RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-334729-21 vonnis van de meervoudige kamer van 31 oktober 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1949 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] raadsman mr. S.J. Nijssen, advocaat te Goes 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 oktober 2024, waarbij de officier van justitie, mr. M. van Leeuwen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich gedurende een periode van 20 jaar schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik van iemand met een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft de ten laste gelegde seksuele handelingen verricht met het slachtoffer, terwijl hij wist dat zij haar wil daaromtrent niet of onvolkomen kenbaar kon maken en geen weerstand kon bieden aan hem. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit vrijspraak voor beide ten laste gelegde feiten wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Naar het oordeel van de verdediging lijdt het slachtoffer niet aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens dat zij hierdoor niet of onvolkomen is staat is haar wil ten aanzien van seksuele handelingen te bepalen, kenbaar te maken of weerstand te bieden tegen de seksuele handelingen. Daarnaast is onvoldoende gebleken dat verdachte wetenschap had van de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Vast staat dat in de periode van 16 december 2001 tot en met 13 juli 2020 de in de tenlastelegging beschreven seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen verdachte en [benadeelde] . Ook staat vast dat bij [benadeelde] sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een licht verstandelijke beperking. Verdachte was op de hoogte van die beperking, zo heeft hij ter zitting verklaard. De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van [benadeelde] zodanig is dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil ten aanzien van seksuele handelingen te bepalen, kenbaar te maken of weerstand te bieden tegen die seksuele handelingen, in de zin van de artikelen 243 (oud) en 247 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Gedurende de ten laste gelegde periode heeft de wetgever de wettekst van de artikelen 243 en 247 Sr gewijzigd. Voor en na 1 oktober 2002 werd in de wettekst gesproken van ‘een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens’. Per 1 januari 2020 is de terminologie van de artikelen 243 en 247 Sr gewijzigd naar ‘een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap’. Hiermee is aansluiting gezocht bij de terminologie van de Wet verplichte GGZ. De wetgever heeft met deze wijziging uitdrukkelijk niet beoogd de inhoud van de wetsartikelen te wijzigen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verstandelijke handicap en de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens moeten worden opgevat als één en hetzelfde criterium.. Uit het psychologisch onderzoek van drs. [GZ-psycholoog] volgt dat [benadeelde] cognitief gezien functioneert op het niveau van een licht verstandelijke beperking. Volgens de psycholoog is zij daarom verminderd in staat haar wensen ten aanzien van seksuele handelingen te bepalen, kenbaar te maken en grenzen te stellen. Nog los van de vraag of “verminderd in staat zijn” gelijkstaat aan het “onvolkomen in staat zijn” de wil omtrent seksuele handelingen kenbaar te maken, stelt de rechtbank vast dat het dossier contra-indicaties bevat voor de conclusie dat [benadeelde] hiertoe verminderd in staat was. Het dossier bevat aanvullende stukken van het RIAGG, waaronder twee herindicaties Wet sociale werkvoorziening van 2005 en 2016. Weliswaar blijkt uit deze stukken dat sprake is van lichamelijke en psychische beperkingen, maar het vakje 'verstandelijke beperkingen' is expliciet niet aangekruist. Tevens blijkt uit deze stukken dat [benadeelde] in 1991 haar mavodiploma (nu vmbo-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.