RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Middelburg Zaaknummer: C/02/409767 / HA ZA 23-284 Vonnis van 30 oktober 2024 in de zaak van 1 1. [N.V.] , vennootschap naar Belgisch recht, gevestigd te [plaats 1] , België, 2. [B.V.], vennootschap naar Belgisch recht, gevestigd te [plaats 2] , België, 3. [naam 1], wonende te [plaats 3] , 4. [naam 2], wonende te [plaats 3] , eisers in conventie,gedaagden in reconventie, advocaat voorheen mr. N. de Wint te Nieuwvliet, thans mr. L.E. van Hevele te Oostburg, tegen 1 [naam 3] , wonende te [plaats 3] , 2. [naam 4], wonende te [plaats 3] , gedaagden in conventie, eisers in reconventie,advocaat mr. S.E.C. Veldhof te Breda. Eisers in conventie, gedaagden in reconventie worden afzonderlijk aangeduid als [N.V.] , [B.V.] , [naam 1] en [naam 2] . Zij worden gezamenlijk [N.V., B.V., naam 1 en 2] genoemd. Gedaagden in conventie, eisers in reconventie worden afzonderlijk aangeduid als [naam 3] en [naam 4] . Zij worden gezamenlijk [naam 3 en 4] genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 23 augustus 2023 - de mondelinge behandeling van 5 maart 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitaantekeningen van mr. Veldhof. 1.2. Na afloop van de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden voor de duur van vier weken in verband met minnelijk overleg tussen partijen. Bij B-formulieren van respectievelijk 1 en 2 april 2024 hebben mr. De Wint en mr. Veldhof laten weten dat partijen geen regeling hebben bereikt. Namens [N.V., B.V., naam 1 en 2] is verzocht een nadere conclusie te mogen nemen, namens [naam 3 en 4] is verzocht vonnis te wijzen. Het verzoek van [N.V., B.V., naam 1 en 2] is afgewezen en er is vonnis bepaald. 1.3. Bij B-formulier van 12 september 2024 heeft mr. N. de Wint zich onttrokken als advocaat van [N.V., B.V., naam 1 en 2] , waarna mr. L.E. van Hevele zich bij B-formulier van 16 september 2024 als (nieuwe) advocaat heeft gesteld. 2De feiten 2.1. [N.V.] is sinds 14 juni 2016 eigenaar van het perceel gelegen te [adres 1] , kadastraal bekend [gemeente] , [sectie] [nummer 1]. Dit perceel wordt gebruikt door [B.V.] , een onderneming in de internationale transportsector. [naam 2] is bestuurder van [B.V.] . Hij en [naam 1] zijn bewoners van een woning op dit perceel. 2.2. [naam 3 en 4] is sinds 11 juli 2016 eigenaar van de naastgelegen percelen, [adres 2] , kadastraal bekend [gemeente] [sectie] nrs. [nummer 2] en [nummer 3] . Hij woont in de woning op perceel [nummer 2] en gebruikt het daarachter gelegen perceel [nummer 3] . 2.3. De buurpercelen [nummer 1] en [nummer 3] waren voorheen gescheiden door een betonnen muur met een hoogte van 2 à 2,5 meter. 2.4. Op 18 mei 2017 is op verzoek van [naam 3 en 4] een kadastrale grensmeting verricht. Hieruit blijkt dat de kadastrale erfgrens op een andere plaats ligt dan de grens die door de betonnen muur werd aangegeven. De kadastrale erfgrens is aangegeven door de stippellijn op onderstaande tekening. [afbeelding geanonimiseerd] 2.5. Bij brief van 10 juni 2017 heeft [naam 3 en 4] aan [naam 2] en [naam 1] onder meer meegedeeld dat hij de erfafscheiding gaat verplaatsen naar de plaats van de officiële kadastergrens. 2.6. In reactie hierop hebben [naam 2] en [naam 1] bij brief van 26 juni 2017 onder meer meegedeeld:“Onze,deze eigendom is aan gekocht in de staat en de afmetingen hoe deze zich bevinden.Namelijk de afsluiting van het goed.deze staat al zeer lang en er zijn foto’s en metingen in ons bezit van tientalen jaren geleden + en vorige eigenaars.Wil uw ook meedelen.als er aan afsluiting geraakt wordt.wij onmiddellijk een gerechtelijke procedure zullen opstarten.dit is bescherming van recht van eigendom van ons.” 2.7. In de zomer van 2018 heeft [naam 3 en 4] de betonnen muur tussen de betreffende percelen afgebroken. 2.8. Bij brief van 30 augustus 2018 is namens [N.V.] , [naam 2] en [naam 1] een beroep gedaan op verjaring en is [naam 3 en 4] gesommeerd de oorspronkelijke juridische erfgrens ter hoogte van de eerder verwijderde scheidsmuur onvoorwaardelijk te erkennen en derhalve het eigendomsrecht van [N.V.] van het naastgelegen perceel tussen de juridische en kadastrale erfgrens te (blijven) respecteren. 