RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/120954-23 vonnis van de meervoudige kamer van 12 februari 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] raadsvrouw mr. C. Karsdorp, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 januari 2024, waarbij de officier van justitie, mr. I.M.H. Masselink, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij [slachtoffer] is overleden, dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] is overleden. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair en subsidiair tenlastegelegde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Vast staat dat verdachte op 22 maart 2023 rond 8.00 uur als bestuurder van een vrachtwagen op de Plantijnlaan in de bebouwde kom Etten-Leur reed. Het was op dat moment licht en de weg was droog. Terwijl verdachte een rotonde naderde, heeft hij de vrachtwagen laten uitrollen en heeft hij enkele verkeersdeelnemers laten voorgaan die van links kwamen. Verdachte wilde vervolgens via de rotonde rechtsaf slaan en de Concordialaan op rijden. Hij keek daartoe in zijn rechterspiegels. [slachtoffer] fietste op dat moment parallel aan verdachte op de Plantijnlaan en wilde rechtdoor rijden over de rotonde. Bij het afslaan op de rotonde heeft verdachte het slachtoffer niet gezien. De fiets van het slachtoffer is in botsing gekomen met de vrachtwagen van verdachte en door deze botsing zijn het slachtoffer en haar fiets onder de vrachtwagen terechtgekomen. Als gevolg van het hierdoor opgelopen letsel is het slachtoffer ter plaatse overleden. Voorts staat vast dat aan het begin van de Concordialaan een verkeersbord staat met daarop een geslotenverklaring voor vrachtverkeer. Daaronder hangt een bord waaruit blijkt dat bestemmingsverkeer is uitgezonderd. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het ondanks voornoemd bord voor hem en andere chauffeurs gebruikelijk was om de route naar [bedrijf] op deze wijze te rijden. Ook heeft verdachte verklaard dat hij en zijn vrachtwagen de dag van het ongeval geen bestemmingsverkeer waren. Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) De vraag die de rechtbank eerst moet beantwoorden, is of het rijgedrag van verdachte zodanig is geweest dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW. Daarvan is pas sprake bij minimaal een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Of sprake is van een dergelijke mate van schuld hangt volgens vaste jurisprudentie af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarnaast geldt dat niet alleen uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW. Ook geldt dat in het algemeen een enkel moment van onoplettendheid niet de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De meetlat waarlangs het optreden van de bestuurder wordt gelegd, bestaat uit de eisen die aan de gemiddeld oplettende en verstandige weggebruiker mogen worden gesteld. Blijft de verdachte daarbij aanzienlijk achter, dan handelt hij met de voor artikel 6 van de WVW vereiste schuld. De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat verdachte het slachtoffer niet heeft gezien en daardoor geen voorrang heeft verleend, niet automatisch betekent dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De rechtbank heeft hiervoor echter vastgesteld dat verdachte daarnaast de Concordialaan is ingereden met zijn vrachtwagen terwijl dit die dag voor hem niet was toegestaan omdat hij geen zogenaamd bestemmingsverkeer was. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat sprake is van twee verschillende gedragingen die beide een bijdrage hebben geleverd aan het verkeersongeval. Het verkeersongeval had immers niet plaatsgevonden wanneer verdachte het bord voor geslotenverklaring voor vrachtverkeer had gerespecteerd en via één van de andere drie beschikbare routes naar [bedrijf] was gereden. Dat verdachte heeft afgewogen, mede na overleg hierover met zijn [werkgever] , dat hij de door hem gekozen route het meest veilig vond, maakt dat niet anders. De rechtbank is daarom van oordeel dat er wel sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW en acht, net als de officier van justitie, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aanmerkelijk onoplettend heeft gereden. Wel merkt de rechtbank hierbij op dat de ondergrens van de aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid maar net wordt gehaald. De rechtbank zal daar in de strafmaat rekening mee houden. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 22 maart 2023 te Etten-Leur als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmede rijdende over de weg, de Plantijnlaan en de rotonde Plantijnlaan – Concordialaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onoplettend, zich niet voldoende te vergewissen en zich niet voldoende te blijven vergewissen dat het op de rotonde (rechts) naast hem, verdachte, gelegen (verplichte) fietspad vrij was van overige verkeersdeelnemers (fietsers) en bij het afslaan naar rechts (richting Concordialaan), geen voorrang te verlenen aan een op de fietsstrook van die rotonde rechtdoor gaande fietser ( [slachtoffer] ), terwijl de Concordialaan gesloten was verklaard voor vrachtverkeer, welke geslotenverklaring (gezien vanuit de rijrichting van verdachte) kenbaar werd gemaakt middels het bord C7 van de bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en welk bord was voorzien van een onderbord als bedoeld in artikel 67, eerste lid onder c reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990, voorzien van de tekst “uitgezonderd bestemmings-verkeer” (en verdachte rijdend in een vrachtauto niet tot het bestemmingsverkeer behoorde), en vervolgens in botsing te komen met voornoemde fiets en fietser ( [slachtoffer] ), waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Strafbaarheid feit Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Strafbaarheid verdachte 5.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld. 5.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt dat er bij verdachte geen sprake is van afwezigheid van alle schuld. 5.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft in alinea 4.3.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.