RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg Zaaknummer: C/02/418857 FA RK 24-579 Tussenbeschikking d.d. 11 september 2024 in de zaak van [de vrouw] , verblijvende op een geheim adres in de [gemeente] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. A.A, Broekman-de Feijter te Terneuzen, en [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. A.J.C. van Bemmel te Rotterdam. 1. Het procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 6 februari 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het op 25 april 2024 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen; - het op 25 juni 2024 ontvangen verweerschrift op zelfstandige verzoeken tevens houdende aanvullende verzoeken met bijlagen; - de op 20 augustus 2024 door mr. Broekman-de Feijter ingediende akte wijziging verzoeken; - de brief d.d. 26 augustus 2024 van mr. Van Bemmel met daarbij een ouderschapsplan; - het F9-formulier d.d. 26 augustus 2024 van mr. Broekman-de Feijter; - het F9-formulier d.d. 26 augustus 2024 van mr. Van Bemmel. 1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 27 augustus 2024 en had uitsluitend betrekking op de ontbrekende stukken of informatie en de wens van de vrouw om een spoedige doorverwijzing naar het UHA-traject voor hulpverlening ten aanzien van de minderjarigen. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw en haar advocaat en de man. Mr. Van Bemmel is aanwezig door middel van een Microsoft Teams-verbinding. 2De feiten 2.1. Partijen, Nederlanders, zijn op [datum 1] 2016 te [plaats] met elkaar gehuwd. 2.2. Uit hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige, kinderen geboren: 1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2017 te [geboorteplaats] ; 2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2020 te [geboorteplaats] ; 3. [minderjarige 3] geboren, op [geboortedag 3] 2023 te [geboorteplaats] . 2.3. De minderjarigen verblijven sinds begin oktober 2023 met de vrouw in de veilige opvang. 3De verzoeken 3.1. De vrouw verzoekt na wijziging thans, samengevat, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. - primair: de scheiding van tafel en bed uit te spreken; - subsidiair: de echtscheiding uit te spreken; II. de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen vast te stellen volgens punt 15-20 van haar verweerschrift van 25 juni 2024; III. - primair: het door partijen nog te ondertekenen ouderschapsplan aan de beschikking te hechten en te bepalen dat de bepalingen uit het ouderschapsplan deel uitmaken van de te geven beschikking; - subsidiair: in het geval partijen niet tot een ouderschapsplan kunnen komen: a. te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben; b. een zorgregeling vast te stellen tussen de man en de minderjarigen inhoudende dat de minderjarigen één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag 16 uur tot zondag 17 uur alsmede de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg vast te stellen bij de man zullen verblijven, waarbij totdat [minderjarige 3] twee jaar wordt voor haar zal gelden dat zij op zaterdag en zondag van 9.30 uur tot 17.00 uur alsmede een aantal dagen tijdens de vakanties en feestdagen bij de man verblijft zonder overnachting; c. de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 191,= per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. 3.2. Zij vraagt de zelfstandige verzoeken van de man ter zake de zorgregeling en de verdeling van de gemeenschap af te wijzen. 3.3. De man verzoekt, samengevat, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - het verzoek tot echtscheiding af te wijzen; voor zover de rechtbank dat verzoek toewijst: het verzoek ten aanzien van het ouderschapsplan toe te wijzen indien partijen tot een getekend ouderschapsplan komen en anders dit af te wijzen; het verzoek van de vrouw ten aanzien van het hoofdverblijf van de minderjarigen toe te wijzen; een kinderbijdrage van € 190,= per minderjarige per maand vast te stellen met ingang van de datum van de beschikking. bij wege van voorwaardelijk zelfstandige verzoeken: - een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen eens per veertien dagen het weekend bij de man verblijven van vrijdagmiddag tot zondagavond en tevens in een vier wekelijkse cyclus de laatste week bij vader, alsook de helft van alle vakanties en feestdagen; - de verdeling van de ontbonden gemeenschap vast stellen overeenkomstig de randnummers 27-36 van zijn verweerschrift. 4De beoordeling 4.1. De vrouw verzoekt primair de scheiding van tafel en bed uit te spreken en subsidiair de echtscheiding. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. 4.2. Op grond van artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot scheiding van tafel en bed een door beide ouders gedragen ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu dat door beide ouders gedragen ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot scheiding van tafel en bed, heeft de rechtbank bij het ontbreken daarvan de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot scheiding van tafel en bed niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv). Door partijen is weliswaar een ouderschapsplan, door hen op 26 augustus 2024 ondertekend, overgelegd, maar daarin zijn over een aantal wezenlijke punten slechts voorlopige afspraken vastgelegd, die gelden totdat de rechtbank op de verzoeken van partijen heeft beslist. Aldus is voor de situatie na scheiding niet een voldoende door beide partijen gedragen ouderschapsplan overgelegd. 4.3. Tijdens de mondelinge behandeling is aannemelijk geworden dat van partijen niet kan worden verlangd dat op dit moment of binnen afzienbare tijd een door hen beiden volledig gedragen ouderschapsplan wordt overgelegd. De rechtbank zal daarom de vrouw ontvangen in haar verzoek tot scheiding van tafel en bed, subsidiair echtscheiding. Overigens is door de vrouw ter zitting nog naar voren gebracht dat zij wenst dat partijen met hulpverlening nog tot een volledig ouderschapsplan te komen. Indien partijen daarin slagen kunnen zij dat ouderschapsplan te zijner tijd alsnog bij de rechtbank indienen. 4.4. Er is sprake van een moeizame communicatie tussen partijen en ook dat het ontbreekt aan vertrouwen in elkaar. Voorts heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling aangegeven zorgen te hebben over wat er speelt bij de oudste minderjarige. De rechtbank vindt het met partijen nodig dat voor partijen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarig(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.