2.9. Bij de door [N.V., B.V., naam 1 en 2] overgelegde stukken bevindt zich een handgeschreven verklaring van 29 oktober 2018 op naam van de heer [naam 5] , voormalig bewoner van de woning aan [adres 3] . De verklaring luidt:“Hierbij verklaar ik ( [naam 5] ) dat de muur (erfgrensmuur van beton) over een lengte van 63 mtr reeds stond toen ik 30 jaar geleden vertrok van [adres 3] .” 2.10. Aan de woning en de loods op perceel [nummer 1] van [N.V.] hangen camera’s op een hoogte van minimaal drie meter die (mogelijk) zijn gericht op de percelen van [naam 3 en 4] 2.11. Bij brief van 18 november 2022 is namens [naam 3 en 4] aan onder andere [naam 2] en [naam 1] meegedeeld, kort gezegd:- dat hij voornemens is een schutting te plaatsen op eigen grond over de volledige lengte van het perceel (ongeveer 10 cm vanaf de erfgrens);en is hen verzocht c.q. gesommeerd:- te laten weten of zij voornemens zijn beplanting te verwijderen die zich over de kadastrale grens bevindt;- maatregelen te nemen om te voorkomen dat de honden van [naam 2] en [naam 1] schade kunnen toebrengen aan de (nieuwe) schutting;- camera’s die (deels) zijn gericht op het perceel van [naam 3 en 4] te draaien of verwijderen. 2.12. [N.V., B.V., naam 1 en 2] heeft aan deze sommatie geen gevolg gegeven. 3Het geschil in conventie 3.1. [N.V., B.V., naam 1 en 2] vordert - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:1. te verklaren voor recht dat het stuk grond gelegen tussen enerzijds de op 18 mei 2017 opgemeten kadastrale erfgrens en anderzijds de oorspronkelijke feitelijke erfgrens, afgebakend door de door [naam 3 en 4] in de zomer van 2018 gesloopte betonnen muur, (verder: het stuk grond) door [N.V.] in eigendom is verworven ingevolge verkrijgende verjaring op grond van de artikelen 3:99, 3:105 en 3:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW);2. te verklaren voor recht dat de juridische erfgrens tussen de percelen gelegen te [adres 1] en [adres 2] de oorspronkelijke feitelijke grens zal zijn, afgebakend door de door [naam 3 en 4] in de zomer van 2018 gesloopte betonnen muur over een lengte van 63 meter;3. [naam 3 en 4] te verbieden:- alle beplanting op het stuk grond te verwijderen,- een afsluiting te plaatsen op het stuk grond,- een afsluiting te plaatsen volgens de op 18 mei 2017 opgemeten kadastrale erfgrens,- zich toegang te verschaffen tot het stuk grond,alles op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per keer,4. [naam 3 en 4] te veroordelen om de door hem in de zomer van 2018 gesloopte betonnen scheidsmuur te herbouwen in steen of beton op de erfgrens zoals bedoeld onder 2., binnen drie maanden na het wijzen van dit vonnis, bij gebreke waarvan [N.V., B.V., naam 1 en 2] wordt gemachtigd om zelf de scheidsmuur aldaar te bouwen in steen of beton op kosten van [naam 3 en 4] ,5. [naam 3 en 4] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten. 3.2. [N.V., B.V., naam 1 en 2] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Het betreffende stuk grond is van aanvang af in het bezit van [N.V.] en vanaf 2018 sinds minstens dertig jaar in het bezit van haar rechtsvoorgangers. [N.V., B.V., naam 1 en 2] verwijst naar de verklaring van 29 oktober 2018 op naam van [naam 5] (zie r.o. 2.9.).[N.V., B.V., naam 1 en 2] stelt dat [N.V.] het stuk grond door verkrijgende verjaring op grond van art. 3:99 jo 3:105 jo 3:106 BW in eigendom heeft verkregen. Het slopen van de betonnen muur levert een onrechtmatige daad op jegens [N.V.] als eigenaar van het perceel en jegens [B.V.] , [naam 2] en [naam 1] als gebruikers daarvan. [N.V., B.V., naam 1 en 2] vordert een schadevergoeding in natura, te weten herstel van de muur. 3.3. [naam 3 en 4] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [N.V., B.V., naam 1 en 2] in de proceskosten.