RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 23/9692 en 23/9693 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 oktober 2024 in de zaken tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 7 augustus 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.513 waarbij gelijktijdig € 3 belastingrente in rekening is gebracht (de belastingrentebeschikking). 1.2. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 70.384. 1.3. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende gedeeltelijk gegrond verklaard. De inspecteur heeft het bedrag aan toegekende arbeidskorting voor het jaar 2019 verhoogd tot € 1.173 en voor het jaar 2020 tot € 1.499. Ook is de in rekening gebrachte belastingrente voor het jaar 2019 verminderd tot € 1. 1.4. De rechtbank heeft de beroepen op 12 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2]. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt eerst of de beroepen van belanghebbende ontvankelijk zijn. Indien de beroepen ontvankelijk zijn, is in geschil of de door belanghebbende in de onderhavige jaren ontvangen kostenvergoedingen kwalificeren als vrijgesteld inkomen van een internationale organisatie. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beroepen niet-ontvankelijk, omdat de inspecteur wat betreft de hoogte van de aanslagen IB/PVV en de belastingrentebeschikking volledig aan de bezwaren van belanghebbende tegemoet is gekomen en belanghebbende daardoor geen procesbelang heeft bij de ingestelde beroepen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende was in 2019 en 2020 in dienst bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie (V&J) en werkzaam bij het College van beroep voor het bedrijfsleven. 3.1. Belanghebbende is van 1 oktober 2019 tot 1 oktober 2021 als zogenoemd “gedetacheerd nationaal deskundige” door zijn werkgever gedetacheerd bij de Directie Onderzoek en Documentatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ). 3.2. Gedurende de detachering heeft belanghebbende, naast zijn salaris van V&J, recht op een forfaitaire verblijfskostenvergoeding (de kostenvergoeding). Belanghebbende heeft in 2019 een kostenvergoeding van € 13.301 en in 2020 van € 54.412 ontvangen. De kostenvergoedingen zijn rechtstreeks door het HvJ aan belanghebbende betaald. 3.3. Belanghebbende heeft in zijn aangifte voor het jaar 2019 een belastbaar inkomen verantwoord van € 68.513. In het belastbaar inkomen is een bedrag van € 71.163 aan belaste arbeidsinkomsten begrepen. Daarnaast heeft belanghebbende de kostenvergoeding aangegeven als vrijgesteld inkomen van een functionaris van een internationale organisatie. Het aangegeven arbeidsinkomen bedraagt derhalve € 84.464 (€ 71.163 + € 13.301). 3.4. Belanghebbende heeft in zijn aangifte voor het jaar 2020 een belastbaar inkomen verantwoord van € 70.384. In het belastbaar inkomen is een bedrag van € 73.634 aan belaste arbeidsinkomsten begrepen. De kostenvergoeding is, net als in 2019, als vrijgesteld inkomen in de aangifte opgenomen. In totaal bedraagt het arbeidsinkomen € 128.046 (€ 73.634 + € 54.412). 3.5. Bij de vaststelling van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 met dagtekening 9 december 2022 heeft de inspecteur de aangifte gevolgd. Daarbij is de kostenvergoeding in aanmerking genomen in de grondslag voor de berekening van de arbeidskorting. Dientengevolge is een arbeidskorting van € 375 in aanmerking genomen. 3.6. Met dagtekening 18 april 2023 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 overeenkomstig de aangifte vastgesteld. Gelet op de hoogte van het aangegeven arbeidsinkomen (inclusief de kostenvergoeding) is daarbij geen arbeidskorting toegekend. 3.7. De inspecteur heeft de bezwaarschriften van belanghebbende voor de jaren 2019 en 2020 ontvangen op respectievelijk 17 januari 2023 en 15 mei 2023. Belanghebbende heeft daarin gesteld dat de kostenvergoedingen kwalificeren als “vrijgesteld inkomen van een internationale organisatie” en daarom van nationale belastingen zijn vrijgesteld en dat om die reden daarmee geen rekening mag worden gehouden bij de berekening van de arbeidskorting. 3.8. Met dagtekening 7 augustus 2023 heeft de inspecteur uitspraken op bezwaar voor de onderhavige jaren gedaan. De inspecteur is daarbij tegemoetgekomen aan de bezwaren van belanghebbende in die zin dat hij de kostenvergoedingen buiten beschouwing heeft gelaten voor de berekening van de arbeidskorting. Hij heeft daarbij aangegeven dat de kostenvergoedingen zijn te kwalificeren als (in beginsel belast) loon van derden dat (al dan niet als vrije vergoeding) in aanmerking (moet) zijn genomen door V&J bij het vaststellen van het loon en dat de kostenvergoedingen daarom niet nogmaals in de aangiften IB/PVV hoeven te worden verantwoord. Dientengevolge is het arbeidsinkomen voor het jaar 2019 vastgesteld op € 71.163 en de arbeidskorting berekend op € 1.173. Voor het jaar 2020 is de arbeidskorting berekend over een arbeidsinkomen van € 73.634 en vastgesteld op € 1.499. Overwegingen 4. In geschil is het antwoord op de volgende vragen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.