RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 20/7709 tot en met BRE 20/7716 uitspraak van de meervoudige kamer van 30 oktober 2024 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding
(2013), voor zover van belang, het volgende: ‘(…) Of kon u aanspraak maken op vermogen in of inkomsten uit een APV? Of was u erfgenaam van iemand die vermogen had ondergebracht in een APV? Kruis dan het hokje aan, vermeld de landcode van vestiging van het APV en vermeld de volledige naam.’ In de aangifteformulieren 2014 tot en met 2017 staat bij het onderdeel ‘Bijzondere situaties en te verrekenen voorheffingen’ bij de vragen 40a (2016 en 2017) en 41a (2014 en 2015), voor zover van belang, het volgende: ‘(…) Of was u erfgenaam van iemand met afgezonderd vermogen (RB: in 2014: iemand die vermogen heeft afgezonderd) in een APV? Of had u een concreet recht ten laste van een APV? Of had u een transactie verricht met, een betaling gedaan aan of een uitkering ontvangen van een APV? Kruis dan het hokje aan en vul hieronder de gegevens is.’ In de aangiften IB/PVV die namens belanghebbende zijn ingediend is het hokje bij de vragen 38a, 39a, 40a en 41a (de trustvraag) niet aangekruist. 3.13. De inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV 2010 tot en met 2013 overeenkomstig de ingediende aangiften opgelegd. De aanslagen IB/PVV 2014 en 2015 heeft de inspecteur ambtshalve opgelegd op basis van een schatting van het belastbare inkomen. 3.14. In 2017 heeft de inspecteur schriftelijk vragen gesteld aan de adviseur van belanghebbende over de trust en de aangiften IB/PVV van de dochters. Daarnaast heeft de inspecteur in 2017 en 2018 via het Central Liaison Office (CLO) aan [eiland 1] en [eiland 2] verzocht inlichtingen te verstrekken omtrent de trust, [Ltd 2] en de betrokkenheid van de dochters bij de trust en heeft hij een derdenonderzoek aangekondigd bij [de stichting] . 3.15. Naar aanleiding van de ontvangen informatie heeft de inspecteur op 5 juni 2018 aangekondigd voornemens te zijn een navorderingsaanslag IB/PVV 2014 met vergrijpboete aan belanghebbende op te leggen omdat belanghebbende gerechtigd is tot (een deel van) het vermogen dat is ondergebracht in [de stichting] , dat vermogen niet is aangegeven en er in de ambtshalve opgelegde aanslag geen rekening mee is gehouden. 3.16. De inspecteur heeft op 13 september 2019 aangekondigd voornemens te zijn navorderingsaanslagen IB/PVV 2010 tot en met 2015 op te leggen, aanslagen IB/PVV 2016 en 2017, en tevens vergrijpboeten over al deze jaren. De inspecteur is van mening dat nagenoeg het gehele vermogen van de trust indirect via de deelneming in [Ltd 2] aan belanghebbende en haar drie zusters ter beschikking is gesteld en daarom een aanmerkelijk belang voor belanghebbende vormt. Belanghebbende heeft dat vermogen en het (forfaitaire) voordeel daaruit niet als inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) aangegeven. De inspecteur heeft de (navorderings)aanslagen en boeten vervolgens conform zijn aankondigingen opgelegd. Een en ander heeft, voor zover van belang, geleid tot de volgende beschikkingen: Jaar Aandeel belanghebbende in [Ltd 2] Forfaitair rendement Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang, box 2 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, box 3 Boete 50% over belasting box 2 2010 € 962.500 4% € 38.500 € 136.079 € 4.813 2011 € 973.438 4% € 38.938 € 118.860 € 4.867 2012 € 983.970 4% € 39.359 € 109.016 € 4.920 2013 € 1.028.581 4% € 41.143 € 125.375 € 5.143 2014 € 1.048.702 4% € 41.948 € 117.696 € 5.244 2015 € 1.058.814 4% € 42.353 € 92.407 € 5.294 2016 € 1.067.896 4% € 42.716 € 79.442 € 5.339 2017 € 1.075.112 5,39% € 57.949 € 124.218 € 7.244 3.17. Ook in eerdere jaren heeft de inspecteur een onderzoek ingesteld naar de gevolgen van het bestaan van de trust voor de belastingheffing van de dochters. Dat onderzoek is geëindigd met een brief van 19 augustus 2011 en met de conclusie dat de dochters in 2006 tot en met 2008 geen aanmerkelijk belang hoefden aan te geven. 