[naam 3 en 4] betwist dat sprake is van verkrijgende verjaring van het stuk grond door [N.V.] . De verklaring van [naam 5] die [N.V., B.V., naam 1 en 2] ter onderbouwing van haar stelling heeft overgelegd is valselijk opgesteld. [naam 3 en 4] voert aan dat zijn rechtsvoorgangers perceel [nummer 3] hebben gekocht op 19 juni 1997. In november 1998 hebben zij een betonnen schutting geplaatst op eigen grond als afscheiding ten behoeve van hun honden, niet als erfafscheiding. Een rij hoge coniferen diende als erfafscheiding. [naam 3 en 4] heeft deze informatie na aankoop door hem van perceel [nummer 3] gedeeld met [naam 2] en [naam 1] . [naam 3 en 4] voert daarnaast aan dat perceel [nummer 1] pas in 2005 een eigen huisnummer heeft gekregen omdat daarop toen voor het eerst een woning werd gebouwd. Daarvoor was het een champignonkwekerij/bedrijventerrein. Een wijziging van grenzen zou bovendien notarieel moeten worden vastgelegd. Uit navraag is gebleken dat nooit een andere grens is vastgelegd dan die zoals bekend is bij het kadaster. Ten slotte betwist [naam 3 en 4] dat het stuk grond in bezit is genomen. De rechtsvoorganger van [naam 2] en [naam 1] is niet slechts door het verwijderen van coniferen en het storten van beton eigenaar geworden van het stuk grond, aldus [naam 3 en 4] 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.5. [naam 3 en 4] vordert - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:1. [naam 1] en [naam 2] te verbieden [naam 3 en 4] en zijn kinderen uit te schelden, 2. te verklaren voor recht dat de bij de kadastrale rapportage van 18 mei 2017 vastgestelde erfgrens de juridische erfgrens betreft en dat [N.V., B.V., naam 1 en 2] deze erfgrens moet respecteren,3. [N.V., B.V., naam 1 en 2] te verbieden op of over voornoemde grens heen te bouwen en/of zaken te plaatsen, 4. [N.V., B.V., naam 1 en 2] te gelasten de door haar geplaatste bomen, overige beplanting en de aan haar toebehorende pomp op of nabij de erfgrens te verwijderen en verwijderd te houden binnen een week na het wijzen van dit vonnis, 5. [N.V., B.V., naam 1 en 2] te gelasten de camera’s aan de woning en loods, dan wel andere gebouwen, te verwijderen binnen een week na het wijzen van dit vonnis, 6. [N.V., B.V., naam 1 en 2] te verbieden nieuwe camera’s te plaatsen die zijn gericht op de percelen van [naam 3 en 4] , kadastraal bekend als [gemeente] [nummer 2] en [nummer 3] , 7. [N.V., B.V., naam 1 en 2] te verbieden film- en/of foto-opnames van [naam 3 en 4] te maken wanneer [naam 3 en 4] zich op het eigen perceel en/of in zijn woning bevindt, alle voornoemde verboden en geboden op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag/dagdeel, en met veroordeling van [N.V., B.V., naam 1 en 2] in de proceskosten. 3.6. [naam 3 en 4] verwijst ter onderbouwing van zijn vorderingen ten aanzien van de erfgrens en het stuk grond naar hetgeen hij in conventie heeft aangevoerd. Hij wil een schutting plaatsen omdat de verstandhouding met [N.V., B.V., naam 1 en 2] ernstig is verstoord. Hij en zijn kinderen willen rust en privacy. Zij worden regelmatig uitgescholden door [naam 2] en [naam 1] . Daarnaast heeft [N.V., B.V., naam 1 en 2] diverse camera’s aan haar woning en loods bevestigd waarmee het perceel van [naam 3 en 4] wordt gefilmd, althans kan worden gefilmd. Door plaatsing van deze camera’s maakt [N.V., B.V., naam 1 en 2] inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [naam 3 en 4] [N.V., B.V., naam 1 en 2] heeft volgens [naam 3 en 4] geen rechtens te respecteren belang dat deze inbreuk rechtvaardigt. Zij handelt hierdoor onrechtmatig jegens [naam 3 en 4] [naam 3 en 4] stelt ten slotte dat hij door [naam 2] en [naam 1] handmatig wordt gefilmd en dat deze filmpjes op social media worden geplaatst. Deze acties zijn er volgens hem op gericht hem te provoceren en inbreuk te maken op zijn privacy. [naam 2] en [naam 1] hebben bij het maken van deze filmopnamen geen rechtens te respecteren belang. [naam 3 en 4] vordert daarom ook op dit punt een verbod. 3.7. [N.V., B.V., naam 1 en 2] voert verweer. Zij concludeert deels tot niet-ontvankelijkverklaring van [naam 3 en 4] in zijn vorderingen, deels tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [naam 3 en 4] in de proceskosten.