot het plegen van het feit. Uit de hiervoor beschreven gang van zaken en onderlinge rolverdeling blijkt dat verdachte en de medeverdachten deze voorwerpen samen voorhanden hebben gehad met als doel het uithalen van cocaïne in een container op het haventerrein. Zij wisten allen waartoe de voorwerpen bestemd waren. Daarmee is dus sprake van een nauwe en bewuste samenwerking. Is er sprake van (voorbereiding van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.