3.18. Op 8 mei 2020 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten met betrekking tot de op 5 juni 2018 aangekondigde navorderingsaanslag en vergrijpboete over het jaar 2014 (zie 3.15). Daarin is afgesproken dat de boete over dat jaar wordt vernietigd en dat de navorderingsaanslag wordt herzien doordat alsnog rekening zal worden gehouden met een schuld van belanghebbende aan [de stichting] van € 926.694 per 1 januari 2014 en met het heffingsvrije vermogen. 3.19. Ter zitting is vast komen te staan dat, in het geval het gelijk aan de inspecteur is, het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op de peildatum van het betreffende belastingjaar moet worden verminderd omdat alsnog rekening gehouden moet worden met de in 3.9 vermelde vordering van [Ltd 2] op belanghebbende en met een kwart van de vordering van [Ltd 2] op de trust. Tekst Motivering Op de zaak betrekking hebbende stukken 4. De rechtbank beoordeelt eerst of de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Belanghebbende is van mening dat de inspecteur verzuimd heeft alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen en dat de inspecteur dientengevolge niet voldaan heeft aan zijn wettelijke verplichting. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat het enkel nog gaat om de stukken die zien op het onderzoek over de jaren 2006 tot en met 2008 (zie 3.17). De inspecteur is van mening dat hij alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en dat de stukken die zien op dat onderzoek hem in het geheel niet ter beschikking hebben gestaan en dus niet zijn gebruikt ter onderbouwing van de (navorderings)aanslagen of beschikkingen, omdat deze stukken vanwege de aflopende bewaartermijnen conform de bepalingen in de Archiefwet zijn vernietigd. Bovendien was de discussie over de jaren 2006 tot en met 2008 reeds afgewikkeld en blijkt dit ook uit het feit dat de aanslagen voor die jaren zijn opgelegd zonder daarin het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang op te nemen, aldus de inspecteur. 4.1. De rechtbank stelt voorop dat de op de zaak betrekking hebbende stukken alle stukken zijn die aan de inspecteur ter beschikking staan dan wel hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Alle stukken die bij de besluitvorming een rol hebben gespeeld moeten in een fiscale bestuursrechtelijke procedure worden overgelegd. Op basis van de stukken van het dossier en hetgeen de inspecteur ter zitting heeft verklaard acht de rechtbank aannemelijk dat de inspecteur alle stukken die hem ter beschikking hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van het geschil heeft overgelegd. De rechtbank ziet niet in dat het onderzoek naar de jaren 2006 tot en met 2008 enig belang zou kunnen hebben voor de onderhavige (navorderings)aanslagen. Naar het oordeel van de rechtbank is dus aannemelijk dat de inspecteur aan zijn wettelijke verplichting heeft voldaan. De bevoegdheid tot navorderen 4.2. Belanghebbende is van mening dat de inspecteur niet bevoegd was tot het vaststellen van de navorderingsaanslagen over de jaren 2010, 2011 en 2012 omdat die aanslagen zijn opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Die termijn is volgens belanghebbende niet van toepassing omdat het hier niet gaat om in het buitenland opgekomen inkomsten maar om bijtelling van een forfaitair rendement op de aandelen [Ltd 2] . Dat is een fictieve bijtelling in het Nederlandse belastingrecht. Indien de verlengde navorderingstermijn wel van toepassing is, heeft de inspecteur vóór 2017 niet voortvarend genoeg gehandeld, aldus belanghebbende. Zij stelt dat de standstillbepaling van artikel 64, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) niet in de weg staat aan het toepassen van de voortvarendheidseis; deze bepaling is niet van toepassing omdat het in dit geval niet gaat om 'een beperking inzake het kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met directe investeringen of het verrichten van financiële diensten', maar om het op basis van een fictie in de fiscale wet toerekenen van aandelen in een vennootschap gevestigd in een derde land aan belanghebbende enkel en alleen voor Nederlandse fiscale doeleinden. 4.3. De rechtbank stelt voorop dat de navorderingsaanslagen inkomensbestanddelen betreffen die zijn aangehouden of opgekomen in een derde land, namelijk [eiland 2] . De inspecteur heeft zich bij het vaststellen van de inkomensbestanddelen immers gebaseerd op het aandeel van belanghebbende in het vermogen van [Ltd 2] (gevestigd op [eiland 2] ) waarover hij een forfaitair rendement heeft berekend. Het gaat hier om inkomen en vermogen dat in het buitenland is opgekomen en dus is de verlengde navorderingstermijn van toepassing. Niet van belang daarbij is of sprake is van fictief of reëel inkomen. 4.4. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van 11 juni 2009 volgt dat toepassing van de verlengde navorderingstermijn in situaties binnen de Europese Unie niet in strijd is met de vrijheid van kapitaalverkeer, mits de inspecteur voortvarend handelt indien hij aanwijzingen heeft dat er inkomsten of vermogensbestanddelen in een andere lidstaat worden aangehouden. Tussen partijen is kennelijk niet in geschil dat ook in dit geval de vrijheid van kapitaalverkeer van artikel 63 van het VWEU in het geding is. Wat partijen verdeeld houdt is of ook in dit geval de voortvarendheidseis geldt aangezien [eiland 1] (waar de trust is gevestigd) en [eiland 2] (waar [Ltd 2] is gevestigd) geen onderdeel zijn van de Europese Unie maar derde landen. 4.5. De standstillbepaling is opgenomen in artikel 64, eerste lid, van het VWEU en bepaalt dat artikel 63 van het VWEU geen afbreuk doet aan de toepassing op derde landen van beperkingen die op 31 december 1993 bestaan uit hoofde van het nationale recht of het recht van de Europese Unie inzake het kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met onder meer directe investeringen of het verrichten van financiële diensten. Artikel 16, vierde lid, van de AWR waarin de verlengde navorderingstermijn is vastgelegd is zo’n op 3 december 1993 bestaande regeling. 4.6. Uit het arrest van het HvJ van 15 februari 2017 volgt dat artikel 64, eerste lid, van het VWEU een ruime werking heeft en van toepassing is op een nationale regeling die een beperking stelt aan het in die bepaling bedoelde kapitaalverkeer, zoals de verlengde navorderingstermijn, zelfs wanneer deze beperking tevens van toepassing is in situaties die niets van doen hebben met directe investeringen, vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten. De rechtbank leidt uit deze bewoordingen af dat de standstillbepaling niet beperkt is tot kapitaalverkeer dat bestaat uit werkelijke inkomensstromen (zoals dividenden) maar ook van toepassing is in de situatie als die van belanghebbende, waarbij niet de werkelijke inkomsten maar fictieve inkomsten uit in een derde land ( [eiland 2] ) gehouden aandelen worden belast. Dat betekent dat artikel 16, vierde lid, van de AWR zonder beperkingen van toepassing is. De conclusie is daarom dat de inspecteur de navorderingsaanslagen met toepassing van de verlengde navorderingstermijn kon opleggen, en dat niet van belang is of hij daarbij voortvarend heeft gehandeld. De grond voor navorderen 4.7. De inspecteur kan de te weinig geheven belasting navorderen (onder meer) indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. De kwade trouw van een ‘derde’ kan aan de belastingplichtige worden toegerekend. 4.8. Van kwade trouw is sprake indien de belastingplichtige de inspecteur opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt, of opzettelijk de juiste inlichtingen aan de inspecteur heeft onthouden. Het verstrekken aan de inspecteur van onjuiste inlichtingen of het aan de inspecteur onthouden van de juiste inlichtingen door de belastingplichtige moet de oorzaak zijn van het feit dat de primitieve aanslag ten onrechte niet of tot een te hoog bedrag is vastgesteld, of dat anderszins te weinig belasting is geheven. Dat brengt met zich dat kwade trouw alleen betrekking kan hebben op gedragingen van de belastingplichtige die hebben plaatsgevonden vóór het vaststellen van, in dit geval, de primitieve aanslag. Onder opzet valt tevens voorwaardelijke opzet, te weten het zich willens en wetens blootstellen aan de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting wordt geheven en het bewust aanvaarden van die kans. 4.9. De aangiften IB/PVV 2010 tot en met 2013 zijn ingediend door de adviseur van belanghebbende (het kantoor van gemachtigde). Vast staat dat de adviseur het hokje bij de trustvraag in de aangiften niet heeft aangekruist, terwijl hij dat vanwege het feit dat belanghebbende erfgenaam was van iemand met een afgezonderd vermogen in een APV wel had moeten doen (zie 3.12). Door het niet aankruisen van het hokje bij de trustvraag bestond naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven. Gelet op de gesprekken die de adviseur en de inspecteur in 2009 in verband met de per 1 januari 2010 ingaande trustwetgeving hebben gevoerd (zie 3.5) is de adviseur zich volgens de rechtbank daarvan bewust geweest, maar heeft hij zich daardoor niet laten weerhouden om te handelen zoals hij heeft gedaan. Dat heeft gemachtigde ter zitting ook bevestigd. De rechtbank is van oordeel dat het niet aankruisen van het vakje ook niet pleitbaar was: er werd een eenvoudige vraag gesteld waarop maar één antwoord mogelijk was en dat antwoord is niet aangekruist. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat het kruisje niet is gezet omdat bij wel aankruisen een deel van de inkomsten en uitgaven van de trust aangegeven had moeten worden terwijl dat deze inkomsten en uitgaven naar het oordeel van belanghebbende niet aan haar toegerekend kunnen worden. Die argumentatie gaat echter niet op, omdat het ook mogelijk was om, na het aankruisen van de trustvraag, de inkomsten op nihil te stellen. Waar het om gaat is dat de inspecteur bij een aangekruiste trustvraag geïnformeerd zou zijn over het (nog steeds) bestaan van de trust. De adviseur heeft zich dan ook door het niet aankruisen van de trustvraag naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans een onjuiste aangifte te doen, welke kans hij ook heeft aanvaard. Daarmee is sprake van kwade trouw van een ‘derde’ (in dit geval de adviseur) die aan belanghebbende kan worden toegerekend. 4.10. Voor de jaren 2014 en 2015 zijn geen aangiften IB/PVV ingediend. Ter zitting is komen vast te staan dat gemachtigde belanghebbende wel heeft benaderd om aangifte te doen, maar dat zij daar niet op in is gegaan. Door geen aangiften in te dienen zijn alle inlichtingen, dus ook de inlichtingen die betrekking hebben op de trustvraag, aan de inspecteur onthouden. Belanghebbende heeft in andere jaren wel aangiften gedaan en daarin haar aandeel in [de stichting] aangegeven. Zij moet zich er dus bewust van zijn geweest dat zij IB/PVV verschuldigd was. Door desalniettemin geen aangifte te doen heeft zij naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. Zij heeft immers door geen aangifte te doen bewust aan de inspecteur de juiste informatie onthouden die nodig was voor het vaststellen van haar belastbare inkomen. Daarmee is sprake van kwade trouw bij belanghebbende die navordering rechtvaardigt. 4.11. Uit hetgeen in 4.9 en 4.10 is overwogen volgt dat navordering voor alle jaren mogelijk is omdat sprake is van kwade trouw. De vraag of sprake is van een nieuw feit hoeft dan niet meer te worden beantwoord. De toerekening van het trustvermogen 4.12. Op grond van de wetsfictie van artikel 2.14a van de Wet IB 2001 wordt het trustvermogen toegerekend aan de erfgenamen van vader en dus voor een vierde deel aan belanghebbende, tenzij blijkt dat zij niet rechtens dan wel in feite, direct of indirect, begunstigde is van de trust. De (verzwaarde) bewijslast daarvan rust op belanghebbende. 4.13. Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij door de in 3.7 vermelde Deed vanaf 24 december 2009 onherroepelijk niet meer gerechtigd is tot het vermogen van de trust. Dat is in overeenstemming met de wil van vader, omdat uit de ‘Letter of wishes’ uit 2007 blijkt dat vader de revenuen van de trust ten goede wilde laten komen aan de kleinkinderen. Belanghebbende is niet alleen juridisch, maar ook feitelijk niet meer gerechtigd. Zij bestrijdt dat [Ltd 2] in de onderhavige jaren een vordering op haar had: bij de liquidatie van [S.a.r.l.] was volgens haar afgesproken dat eventuele vorderingen zouden worden verrekend met [de stichting] , en in 2017 heeft de nieuwe trustee van de trust bevestigd dat de vordering niet bestond. Overigens is die vordering niet relevant omdat hij dateert van vóór 2008 en een eventuele begunstiging heeft dus vóór 2010 plaatsgevonden. Datzelfde geldt voor de vordering van [Ltd 2] op [de stichting] . Bovendien is die laatste vordering zakelijk en kan dus niet worden gezegd dat belanghebbende wordt begunstigd door het bestaan van die vordering. Belanghebbende kan net zo min als haar zusters beschikken over het vermogen van [de stichting] als ware het haar eigen vermogen. Er is ook geen aanleiding om te veronderstellen dat de lening van [de stichting] niet zal worden terugbetaald. 