RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-084872-23 en 23-001799-20 (tul) vonnis van de meervoudige kamer van 15 november 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [datum] 1990 te [plaats] , wonende te [adres] , raadsman mr. T.M. ten Velde, advocaat te Tilburg. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 november 2024, waarbij de officier van justitie mr. C.M.J.M. van Buul en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) en [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ) en tegen een auto. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de ten laste gelegde openlijke geweldpleging wettig en overtuigend bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Daarnaast wordt aangevoerd dat het letsel dat [slachtoffer 4] heeft opgelopen niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging partieel moet worden vrijgesproken. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Niet ter discussie staat dat er op 22 januari 2023 op de openbare weg, namelijk op de Sweelincklaan in Tilburg , een geweldsincident heeft plaatsgevonden. Hierbij waren verdachte en [medeverdachte] en aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] betrokken. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat verdachte de passagier is die als eerste achter uit de auto stapte, nu verdachte verklaart dat hij door een maat van hem is afgezet en dat [medeverdachte] de bestuurder van die auto was. Partiële vrijspraak Verdachte wordt onder andere verweten dat hij geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] . De rechtbank constateert dat het geweld gepleegd tegen [slachtoffer 3] bestond uit het slaan met een buis tegen zijn kuit door [medeverdachte] . Het slaan met een buis is niet als expliciete geweldshandeling in de tenlastelegging van verdachte opgenomen. De rechtbank zal verdachte daarom partieel vrijspreken van geweld gepleegd tegen [slachtoffer 3] . Overige geweldshandelingen De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat het geweld tegen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] bestond uit het slaan, stompen en/of trappen tegen hun gezicht en/of lichaam. Ook hebben verdachte en [medeverdachte] de auto van [slachtoffer 2] beschadigd door meerdere keren tegen deze auto te trappen. Bijten in de lip Verdachte wordt ook verweten dat hij in de lip van [slachtoffer 4] heeft gebeten. Verdachte heeft dit ontkend. Uit de aangifte van [slachtoffer 4] volgt dat verdachte tijdens het gevecht met [slachtoffer 4] in de lip van [slachtoffer 4] heeft gebeten, waardoor [slachtoffer 4] een snee in zijn lip heeft opgelopen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer 4] . De aangifte van [slachtoffer 4] wordt bovendien ondersteund door het bij hem geconstateerde letsel. Uit de foto’s van het letsel en de medische gegevens van [slachtoffer 4] blijkt duidelijk dat de snee is ontstaan door in de lip te bijten en niet, zoals de verdediging heeft aangevoerd, door een tand door de lip door een eventuele valpartij. De snee wordt in de medische gegevens van [slachtoffer 4] ook omschreven als bijtwond. De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of dit letsel gekwalificeerd moet worden als zwaar lichamelijk letsel. Daarbij moet worden gekeken naar de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Uit de medische gegevens van [slachtoffer 4] blijkt dat [slachtoffer 4] een wond aan zijn onderlip heeft opgelopen van drie centimeter. Deze wond was door en door en van dien aard dat deze moest worden gehecht met zeven hechtingen. Verder blijkt uit het dossier dat [slachtoffer 4] drie keer een inenting heeft gehad tegen hepatitis B. De rechtbank heeft op zitting geconstateerd dat de wond is verworden tot een blijvend litteken van drie centimeter, beginnend in de onderlip en lopende naar beneden. Dit betekent dat het gaat om een blijvend ontsierend litteken in het aangezicht van [slachtoffer 4] . Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het letsel van [slachtoffer 4] moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Openlijke geweldpleging De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als openlijke geweldpleging. Uit de aangiftes volgt dat het verdachte is geweest die [slachtoffer 1] meerdere keren heeft geslagen tegen zijn gezicht en hem heeft getrapt tegen zijn hoofd. Ook was het verdachte die [slachtoffer 4] gebeten heeft in zijn lip. Verdachte heeft [slachtoffer 4] meerdere keren geslagen en geschopt en hij heeft ook tegen de auto van [slachtoffer 2] getrapt. De rechtbank is ook van oordeel dat het openlijke geweld in vereniging is gepleegd. Verdachte stapte als eerste uit de auto, is naar het groepje van aangevers gelopen en is begonnen met de geweldshandelingen. Dit blijkt uit de verklaringen van de aangevers. Vervolgens is [medeverdachte] ook uitgestapt, heeft een buis uit de achterbak van zijn auto gepakt en is op de groep afgegaan. De geweldshandelingen die [medeverdachte] specifiek heeft gepleegd omvatten ook slaan en stompen tegen aangevers en slaan met die buis. [medeverdachte] heeft verklaard zijn vriend te willen helpen. Zo is een gezamenlijke vechtpartij ontstaan waar zij beiden aan deel hebben genomen en een significante bijdrage aan hebben geleverd. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 22 januari 2023 te Tilburg openlijk, te weten aan de Sweelincklaan, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen meerdere personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] , door die- meermalen te slaan en te stompen tegen het gezicht en het hoofd, en het lichaam, en - te schoppen en te trappen tegen het hoofd en het lichaam en - te bijten in de lip van die [slachtoffer 4] ,en tegen een goed, te weten een personenauto (gekentekend [kenteken] ) door meermalen te trappen tegen die auto, terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, te weten een snee in de lip, voor die [slachtoffer 4] , ten gevolge heeft gehad. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid 5.1 Het standpunt van de verdediging Volgens de verdediging komt verdachte een beroep toe op noodweer(exces), omdat verdachte zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. 5.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie voert aan dat verdachte geen geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt, omdat verdachte juist degene is geweest die, onder invloed van alcohol, op agressieve wijze de confrontatie met aangevers heeft gezocht. Er is dus geen sprake van een noodweersituatie. 5.3 Het oordeel van de rechtbank Noodweer(exces) Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of iemand anders lijf, eerbaarheid of goed. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees/angst voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De door een verdachte tegen deze (dreigende) aanranding gevoerde verdediging dient noodzakelijk en geboden te zijn geweest. Van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding kan niet worden gesproken, indien degene die zich verdedigt zich aan de (dreigende) aanranding had kunnen en moeten onttrekken. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] gedetailleerd en consistent hebben verklaard over de geweldshandelingen die verdachte en [medeverdachte] hebben verricht. Zij maken de geweldshandelingen niet groter en zijn ook open geweest over hun eigen aandeel. Zo heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij verdachte één keer heeft geslagen en dat hij verdachte uit de auto heeft getrokken toen die in de auto van [slachtoffer 2] was gestapt. Ook verklaren aangevers dat zij de auto waarin verdachte en [medeverdachte] zaten, na het geweldsincident hebben gevolgd om het kenteken te noteren. Aangevers hebben verklaard bij deze ‘achtervolging’ harder te hebben gereden dan was toegestaan. Hierdoor komen de verklaringen van aangevers authentiek op de rechtbank over. Zij ziet dan ook geen reden om aan deze verklaringen te twijfelen en zal deze verklaringen volgen. Dit betekent dat zij ervan uitgaat dat verdachte degene is geweest die op agressieve wijze op aangevers af is gelopen en vervolgens [slachtoffer 1] heeft geslagen in zijn gezicht. Dit handelen moet daarom naar het oordeel van de rechtbank niet als verdedigend, maar juist als aanvallend worden aangemerkt. Bovendien hadden verdachte en [medeverdachte] geen enkel letsel, zodat ook daarom niet aannemelijk is dat zij zijn aangevallen en hebben gehandeld uit noodzakelijke (zelf)verdediging. Daarbij merkt de rechtbank op dat, al zou [slachtoffer 1] verdachte als eerste hebben geslagen, dit in de gegeven omstandigheden nog geen noodweersituatie oplevert. Verdachte had zich namelijk op dat moment kunnen onttrekken aan de situatie door terug te lopen naar de auto, in te stappen en weg te rijden of door het appartementencomplex, waar hij ook woont, binnen te gaan. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan bespreking van het beroep op noodweerexces. Conclusie Ook voor het overige zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van negen maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. 