RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/182098-23 vonnis van de meervoudige kamer van 8 februari 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats] gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Dordrecht raadsman mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 januari 2024, waarbij de officier van justitie, mr. P. Kuipers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan twee insluipingen, een poging tot een gekwalificeerde diefstal en het pinnen met een gestolen pinpas. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle feiten heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte en de aangiftes. Dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan enige geweldshandelingen bij feit 1, acht de officier van justitie eveneens bewezen, omdat hij ervan uitgaat dat aangeefster de deurklink vasthad en verdachte vervolgens haar hand of pols heeft vastgepakt om de weg naar buiten mogelijk te maken. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de geweldscomponent van feit 1 en wijst er daarbij op dat aangeefster na afloop geen letsel had, terwijl algemeen bekend is dat oudere mensen gemakkelijk letsel oplopen na een val of stomp. Voor het overige ten laste gelegde onder feit 1 en de andere drie feiten voert de verdediging geen bewijsverweer, gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter zitting. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen Feit 1 Aangezien verdachte ten aanzien van feit 1 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 25 januari 2024; - het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] (pagina 18 van het eindproces-verbaal met nummer PL2000-2023185871); - het proces-verbaal van bevindingen (pagina 31 van het eindproces-verbaal) De rechtbank acht, anders dan de verdediging, eveneens bewezen dat verdachte de hand of pols van [aangever 1] heeft vastgepakt toen zij de deurklink vasthad en haar een stomp tegen haar schouder heeft gegeven waardoor ze tegen een deur is gevallen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van wat aangeefster heeft verklaard. Verdachte heeft verklaard dat hij op het moment dat hij door aangeefster betrapt werd, snel de woning wilde verlaten. Dat hij daarbij de hand of pols van aangeefster heeft gepakt om zo de deurklink te kunnen gebruiken om de deur verder te openen, komt de rechtbank aannemelijk voor. Uit de verklaring van aangeefster een dag na het incident blijkt bovendien dat zij nog pijn had aan haar rechterhand en -pols. Feit 2 Aangezien verdachte ten aanzien van feit 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 25 januari 2024; - het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] (pagina 81-82 van het eindproces-verbaal); Feit 3 Aangezien verdachte ten aanzien van feit 3 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 25 januari 2024; - het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] (pagina 81-82 van het eindproces-verbaal); - het proces-verbaal van bevindingen (pagina 98-99 van het eindproces-verbaal) - het proces-verbaal van bevindingen (pagina 84-85 van het eindproces-verbaal) Feit 4 Aangezien verdachte ten aanzien van feit 4 eveneens een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 25 januari 2024; - het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] (pagina 100 van het eindproces-verbaal); 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1 op 20 juli 2023 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een geldbedrag en/of sieraden vanuit een kamer gelegen in [verzorgingshuis] in elk geval enig goed, dat/die aan [aangever 1] , toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen volgen van geweld tegen [aangever 1] , te plegen met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, die [aangever 1] haar hand en/of pols heeft vastgepakt en een stomp tegen haar schouder heeft gegeven waardoor ze tegen een deur ten val kwam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2 in de periode van 11 september 2022 tot en met 14 september 2022 te Goes, in een woning gelegen aan de [straat 1] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een tas (inhoudende medicijnen en een (kleine) portemonnee met munten en een portemonnee en een wit kunstlederen etui en een medische kaart en foto's), die aan [aangever 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 3 op of omstreeks 14 september 2022 te Goes en Bergen op Zoom geldbedragen (van € 500,-- en € 500,--), die aan [aangever 2] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van een pinpas en van een bijbehorende pincode, toebehorende aan voornoemde [aangever 2] ; 4 op 16 februari 2023 te Goes, in een woning, gelegen aan de [straat 2] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een geldbedrag van € 3,50, dat aan [aangever 3] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen en gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met een proeftijd van twee jaar. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf, nu niet kan worden bewezen dat er geweld is gebruikt door verdachte bij feit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.