4.14. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur met het overleggen van de jaarstukken van [Ltd 2] en de correspondentie tussen gemachtigde en het bestuur van [Ltd 2] aannemelijk heeft gemaakt dat de in 3.9 vermelde leningen van [Ltd 2] aan de dochters ook na 2010 nog steeds bestonden. Vaststaat dat de dochters die leningen zijn aangegaan bij [S.a.r.l.] , dat [S.a.r.l.] de vorderingen op de dochters in het kader van haar liquidatie heeft overgedragen aan [Ltd 2] en dat [Ltd 2] ze steeds in haar jaarstukken heeft vermeld. Er zijn geen aanwijzingen dat die vorderingen zijn ‘bijgeplust’ bij de vordering op [de stichting] die [Ltd 2] ook van [S.a.r.l.] heeft gekregen of dat daarover iets was afgesproken. De stelling van belanghebbende dat zij meende dat dat wel zou gebeuren, kan niet afdoen aan het juridische voortbestaan van de leningen en dus van de vorderingen van [Ltd 2] op de dochters. 4.15. Uit hetgeen hiervoor in 4.14 is overwogen volgt dat de rechtbank ervan uitgaat dat belanghebbende in alle onderhavige jaren een renteloze, aflossingsvrije lening had bij [Ltd 2] . De rechtbank is van oordeel dat zij daardoor een voordeel genoot van [Ltd 2] , in elk geval tot het bedrag van een zakelijke rente. Daarmee genoot zij indirect een voordeel van de trust, aangezien de aandelen in [Ltd 2] de enige vermogensbestanddelen zijn van de trust. Het gegeven dat de lening dateert van vóór 2008 doet aan dit oordeel niet af. De begunstiging zit hem in dit geval immers niet in het aangaan van de lening maar in het renteloos voortzetten daarvan door [Ltd 2] . Het voorgaande betekent dat belanghebbende niet is geslaagd in het van haar op grond van artikel 2.14a, zesde lid, van de Wet IB 2001 vereiste bewijs dat zij in feite indirect geen begunstigde is van de trust en dat de inspecteur terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van de trust voor een vierde deel aan belanghebbende moeten worden toegerekend. Het bestaan van de Deed doet daar niet aan af. 4.16. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de omstandigheid dat nagenoeg het volledige vermogen van [Ltd 2] en daarmee nagenoeg het volledige vermogen van de trust is uitgeleend aan de dochters dan wel aan [de stichting] (en daarmee economisch ook aan de dochters), erop neerkomt dat de dochters feitelijk over dat gehele vermogen kunnen beschikken en daardoor feitelijk ook begunstigden van dat vermogen zijn. Daaraan doet niet af dat de dochters zelf niet het bestuur hebben over [de stichting] aangezien het bestuur van [de stichting] in hun belang dient te handelen. Evenmin doet daaraan af dat de lening aan [de stichting] voor wat betreft het rentepercentage niet onzakelijk is, omdat de overige omstandigheden (de rente wordt bij de schuld opgeteld, er is feitelijk geen aflossing overeengekomen en er is geen zekerheid gesteld) die lening ook onzakelijk maken. 4.17. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het gelijk aan de inspecteur en zijn de (navorderings)aanslagen terecht opgelegd. De hoogte van de (navorderings)aanslagen en de rentebeschikkingen 4.18. Voor dat geval is tussen partijen de juistheid van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang voor de jaren 2010 tot en met 2017 niet in geschil. Ook is niet in geschil dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op de peildatum van het betreffende belastingjaar moet worden verminderd omdat daarbij geen rekening is gehouden met (
- a)de vordering van [Ltd 2] op belanghebbende en (
- b)een vierde van de vordering van [Ltd 2] op de trust. Dit alles leidt tot de volgende belastbare inkomens uit sparen en beleggen voor de jaren 2010 tot en met 2017: Peildatum Schuld [Ltd 2] Schuld trust (25%) Totaal Aftrek (4% / 5,39% ) Belastbaar inkomen oud Belastbaar inkomen nieuw 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 € 117.785 € 117.785 € 117.785 € 117.785 € 117.785 € 117.785 € 117.785 € 117.785 € 19.951 € 21.504 € 23.509 € 29.306 € 29.306 € 29.306 € 29.306 € 117.785 € 137.736 € 139.289 € 141.294 € 147.091 € 147.091 € 147.091 € 147.091 € 4.711 € 5.509 € 5.572 € 5.652 € 5.884 € 5.884 € 5.884 € 7.928 € 136.179 € 118.860 € 109.016 € 125.375 € 117.696 € 92.407 € 79.442 € 124.218 € 131.468 € 113.351 € 103.444 € 119.723 € 111.812 € 86.563 € 73.558 € 116.290 4.19. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente/belastingrente. Nu de met de rentebeschikkingen samenhangende (navorderings)aanslagen zullen worden verminderd, worden de bedragen van de heffingsrente/belastingrente dienovereenkomstig verminderd. De vergrijpboeten 4.20. De inspecteur heeft op grond van artikel 67e van de AWR bij de navorderingsaanslagen over de jaren 2010 tot en met 2015 vergrijpboeten opgelegd omdat het volgens hem primair aan (voorwaardelijke) opzet en subsidiair aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aangiften niet, onjuist of onvolledig zijn gedaan en dat daardoor de aanslagen IB/PVV tot te lage bedragen zijn vastgesteld. Voor de jaren 2016 en 2017 heeft de inspecteur op grond van artikel 67d van de AWR vergrijpboeten opgelegd omdat het volgens hem aan (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende is te wijten dat de aangifte voor dat jaar onjuist of onvolledig is gedaan. De inspecteur verwijt belanghebbende dat zij wist dat de inspecteur niet akkoord zou gaan met het (gedeeltelijk) niet aan haar toerekenen van het vermogen van de trust en dat zij ook wist dat zij feitelijk samen met haar zusters (onder onzakelijke voorwaarden) beschikte over het gehele vermogen van de trust. De vergrijpboeten zijn gesteld op 50% van de (nagevorderde) belasting over het inkomen uit aanmerkelijk belang. Op de inspecteur rust de (verzwaarde) last om overtuigend aan te tonen dat het aan de (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende is te wijten dat de aanslagen IB/PVV tot te lage bedragen zijn vastgesteld. 4.21. Onder voorwaardelijke opzet – wat de inspecteur belanghebbende verwijt – wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting wordt geheven. Grove schuld is in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid. 4.22. Indien een belastingplichtige zich laat bijstaan door een adviseur die de belastingplichtige voor voldoende deskundig mocht houden en aan wiens zorgvuldige taakvervulling de belastingplichtige niet behoefde te twijfelen, is er geen aanleiding tot het stellen van de algemene eis dat de belastingplichtige zich ter voorkoming van fouten ook zelf in de inhoudelijke aspecten van de toepasselijke belastingregelingen verdiept. Ook indien de belastingplichtige zich wel zelf heeft verdiept in de toepasselijke belastingregelingen, brengt dat enkele feit nog niet mee dat de belastingplichtige gehouden is om te controleren of de deskundige adviseur in de door deze opgemaakte aangiften die regelingen juist heeft toegepast. 4.23. De aangiften IB/PVV 2010 tot en met 2013, 2016 en 2017 zijn ingediend door de adviseur van belanghebbende. Dat sprake is van een deskundige adviseur is tussen partijen niet in geschil en de rechtbank ziet geen aanleiding dat standpunt niet te volgen. De rechtbank ziet daarnaast geen aanleiding om te veronderstellen dat belanghebbende zelf deskundig is in fiscale aangelegenheden en acht aannemelijk dat zij voor wat betreft de juistheid van de aangiften geheel op de adviseur heeft vertrouwd. De inspecteur heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat aan belanghebbende zelf (voorwaardelijke) opzet of grove schuld voor wat betreft het onjuist of onvolledig doen van de aangiften kan worden verweten. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur niet overtuigend heeft aangetoond dat de vergrijpboeten bij de (navorderings)aanslagen over de jaren 2010 tot en met 2013, 2016 en 2017 terecht zijn opgelegd. Deze vergrijpboeten moeten daarom worden vernietigd. 