RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg Zaaknummer: C/02/424679 / FA RK 24-3277 beschikking d.d. 18 oktober 2024 in de zaak van de gemeente Bergen op Zoom, hierna te noemen de gemeente, te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van de ISD Brabantse Wal te Bergen op Zoom, gemachtigde: [naam] , tegen [de man] , wonende te [woonadres] , hierna te noemen de man. 1Het procesverloop De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: - het op 17 juli 2024 ingekomen verzoekschrift tot verhaal, met bijlagen; - de op 25 juli 2024 door de griffier aan de man verzonden brief. 2De feiten 2.
- De man en mevrouw [de vrouw] (hierna: de vrouw) zijn de ouders van de navolgende, thans nog minderjarige, kinderen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2019; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2]
- 2.
- De man heeft de minderjarigen erkend. 2.
- De man en de vrouw hebben de Eritrese nationaliteit. 2.4 De gemeente verstrekt (met terugwerkende kracht) sinds 31 december 2019 aan de vrouw een uitkering op grond van de Participatiewet. Deze uitkering strekt mede ten behoeve van de bij haar verblijvende minderjarigen. 2.4 Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 26 mei 2021 is het verhaalsbedrag dat de man in zijn hoedanigheid van onderhoudsplichtige jegens voornoemde [minderjarige 1] dient te betalen ter zake van reeds gemaakte kosten van bijstand over het tijdvak 1 augustus 2020 tot en met 31 december 2020 vastgesteld op € 125,
- Verder is het verhaalsbedrag dat de man in zijn hoedanigheid van onderhoudsplichtige jegens voornoemde minderjarige met ingang van 1 januari 2021 aan de gemeente dient te betalen vastgesteld op € 25,00 per maand, zolang de bijstandsverlening aan de vrouw en [minderjarige 1] voortduurt. 2.5 Mede gelet op de geboorte van [minderjarige 2] op [geboortedag 2] 2022 heeft de gemeente in het kader van een heronderzoek bij brieven van 2 maart 2022 en 23 april 2024 de man aangeschreven en hem verzocht inlichtingen omtrent zijn financiële omstandigheden te verstrekken. Aan beide verzoeken heeft de man gevolg gegeven. 2.6 Bij beschikking van 11 juni 2024 heeft de gemeente gelet op de door de man verstrekte gegevens het verhaalsbedrag vastgesteld op € 175,00 per maand voor beide minderjarige kinderen, zulks met ingang van 1 mei
- 2.7 De man heeft de door de gemeente vastgestelde verhaalsbijdrage niet aan haar voldaan, waardoor een achterstand is ontstaan. 3De beoordeling 3.1 De gemeente verzoekt het door de man ten behoeve van zijn minderjarige kinderen verschuldigde (achterstallige) verhaalsbedrag voor de periode tot en met 30 april 2024 vast te stellen op een bedrag van € 644,16 en met ingang van 1 mei 2024 vast te stellen op een bedrag van € 175,00 per maand, zolang de bijstandsverlening aan de vrouw en de minderjarigen voortduurt. 3.2 De rechtbank begrijpt het verzoek aldus dat wordt verzocht om het bij voornoemde beschikking van 26 mei 2021 vastgestelde verhaalsbedrag (van € 25,00 per maand) te wijzigen. 3.3 De man heeft, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, geen verweerschrift ingediend. 3.4 De rechtbank overweegt als volgt. De man is als ouder op grond van artikel 1:392 van het Burgerlijk Wetboek onderhoudsplichtig ten opzichte van zijn minderjarige kinderen. Ingevolge artikel 62 van de Participatiewet kunnen kosten van bijstand worden verhaald tot de grens van de onderhoudsplicht, bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt. Nu sinds 31 december 2019 bijstand wordt verleend aan de vrouw, mede ten behoeve van de minderjarigen voor wie de man onderhoudsplichtig is, heeft de gemeente kosten van bijstand gemaakt die voor verhaal in aanmerking komen. 3.5 Het verzochte zal, omdat het op de wet is gebaseerd en de man geen verweer heeft gevoerd, als onweersproken op onderstaande wijze worden toegewezen. 4De beslissing De rechtbank: wijzigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 26 mei 2021 ten aanzien van het verhaalsbedrag als volgt: stelt het verhaalsbedrag dat de man in zijn hoedanigheid van onderhoudsplichtige jegens de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2019, en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2022, dient te betalen ter zake van reeds gemaakte kosten van bijstand over de periode tot en met 30 april 2024 vast op € 644,16; stelt het verhaalsbedrag dat de man in zijn hoedanigheid van onderhoudsplichtige jegens voornoemde minderjarigen met ingang van 1 mei 2024 aan de gemeente dient te betalen vast op € 175,00 per maand, zolang de bijstandsverlening aan de vrouw en de minderjarigen voortduurt. Deze beschikking is gegeven door mr. Holierhoek, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2024, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier. Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt..