RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Middelburg Zaaknummer: C/02/421002 / KG ZA 24-154 Vonnis in kort geding van 11 juni 2024 in de zaak van [eiseres] B.V., gevestigd te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , advocaat: mr. L.A.A. Steehouwer, tegen [gedaagde] B.V., gevestigd te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. E.J. van der Doe. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties I tot en met IX - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 64 - de e-mail van mr. Van der Doe van 27 mei 2024 met producties 65 en 66 - de e-mail van 27 mei 2024 van mr. Steehouwer met producties X tot en met XVI- de mondelinge behandeling van 28 mei 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van [eiseres] - de pleitnota van [gedaagde] . Na afloop van de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden tot 30 mei 2024 om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te treffen.Bij e-mails van 30 mei 2024 hebben mr. Steehouwer en mr. Van der Doe meegedeeld dat partijen geen regeling hebben getroffen en verzocht vonnis te wijzen. Vervolgens is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiseres] is een werkmaatschappij van [B.V. 1] en [B.V. 2] en legt zich toe op de aan- en verkoop en ontwikkeling van onroerende zaken. De heren [naam 1] en [naam 2] zijn - via hun persoonlijke B.V.’s - feitelijk bestuurders en aandeelhouders van [eiseres] B.V. [gedaagde] is een bouwbedrijf. De heer [naam 3] is bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde] . 2.2. [eiseres] is eigenaar van drie kavels in [plaats 3] . Zij is voornemens deze kavels te splitsen in zes kavels voor de realisatie van vijf nieuwbouwwoningen. Op de zesde kavel zullen elf garageboxen worden gerealiseerd. Deze laatstgenoemde kavel behoort niet tot de hierna te noemen samenwerkingsovereenkomst. 2.3. In verband met de bouw van de vijf nieuwbouwwoningen hebben partijen vanaf december 2022 onderhandeld over een samenwerkingsovereenkomst. Aanvankelijk was het uitgangspunt dat [eiseres] de kavels zou verkopen aan particulieren en in de koopovereenkomst zou bedingen dat de kopers met [gedaagde] een aannemingsovereenkomst zouden sluiten, waarbij [eiseres] en [gedaagde] een vaste prijs voor de bouw zijn overeengekomen. 2.4. Op 29 januari 2024 hebben partijen een samenwerkingsovereenkomst gesloten (hierna: de samenwerkingsovereenkomst). In de samenwerkingsovereenkomst is onder het kopje “in aanmerking nemende” onder meer vermeld: “(…)- Dat [eiseres] de Kavels te koop aanbiedt en reeds één woning heeft verkocht. De opdracht tot bouw van de overige vier woningen door [eiseres] wordt gegeven. Bij verkoop zal [eiseres] daarbij in de koopovereenkomst de voorwaarde opnemen dat kopers een aannemingsovereenkomst overnemen door middel van contractovername (hierna te noemen: “de Aannemingsovereenkomst, zie bijlage 2) en [gedaagde] daar altijd toestemming aan zal verlenen; - Dat de start van de bouw van de Woningen plaats zal vinden uiterlijk april 2024;- Dat [eiseres] voor de opdracht tot bouw van 4 van de 5 woningen financiering zal vragen bij een derde partij;(…).” 2.5. In de samenwerkingsovereenkomst zijn verder onder meer de volgende bepalingen opgenomen:“1. Doel van de samenwerking1.1Partijen zullen zich gezamenlijk inspannen om tot verkoop van de Kavels en realisatie van de Woningen te komen, zoals aangegeven op de plankaart (bijlage 1). 1.2 Partijen zullen gezamenlijk uiting geven aan verkoopinformatie en gesprekspartners zijn voor de omgeving, gemeente, kopers, (aankoop)makelaars en andere externe partners. 2Inhoud van de samenwerking 2.1 [eiseres] zal de kavels te koop aanbieden op grond van de koopovereenkomst, waarin als voorwaarde is opgenomen dat er tegelijkertijd een Aannemingsovereenkomst wordt gesloten met [gedaagde] door middel van contractovername conform de als bijlage 2 bijgevoegde Aannemingsovereenkomst met bijlagen.(…) 2.3 Zodra een koper de koopovereenkomst heeft getekend, zal [gedaagde] met deze koper in gesprek gaan over de wensen van de koper ten aanzien van de Aannemingsovereenkomst en de bouw. 3Voorwaarden Aannemingsovereenkomst 3.1 [gedaagde] zal de bouw van de vijf Woningen aanbieden aan (particuliere) kopers voor een totaalprijs van € 942.450 excl. btw, inhoudende € 186.890 excl. btw voor de reeds aan een particulier verkochte woning en € 188.890 excl. btw ten aanzien van de overige 4 woningen, op grond van de conform bijlage 2 bijgevoegde Aannemingsovereenkomst met bijlagen en onder de (betalings-)voorwaarden van Bouwgarant.(…) 3.3 [gedaagde] bouwt ingevolge de technische specificaties zoals opgenomen in de Aanneemovereenkomst en met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving, bouwbesluit en de BENG. Indien er na het ondertekenen van deze Overeenkomst nog aanpassingen moeten worden doorgevoerd om binnen de wet- en regelgeving, bouwbesluit of BENG te kunnen bouwen, en opleveren, komen deze kosten voor rekening en risico van [gedaagde] . 3.4 De woningen dienen na oplevering een A+++ label te hebben.(…) 4De bouw (…)4.2 [gedaagde] zal het plangebied bij start van de bouw bouwrijp maken en daarbij tevens het (deel van een) woning, de landbouwschuur en de erfverharding die aanwezig is op de Kavels bij start van de bouw in onderaanneming laten verwijderen. De kosten voor deze onderaanneming zal zij één op één ieder voor een gelijk (1/5e) deel doorbelasten aan de kopers van de Woningen met een bedrag van heden begroot op € 3.890,- per koper (excl. BTW). Dit bedrag is reeds opgenomen en verdisconteerd in de aanneemsom van respectievelijk € 186.890 (excl. btw) voor kavel 3 en € 188.890 (excl. btw) voor de overige 4 kavels. Daarnaast zal [eiseres] zorgdragen voor een terreinafzetting en [gedaagde] voor rijplaten gedurendede bouw.4.3 [gedaagde] zal na de afronding van de ruwbouwwerken of ten laatste op 1 september 2024 de toegangsweg, behorende bij kavel 6, naar het achterliggende terrein waar garageboxen worden gebouw vrij maken en houden over de gehele breedte, 4mtr. Dit is de ‘zesde’ kavel die niet tot de samenwerkingsovereenkomst behoort.(…)5 Duur en einde van de Overeenkomst(…)5.3 Deze overeenkomst komt daarnaast tot stand onder de opschortende voorwaarde dat [eiseres] voor 1 maart 2024 de benodigde financiering heeft verkregen voor de bouw van 4 van de 5 woningen. [eiseres] zal [gedaagde] berichten indien en zodra zij afdoende financiering heeft verkregen.” 2.6. Bij de door [eiseres] overgelegde stukken bevindt zich een geldleningsovereenkomst met hypothecaire zekerheid van 29 februari 2024 tussen [B.V. 3] of [B.V. 4] en [B.V. 5] als schuldeisers enerzijds en [naam 2] en [naam 1] als schuldenaars anderzijds. [naam 2] en [naam 1] handelen daarbij zowel in privé als namens respectievelijk [B.V. 2] en [B.V. 1] en gezamenlijk namens [eiseres] B.V. Op grond van deze overeenkomst wordt een lening verstrekt van € 300.000,00 met een looptijd van 6 maanden, behoudens eventuele verlenging. Indien noodzakelijk wordt een tweede lening verstrekt van € 375.000,00 vanaf 1 december 2024. De rente op jaarbasis bedraagt 10% per maand. De totale som van de geldlening bedraagt € 675.000,00 en moet vermeerderd met de verschuldigde rente uiterlijk op 1 december 2026 zijn afgelost en voldaan. 2.7. Bij e-mail van 1 maart 2024 heeft [gedaagde] aan [eiseres] onder meer het volgende meegedeeld:“Beste [naam 2] en [naam 1] , Ik heb van jullie geen bevestiging mogen ontvangen, inhoudende dat door jullie financiering is verkregen ten behoeve van het project in [plaats 3] . In concludeer daaruit dat de opschortende voorwaarde die wij zijn overeengekomen in artikel 5.3 van de samenwerkingsovereenkomst is vervuld. Dit betekent dat de samenwerkingsovereenkomst daarmee tot een einde is gekomen.(…)” 2.8. Bij whatsapp-bericht van 1 maart 2024 heeft [naam 2] namens [eiseres] bevestigd dat de financiering rond is en dat zij dat eerder aan [gedaagde] heeft meegedeeld. 2.9. Bij brief van haar raadsman van 4 maart 2024 heeft [gedaagde] aan [eiseres] meegedeeld:“ [gedaagde] heeft van u nimmer voor 1 maart 2024 het bericht ontvangen dat u de in artikel 5.3 van de samenwerkingsovereenkomst genoemde financiering heeft verkregen. Integendeel, [gedaagde] heeft van u vernomen dat de genoemde financiering niet is verkregen. De overeenkomst is daarmee tot een einde gekomen.” [gedaagde] heeft [eiseres] daarnaast aansprakelijk gesteld voor de door haar als gevolg van het eindigen van de samenwerkingsovereenkomst geleden schade. 2.10. Bij e-mail van haar raadsman van 8 maart 2024 heeft [eiseres] - kort gezegd - meegedeeld dat de opschortende voorwaarde is ingetreden, zodat de samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen. Zij heeft [gedaagde] verzocht en gesommeerd de verplichtingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst na te komen.[gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan deze sommatie.3. Het geschil 3.1. [eiseres] vordert - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:a. [gedaagde] te veroordelen binnen twee dagen na betekening van dit vonnis uitvoering te geven aan de samenwerkingsovereenkomst van 29 januari 2024, waaronder begrepen doch niet beperkt de nakoming van haar verplichtingen zoals genoemd in artikel 1.1, 1.2, 2.1, 2.3, 3.1, 3.3, 3.4, 4.2, 4.3, op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag met een maximum van € 500.000,00,b. met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.2. [eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Tussen partijen is de samenwerkingsovereenkomst van 29 januari 2024 tot stand gekomen. [gedaagde] moet haar verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst nakomen. Dit houdt onder meer in dat [gedaagde] zich moet inspannen om samen met [eiseres] tot verkoop van de kavels en de realisatie van de woningen over te gaan, dat [gedaagde] afspraken zal maken met kopers over de bouw en daartoe aannemingsovereenkomsten zal sluiten en dat [gedaagde] de woningen zal bouwen conform de overeengekomen technische specificaties.[eiseres] stelt dat [gedaagde] weigert, ondanks sommaties, over te gaan tot nakoming van de samenwerkingsovereenkomst, zodat zij in verzuim verkeert. [eiseres] lijdt daardoor schade. Er is al één kavel verkocht en [eiseres] moet haar verplichtingen jegens deze koper nakomen. Partijen zijn overeengekomen dat de bouw in april 2024 zou aanvangen. Daarnaast lopen de kosten van de financiering op als hiervan later gebruik wordt gemaakt. [eiseres] heeft daarom recht op en spoedeisend belang bij haar vordering tot nakoming van de overeenkomst op straffe van een dwangsom. 3.3. [gedaagde] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente. 3.4. [gedaagde] voert het volgende aan. Zij betwist primair dat [eiseres] spoedeisend belang heeft bij haar vordering. [gedaagde] betwist dat de koopovereenkomst ten aanzien van kavel 3 nog rechtsgeldig is; volgens haar is deze per 1 april 2024 van rechtswege ontbonden. De rectificatieakte is ongeloofwaardig. Afgezien daarvan worden de aannemingsovereenkomsten met de particuliere kopers en met [eiseres] aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat binnen 4 maanden een omgevingsvergunning moet zijn verkregen die formele rechtskracht heeft. Die vergunning is nog niet verkregen en het is de vraag of (tijdig) aan deze voorwaarde kan worden voldaan. Daarnaast is onduidelijk of de bodemrechter de vordering van [eiseres] zou toewijzen. [eiseres] heeft ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat van haar niet kan worden gevergd de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten, aldus [gedaagde] . [gedaagde] voert verder aan dat [eiseres] niet om een voorlopig voorziening verzoekt, maar om een declaratoir vonnis. Zij verzet zich tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Als de vordering wordt toegewezen zijn de gevolgen onomkeerbaar; [gedaagde] zal op termijn de nog aanwezige opstal moeten gaan slopen en vier van de vijf woningen moeten gaan bouwen. Het belang van [gedaagde] bij het afwachten van de bodemprocedure weegt zwaarder dan het belang van [eiseres] bij de verzochte voorlopige voorziening. Subsidiair stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de samenwerkingsovereenkomst niet definitief tot stand is gekomen, althans is geëindigd, omdat de opschortende voorwaarde uit artikel 5.3 van de overeenkomst niet is vervuld. [gedaagde] betwist dat de voor de bouw van vier van de vijf woningen benodigde financiering is verkregen. De omvang van de door [eiseres] verkregen geldlening is niet afdoende. Ook is niet zeker dat de gelden daadwerkelijk aan het project zullen worden besteed. Daarnaast is aan [gedaagde] niet voor 1 maart 2024 meegedeeld dat financiering is verkregen. Integendeel, er is juist op 28 februari 2024 meegedeeld dat geen financiering is verkregen. [gedaagde] betwist dat de geldleningsovereenkomst op 29 februari 2024, dan wel voor 1 maart 2024 tot stand is gekomen.Meer subsidiair doet [gedaagde] een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW. Zij voert aan dat nakoming van de samenwerkingsovereenkomst voor haar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarnaast is sprake van schuldeisersverzuim van [eiseres] . Ook om die reden kan [gedaagde] niet worden veroordeeld tot nakoming van de overeenkomst. [gedaagde] betwist ten slotte de (hoogte van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.