4.24. Voor de jaren 2014 en 2015 heeft belanghebbende geen aangiften IB/PVV ingediend. De inspecteur heeft als motivering voor het opleggen van de vergrijpboeten voor deze jaren aangevoerd dat zij opzettelijk geen aangiften heeft gedaan en dat vanwege het niet doen van de aangiften bij de ambtshalve opgelegde (primitieve) aanslagen geen rekening is gehouden met het aandeel van belanghebbende in de trust en het door belanghebbende genoten (forfaitaire) inkomen uit aanmerkelijk belang. De rechtbank acht wel overtuigend aangetoond dat belanghebbende opzettelijk geen aangiften heeft ingediend, maar niet dat dat het door de inspecteur geschetste gevolg heeft gehad. Voor deze jaren geldt immers net als hiervoor is overwogen dat aannemelijk is dat belanghebbende, indien zij aangiften zou hebben gedaan, daarin het door de adviseur opgestelde concept zou hebben gevolgd waarin de trustvraag niet was aangekruist en dat dat haar niet zou kunnen worden verweten. Aangezien de inspecteur voor de jaren dat wel aangiften waren gedaan bij de primitieve aanslagen geen inkomsten uit de trust heeft belast als gevolg van dat niet-aankruisen van de trustvraag, is aannemelijk dat het wel doen van aangiften voor deze jaren datzelfde gevolg zou hebben gehad. De inspecteur heeft niet aangetoond dat het niet doen van aangiften voor deze jaren tot gevolg heeft gehad dat de inkomsten uit de trust – dat is het inkomen uit aanmerkelijk belang – bij de primitieve aanslagen niet zijn belast. Daarom moeten ook de voor de jaren 2014 en 2015 opgelegde vergrijpboeten worden vernietigd. Het verzoek om immateriëleschadevergoeding 4.25. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende heeft daar recht op. De vergoeding wordt als volgt berekend. 4.26. De zaken hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Nu de zaken bovendien in de bezwaar- en beroepsfase (nagenoeg geheel) gezamenlijk zijn behandeld, bestaat voor alle zaken tezamen recht op een vergoeding van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. 4.27. De in aanmerking te nemen termijn voor wat betreft de (navorderings)aanslagen is aangevangen op 14 januari 2020, de datum waarop het oudste bezwaarschrift is ontvangen. Nu de rechtbank uitspraak doet op 23 oktober 2024 is sindsdien (afgerond) vier jaar en tien maanden verstreken. De rechtbank merkt daarbij op dat zij geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met twee jaar en tien maanden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 3.000. Dit bedrag komt volledig voor rekening van de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) omdat de gehele duur van de overschrijding moet worden toegerekend aan de beroepsfase. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in het geding. 4.28. Wat betreft de boetebeschikkingen geldt dat compensatie wegens de overschrijding van de redelijke termijn niet kan worden verleend door vermindering van die boeten. Deze worden immers al op andere gronden vernietigd. De rechtbank verleent daarom compensatie in de vorm van een vergoeding van immateriële schade op eenzelfde wijze als voor de (navorderings)aanslagen. Sinds de aankondiging van de boeten op 13 september 2019 is (afgerond) vijf jaar en twee maanden verstreken, waardoor de redelijke termijn is overschreden met drie jaar en twee maanden. De rechtbank kent een vergoeding van immateriële schade toe van € 3.500. Hiervan komt € 368,42 (4/38e deel) voor rekening van de inspecteur en het overige, € 3.131,58, voor rekening van de Staat. Conclusie en gevolgen 5. De beroepen met betrekking tot de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2010 tot en met 2017 en de bijbehorende boete- en rentebeschikkingen zijn gegrond. De (navorderings)aanslagen en rentebeschikkingen moeten worden verminderd. De boetebeschikkingen moeten worden vernietigd. 5.1. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgt belanghebbende een vergoeding van haar proceskosten. De proceskostenvergoeding wordt op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) vastgesteld. Bij het bepalen van de proceskostenvergoeding gaat de rechtbank ervan uit dat de zaken van alle dochters voor alle jaren samenhangen. De zaken zijn immers (nagenoeg) gelijktijdig door de inspecteur en de rechtbank behandeld, waarbij de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van deze zaken (nagenoeg) identiek konden zijn. De rechtbank stelt de vergoeding van de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de bezwaarfase in deze zaken vast op € 2.808 (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 624, een wegingsfactor 1,5 voor het gewicht van de zaak en een wegingsfactor 1,5 wegens samenhang). De vergoeding voor de beroepsfase stelt de rechtbank vast op € 3.937,50 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor de aanwezigheid ter zitting, met een waarde per punt van € 875, een wegingsfactor 1,5 voor het gewicht van de zaak en een wegingsfactor 1,5 wegens samenhang). De rechtbank ziet geen reden over te gaan tot het vergoeden van de integrale kosten van belanghebbende of voor het verhogen van de wegingsfactor van 1,5 naar 2. 