RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Bergen op Zoom Zaaknummer: 11047154 \ CV EXPL 24-1252 Vonnis van 16 oktober 2024 in de zaak van VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V., te Arnhem, eisende partij, hierna te noemen: VGZ, gemachtigde: Inkassier , tegen [gedaagde] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , in persoon. 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 1 mei 2024; - de akte met aanvullende productie 4 van VGZ van 26 augustus 2024, - de mondelinge behandeling van 16 september 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Ten slotte heeft de kantonrechter vonnis bepaald. 2Het geschil en de beoordeling 2.
- VGZ vordert betaling van € 2.500,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. VGZ vordert ook dat [gedaagde] in de proceskosten wordt veroordeeld. VGZ wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. 2.
- VGZ stelt een opeisbare vordering van totaal € 5.318,05 op [gedaagde] te hebben (€ 4.012,22 aan hoofdsom, € 810,06 aan wettelijke rente tot 26 februari 2024, € 621,52 aan buitengerechtelijke incassokosten, verminderd met € 125,75). VGZ heeft ervoor gekozen om de vordering in deze procedure te beperken tot € 2.500,00 aan hoofdsom om een hoger bedrag aan griffierechten te voorkomen. VGZ reserveert uitdrukkelijk haar rechten voor het resterende deel. Tijdens de zitting heeft Inkassier toegelicht dat de € 2.500,00 aan hoofdsom in mindering gebracht moet worden op de oudste nog openstaande facturen. 2.
- VGZ baseert haar vordering op de zorgverzekeringsovereenkomst die bestaat tussen partijen. Op grond van deze overeenkomst is [gedaagde] premie en declaraties verschuldigd aan VGZ. 2.
- Vaststaat dat tussen partijen sprake is van een zorgverzekeringsovereenkomst. Uit productie 1 bij de dagvaarding volgt dat de gevorderde hoofdsom betrekking heeft op openstaande premies en declaraties uit onder meer 2012 en
- [gedaagde] heeft niet weersproken dat hij deze premies en declaraties onbetaald heeft gelaten. In beginsel is [gedaagde] daarom de gevorderde hoofdsom en wettelijke rente is verschuldigd. 2.
- [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] beroept zich op verjaring, omdat de facturen uit een periode van meer dan vijf jaar geleden komen. De vordering van VGZ is daarom volgens [gedaagde] verjaard. VGZ stelt daartegenover dat de verjaring is gestuit en verwijst hierbij naar de aanvullende productie 4, die bestaat uit verschillende betalingsherinneringen met specificaties van 1 juni 2012, 2 maart 2015, 23 februari 2016, 3 juni 2018, 5 augustus 2018, 26 augustus 2018, 16 september 2018, 10 november 2019, 2 december 2019, 23 mei 2021, 23 augustus 2023, 25 augustus 2023, 14 december 2023 en 7 februari
- 2.
- De kantonrechter is van oordeel dat vast is komen te staan dat verschillende betalingsherinneringen naar [gedaagde] zijn verzonden en dat [gedaagde] deze betalingsherinneringen ook heeft ontvangen. [gedaagde] heeft ter zitting aangevoerd dat hij deze betalingsherinneringen heeft teruggestuurd omdat deze afkomstig waren van [gerechtsdeurwaarder] en hij geen contract heeft met [gerechtsdeurwaarder] . Dit standpunt kan echter niet leiden tot de conclusie dat de verjaring niet gestuit zou zijn. [gerechtsdeurwaarder] kan als incassogemachtigde namens VGZ betalingsherinneringen sturen en daarmee de verjaring stuiten. 2.
- De conclusie is dan ook dat het beroep op verjaring door [gedaagde] niet slaagt, omdat de verjaring is gestuit door VGZ. Dat betekent dat de hoofdsom en wettelijke rente wordt toegewezen. 2.
- [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VGZ worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 136,72 - griffierecht € 372,00 - salaris gemachtigde € 408,00 (2 punten × € 204,00) - nakosten € 102,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.018,72 3De beslissing De kantonrechter 3.
- veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ € 2.500,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; 3.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.018,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Borm en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2024.