RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 22/5130 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 oktober 2024 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar. Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van belanghebbende om een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten. Belanghebbende heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van de heffingsambtenaar van 26 september
- Hij heeft het beroep ingetrokken omdat de heffingsambtenaar het besluit heeft herzien. 1.
- De rechtbank heeft de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De heffingsambtenaar heeft de rechtbank meegedeeld dat hij akkoord gaat met het vergoeden van de gemaakte proceskosten, het door belanghebbende betaalde griffierecht en de wettelijke rente daarover. 1.
- De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. Beoordeling door de rechtbank
- Belanghebbende heeft het beroep ingetrokken en verzocht om een proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsprocedure. De heffingsambtenaar heeft aangegeven akkoord te zijn met het vergoeden hiervan. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te beslissen en wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Belanghebbende krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. Welk bedrag aan proceskosten moet de heffingsambtenaar aan belanghebbende vergoeden?
- De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 624,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875,-. Belanghebbende heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend en een beroepschrift ingediend. De rechtbank past een wegingsfactor van 0,5 toe. Het gaat om een naheffingsaanslag parkeerbelasting met een (voor die zaken) gemiddeld belang en complexiteit. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 749,
- Krijgt belanghebbende een vergoeding van het griffierecht?
- De rechtbank wijst erop dat de heffingsambtenaar verplicht is het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden.Belanghebbende moet zich hiervoor dan ook tot de heffingsambtenaar wenden. Wanneer heeft belanghebbende recht op vergoeding van wettelijke rente?
- Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van rente, naar de rechtbank begrijpt niet alleen ter zake van het griffierecht, maar ook in verband met de proceskostenvergoeding. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat beslist is dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht en/of de proceskostenvergoeding niet aan belanghebbende wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak. Beslissing De rechtbank: - veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 749,50 aan proceskosten aan belanghebbende; - beslist dat, voor zover de proceskostenvergoeding en/of de vergoeding van het griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 25 oktober 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier, De rechter, Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist. Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb. Vgl. Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.