5.2. Belanghebbende heeft naast de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand verzocht om een vergoeding voor de kosten van bijstand van de deskundige prof. dr. [deskundige] , verbonden aan [kantoor] te [plaats 2] . Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en letter b, in verbinding met artikel 2, eerste lid, aanhef en letter b, van het Besluit worden kosten die betrekking hebben op een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat het uurtarief van de deskundige ongeveer € 400 exclusief btw bedraagt. Belanghebbende heeft echter geen facturen of andere stukken ter onderbouwing van de hoogte van de te vergoeden kosten voor het inschakelen van de deskundige overgelegd. De rechtbank kan bij gebreke daarvan geen vergoeding bepalen. 5.3. Ter zitting heeft belanghebbende het standpunt ingenomen dat een kwart van de proceskostenvergoeding aan belanghebbende kan worden toegerekend. De rechtbank zal dat standpunt volgen. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding van in totaal € 1.686,38. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar; - vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 131.468 met handhaving van de overige elementen van de aanslag; - vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 113.351 met handhaving van de overige elementen van de aanslag; - vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 103.444 met handhaving van de overige elementen van de aanslag; - vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 119.723 met handhaving van de overige elementen van de aanslag; - vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 111.812 met handhaving van de overige elementen van de aanslag; - vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 86.563 met handhaving van de overige elementen van de aanslag; - vermindert de aanslag IB/PVV 2016 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 73.558 met handhaving van de overige elementen van de aanslag; - vermindert de aanslag IB/PVV 2017 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 116.290 met handhaving van de overige elementen van de aanslag; - vermindert de rentebeschikkingen dienovereenkomstig; - vernietigt de boetebeschikkingen; - veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 6.131,58; - veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 368,42; - bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van in totaal € 384 aan belanghebbende moet vergoeden; - veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.686,38 aan proceskosten aan belanghebbende. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, en mr. drs. S.J. Willems-Ruesink en mr. drs. M.M. de Werd, leden, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 30 oktober 2024, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vgl. onder meer HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672. HvJ 11 juni 2009, ECLI:EU:C:2009:368. HvJ 15 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:119. Artikel 16, eerste lid, van de AWR. Vgl. HR 23 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD3566. Vgl. HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:873. Voor het jaar 2017 geldt een aftrek tegen een percentage van 5,39%, aangezien de schuld volledig in mindering komt op het vermogen belast in de derde schijf. Vgl. HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526. Vgl. HR 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2586. Zie de overzichtsarresten HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 en HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154. Vgl. HR 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:216, r.o. 6.4. = (€ 2.808 + € 3.937,50) / 4. Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.