6.2 Het standpunt van de verdediging Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, wordt verzocht rekening te houden met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van de rechtspraak en aan verdachte een taakstraf op te leggen. Bij openlijke geweldpleging met lichamelijk letsel, niet zijnde zwaar lichamelijk letsel, ten gevolge, geven de oriëntatiepunten als uitgangspunt een taakstraf. Bovendien volgt verdachte op dit moment een traject bij de gemeente Tilburg voor werk. Dit traject verloopt goed. De casemanager heeft aangegeven dat een gevangenisstraf dit goedlopende traject zal doorkruisen. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Aard en ernst van het feit Verdachte heeft zich met [medeverdachte] schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in vereniging. Op 22 januari 2023 waren [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] op stap geweest in Tilburg . Zij zijn rond 03:30 uur weggegaan uit de stad en met de auto richting de flat van [slachtoffer 4] aan de Sweelincklaan gereden om hem thuis af te zetten. Zij stonden met z’n vieren voor die flat een sigaretje te roken en na te praten over de stapavond toen er een auto aan kwam rijden. In deze auto zaten verdachte en [medeverdachte] . Op enig moment stapt verdachte uit deze auto en loopt hij op agressieve wijze in de richting van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Uit het niets ontstaat er een gevecht, waarbij [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] door verdachte en [medeverdachte] worden geslagen en geschopt. [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] lopen daarbij letsel op. Aan [slachtoffer 4] is zwaar lichamelijk letsel toegebracht: hij heeft een blijvend litteken in zijn gezicht waarmee hij iedere dag wordt geconfronteerd. Met zijn handelen heeft verdachte een grove inbreuk gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] . Op zitting was duidelijk waarneembaar wat het incident met de slachtoffers heeft gedaan. Zij hebben nog altijd angstgevoelens als gevolg van het handelen van verdachte en [medeverdachte] . Ook hebben verdachten de auto van [slachtoffer 2] beschadigd door hier meerdere keren tegen te trappen. Verdachte was duidelijk onder invloed van alcohol en heeft (mede daardoor) zeer agressief en gewelddadig gedrag vertoond richting de slachtoffers. Er is sprake van zinloos geweld, waarbij verdachte buitensporig veel geweld heeft gebruikt. Verdachte heeft zelfs in iemand zijn lip gebeten. Bovendien heeft de openlijke geweldpleging plaatsgevonden in de nacht en in het openbaar, namelijk op straat in een woonwijk. Een dergelijk incident zorgt voor gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte Dit is niet de eerste keer dat verdachte zich schuldig maakt aan geweldsfeiten. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor mishandeling en poging tot zware mishandeling. Er is dus sprake van recidive. Dit feit is zelfs gepleegd in de proeftijd van de bij vonnis in die eerdere zaak voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. De rechtbank zal dit in het nadeel van verdachte meewegen. De rechtbank weegt verder in het nadeel van verdachte mee dat hij op geen enkele manier verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Zo is hij niet op zitting verschenen en bagatelliseert hij zijn handelen door bij de politie te verklaren dat hij heeft gehandeld uit zelfverdediging. Van oprecht berouw over zijn handelen is de rechtbank niet gebleken. Over verdachte is op 3 oktober 2024 een rapport door de reclassering opgemaakt. Hieruit blijkt dat verdachte zijn leven inmiddels redelijk op orde heeft. Hij heeft passende huisvesting en ontvangt een uitkering. Ook volgt verdachte een traject binnen de gemeente Tilburg dat is gericht op het krijgen van werk. Volgens de raadsman ter zitting is verdachte inmiddels daadwerkelijk gestart met een baan. Er wordt al langer gesproken over agressieproblematiek bij verdachte waardoor verdachte telkens in aanraking komt met politie en justitie, maar verdachte heeft hier nooit behandeling voor gehad. De reclassering ziet een positieve verandering in de houding van verdachte. Verdachte is gemotiveerd om medewerking te verlenen aan interventies. Geadviseerd wordt om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, het deelnemen aan gedragsinterventie (agressiebeheersing), het volgen van een ambulante behandeling, dagbesteding en het meewerken aan middelencontrole. De straf Gelet op de aard en ernst van het feit en de omstandigheid dat sprake is van recidive, is de rechtbank van oordeel dat niet met een andere straf dan een gevangenisstraf kan worden volstaan. Bij het bepalen van de hoogte van die gevangenisstraf wordt aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van de rechtspraak. Deze oriëntatiepunten geven als uitgangspunt bij openlijke geweldpleging met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. De rechtbank ziet, alles afwegende, geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Zij acht het daarnaast van belang om aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Dit omdat zij het belangrijk vindt dat verdachte wordt behandeld en om ervoor te zorgen dat verdachte zich niet langer schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten. Concluderend, acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden. Zij legt dan ook aan verdachte op een gevangenisstraf van negen maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijke deel zal zij de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet. 7De benadeelde partij [slachtoffer 3] De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding. Verdachte wordt partieel vrijgesproken van de gedraging waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. [slachtoffer 4] De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert een schadevergoeding van € 6.314,33, bestaande uit € 314,33 aan materiële schade en € 6.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. Materiële schade Jas De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 180,00 voor schade aan zijn jas. De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van deze kosten zouden kunnen leiden, niet voldoende vast zijn komen te staan. Deze schade is dan ook onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor dit deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Vaccinaties De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 134,33 voor drie vaccinaties tegen hepatitis B. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten voldoende zijn onderbouwd. Deze kosten staan ook in voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank acht de gevorderde schadepost dan ook volledig toewijsbaar. Immateriële schade De benadeelde vordert een bedrag van € 6.000,00 aan immateriële schade. Hiertoe is aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval sprake is van een inbreuk op de lichamelijke integriteit. [slachtoffer 4] had zwaar lichamelijk letsel, namelijk een wond aan zijn lip. Hij heeft hieraan een blijvend litteken in zijn gezicht overgehouden, waar hij elke dag mee wordt geconfronteerd. De rechtbank acht gezien de omstandigheden en gelet op vergelijkbare zaken een bedrag van € 5.000,00 billijk aan immateriële schade voor dit letsel. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de aard en ernst van de normschending door verdachte meebrengen dat de relevante nadelige psychische gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat ook sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Immers vormt de openlijke geweldpleging ook een ernstige inbreuk op de geestelijke integriteit van de benadeelde partij. De rechtbank acht hiervoor gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend een vergoeding van een bedrag van € 1.000,00 billijk. Concluderend zal de rechtbank het gevorderde bedrag aan immateriële schade in zijn geheel toewijzen. Conclusie De rechtbank zal in totaal een bedrag van € 6.134,33 toewijzen. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. [slachtoffer 1] De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 5.984,95, bestaande uit € 984,95 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. Materiële schade Telefoonscherm De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 150,00 voor schade aan het scherm van zijn telefoon. De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van deze kosten zouden kunnen leiden, niet voldoende vast zijn komen te staan. Deze schade is dan ook onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor dit deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Jas De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 834,95 voor schade aan zijn jas. De rechtbank zal gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid nu stukken ter onderbouwing van het precieze schadebedrag ontbreken, maar uit het dossier wel duidelijk blijkt dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde feit schade aan zijn jas heeft opgelopen. De rechtbank zal die schade begroten op een bedrag van € 300,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.