RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02/135155-23 Vonnis van de meervoudige kamer van 29 oktober 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres 1] ,verblijfsadres: [adres 2] , raadsvrouw mr. M. Akça-Altun, advocaat te Breda. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 oktober 2024, waarbij de officier van justitie mr. I. Klein en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 1 juni 2023 in [plaats] zijn moeder, [aangeefster] (hierna: aangeefster), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door haar meerdere keren met gebalde vuist in het gezicht en op het hoofd te slaan en haar meerdere keren tegen het lichaam te trappen. Dit is primair ten laste gelegd als zware mishandeling, subsidiair als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als eenvoudige mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat met betrekking tot het primair en subsidiair ten laste gelegde niet kan worden bewezen dat verdachte vanwege zijn ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling opzettelijk heeft gehandeld. Verder is betoogd dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel, nu uit het dossier niet is gebleken dat een operatie noodzakelijk was. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs De rechtbank leidt uit voorgaande bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - af dat verdachte op 1 juni 2023 aangeefster in haar woning in [plaats] meermalen met kracht met gebalde vuist, met aan zijn middelvinger een zegelring, in het gezicht en tegen het hoofd heeft geslagen en dat hij haar meermalen tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl zij op de grond lag. Aangeefster heeft als gevolg hiervan verwondingen opgelopen. Heeft verdachte opzettelijk gehandeld? De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte vanwege zijn psychische gesteldheid niet opzettelijk heeft gehandeld. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan het verweer dat een verdachte als gevolg van zijn bijzondere psychische gesteldheid niet opzettelijk heeft gehandeld slechts slagen indien bij hem ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. In onderhavige zaak heeft verdachte verklaard dat hij zich kan herinneren dat hij zijn moeder heeft geslagen en geschopt. Verdachte is onderzocht door een psychiater en een psycholoog (waarover meer onder 6.3). Volgens de psychiater kon verdachte nog in enige mate inzien dat zijn gedrag juridisch en/of moreel niet toelaatbaar was. De psycholoog heeft aangegeven dat verdachte begreep dat wat hij deed verkeerd was, maar dat hij onvoldoende zijn gedrag kon controleren. Uit de verklaring van verdachte en hetgeen door de psychiater en psycholoog is gerapporteerd, leidt de rechtbank af dat verdachte zich in ieder geval deels bewust was van wat hij deed. De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat bij hem ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen ontbrak. Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen. Zwaar lichamelijk letsel? De rechtbank moet beoordelen of de verwondingen van aangeefster kunnen worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kunnen als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel, in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. In de beoordeling kan voorts worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meerdere littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken - langdurige - pijnklachten (hebben) bestaan. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat aangeefster een scheurwond van acht centimeter op het voorhoofd heeft opgelopen, een fractuur van de achtste rib, een hematoom op de linker oogkas en een schaafwond op de rechterknie. De scheurwond is in het ziekenhuis gehecht. Zij is diezelfde dag, op 1 juni 2023, uit het ziekenhuis ontslagen. De fractuur, het hematoom en de schaafwond kunnen gelet op de aard van dit letsel niet als zwaar lichamelijk letsel worden aangemerkt. Dit zou anders kunnen zijn voor de scheurwond op het voorhoofd. Als gevolg daarvan is immers een litteken op het voorhoofd achter gebleven. Indien duidelijk is dat deze ontsierend is, zou geoordeeld kunnen worden dat daarmee zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Een medisch oordeel over de huidige toestand van de wond ontbreekt echter. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat aangeefster inderdaad een litteken op het voorhoofd aan het incident heeft overgehouden, maar heeft tevens aangegeven dat deze amper zichtbaar zou zijn. Nu de rechtbank over onvoldoende actuele informatie beschikt over de grootte en de zichtbaarheid van het litteken, acht zij niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zodat verdachte van het primair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. Poging tot zware mishandeling? Naar het oordeel van de rechtbank levert het meermalen met kracht slaan met gebalde vuist, met aan de middelvinger een zegelring, in het gezicht en tegen het hoofd van een persoon en het vervolgens meermalen trappen tegen het lichaam, wel een aanmerkelijke kans op dat die persoon als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel oploopt. Hoewel niet is gebleken dat aangeefster daadwerkelijk dergelijk letsel heeft opgelopen, was er wel een reële kans dat zij - bijvoorbeeld - een ontsierend litteken aan het geweld had overhouden. Die aanmerkelijke kans heeft verdachte, gelet op zijn handelen, bewust aanvaard. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, zoals subsidiair ten laste is gelegd. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: hij op 1 juni 2023 te [plaats] , gemeente Hilvarenbeek ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangeefster] (zijnde zijn moeder) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangeefster] voornoemd meerdere malen (met kracht) - in het gezicht en op het hoofd heeft geslagen (met gebalde vuist voorzien van een ring) en vervolgens - tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl die [aangeefster] voornoemd op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 140 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 70 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw verzoekt om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ernst van het feit Verdachte heeft geprobeerd om zijn moeder in haar eigen woning zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Hij heeft haar meerdere keren met gebalde vuist in het gezicht en tegen het hoofd geslagen en haar vervolgens terwijl zij op de grond lag tegen haar lichaam geschopt. Het slachtoffer heeft hierdoor letsel opgelopen, waaronder een scheurwond op haar voorhoofd. Uit de aangifte blijkt dat het voor het slachtoffer een zeer beangstigende situatie is geweest. Verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De moeder van verdachte heeft per e-mail van 3 september 2024 laten weten dat het inmiddels goed gaat tussen haar en verdachte. De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 28 augustus 2024, waaruit blijkt dat hij de afgelopen vijf jaar niet is veroordeeld voor een soortgelijk feit. De rechtbank heeft acht geslagen op de Pro Justitia-rapportages van 23 en 30 november 2023, opgesteld door [psychiater] en [GZ-psycholoog] . Volgens de deskundigen is bij verdachte sprake van ADHD, een psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van diverse middelen. Deze problematiek was ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig en beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Volgens de psychiater werd het ten laste gelegde in belangrijke mate bepaald door het psychotisch toestandsbeeld waar verdachte op dat moment in verkeerde. Hij was hierdoor achterdochtig en had last van paranoïde wanen. Zoals hierboven al is overwogen, had verdachte geen controle meer over zijn gedrag of over zijn agressieve impulsen, maar kon nog wel in enige mate inzien dat zijn gedrag juridisch en/of moreel niet toelaatbaar was. Het psychotisch toestandsbeeld werd in belangrijke mate veroorzaakt door het forse gebruik van harddrugs. Ook de psycholoog heeft aangegeven dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde psychotisch ontregeld was en steeds meer zelfbeheersing en grip op zijn eigen gedrag verloor. De deskundigen adviseren om het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank is van oordeel dat de rapportages op deugdelijke wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt daarom de conclusies van de psychiater en psycholoog over en zal de bewezen verklaarde feiten verminderd aan verdachte toerekenen. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 8 december 2023 en een e-mail van de reclassering van 10 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.