[N.V., B.V., naam 1 en 2] betwist dat sprake is van schelden door [naam 2] en [naam 1] . Het gevorderde verbod is volgens haar ongegrond en onvoldoende onderbouwd.Ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot de erfgrens handhaaft [N.V., B.V., naam 1 en 2] haar standpunt zoals ingenomen in conventie. De daarmee samenhangende gevorderde ge- en verboden zijn eveneens ongegrond, aldus [N.V., B.V., naam 1 en 2] [N.V., B.V., naam 1 en 2] stelt zich verder op het standpunt dat [naam 3 en 4] niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot verwijdering van de aanwezige camera’s. Dit geldt jegens [N.V.] omdat zij geen camera’s heeft geplaatst en tegen haar geen verwijten zijn gericht. [B.V.] , [naam 2] en [naam 1] hebben wel beveiligingscamera’s geplaatst, maar dat was [naam 3 en 4] in ieder geval al op 22 juni 2017 bekend. De vordering, voor zover deze tegen hen is gericht, is daarom verjaard op grond van art. 3:310 lid 1 BW. Subsidiair voert [N.V., B.V., naam 1 en 2] aan dat deze vordering onvoldoende is onderbouwd. Overigens hebben [B.V.] , [naam 2] en [naam 1] een gerechtvaardigd belang bij handhaving van deze beveiligingscamera’s, zowel in verband met de beveiliging van hun bedrijfsterrein, dat nu eenmaal in landelijk gebied ligt, als van [naam 2] en [naam 1] persoonlijk. Het gevorderde verbod tot het plaatsen van nieuwe camera’s is volgens [N.V., B.V., naam 1 en 2] ongegrond. De enkele omstandigheid dat de camera’s zichtbaar zijn vanaf het perceel van [naam 3 en 4] en mogelijk zijn perceel kunnen filmen, leidt niet tot de conclusie dat zijn perceel daadwerkelijk wordt gefilmd en dat inbreuk wordt gemaakt op zijn privacy. Ten aanzien van het gevorderde verbod tot het maken van film- en/of foto-opnames van [naam 3 en 4] voert [N.V., B.V., naam 1 en 2] aan dat [naam 3 en 4] niet-ontvankelijk is in zijn vordering voor zover deze is gericht tegen [N.V.] en [B.V.] ; laatstgenoemden kunnen hem niet filmen of fotograferen. [N.V., B.V., naam 1 en 2] betwist verder dat [naam 2] en [naam 1] zich schuldig maken/hebben gemaakt aan deze handelingen. De vordering is volgens hen onvoldoende onderbouwd. Ten slotte betwist [N.V., B.V., naam 1 en 2] de gevorderde dwangsommen. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling In conventie 4.1. Vast staat dat de betonnen muur die door [naam 3 en 4] in 2018 is verwijderd niet op de kadastrale erfgrens stond. De discussie tussen partijen betreft het stuk grond gelegen tussen de kadastrale erfgrens en de afscheiding die voorheen werd gevormd door de betonnen muur (de feitelijke erfgrens). Dit stuk grond behoort volgens de kadastrale meting tot het perceel van [naam 3 en 4] [N.V., B.V., naam 1 en 2] heeft ter onderbouwing van haar vorderingen aangevoerd dat zij eigenaar is geworden van het stuk grond door verkrijgende verjaring in de zin van art. 3:105 BW. De rechtbank zal ingaan op deze stelling. Eerst zet zij kort uiteen wat de vereisten zijn voor verkrijgende verjaring. Vereisten verkrijgende verjaring 4.2. Op grond van art. 3:105 lid 1 BW verkrijgt de persoon die een bepaald goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van dat bezit wordt voltooid, dat goed. Deze persoon wordt dus eigenaar van dat goed als hij dit goed voor een periode van twintig jaar (deze termijn volgt uit art. 3:306 BW en vangt aan met de dag waarop deze persoon bezitter is geworden) bezit en na afloop van deze periode nog steeds bezit. Ook de bezitter die niet te goeder trouw bezit kan via deze maatstaf eigenaar worden. 4.3. De vraag of iemand bezitter is van een goed moet ingevolge art. 3:107 lid 1 jo. 3:108 BW worden beantwoord naar de verkeersopvattingen, met inachtneming van de regels die in de daaropvolgende wetsartikelen worden gegeven en overigens op grond van uiterlijke feiten. Er geldt dus een objectieve maatstaf. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat naar huidig recht het bezit (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.