RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Breda Zaaknummer / rekestnummer: C/02/423721 / HA RK 24-113 Beschikking van 25 november 2024 in de zaak van [verzoeker] , te [plaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , advocaat: mr. Y.H.P.M.J. Willems, tegen 1 [verweerder sub 1] , te [plaats] , advocaat: mr. A.J.C.L. Pals-Rubbens,2. [de Stichting], te [plaats] , niet verschenen, verwerende partijen, hierna te noemen: [verweerder sub 1] en de Stichting. 1De zaak in het kort 1.1. De Stichting is op 3 september 2018 opgericht met als doel om de energietransitie binnen de [gemeente] te stimuleren en realiseren. [verzoeker] en [verweerder sub 1] zijn allebei bestuurder van de Stichting. [verzoeker] vervult de rol van secretaris en [verweerder sub 1] de rol van voorzitter en penningmeester. [verzoeker] verzoekt ontslag van [verweerder sub 1] als bestuurder van de Stichting omdat hij vindt dat [verweerder sub 1] zijn taak heeft verwaarloosd. Als voorlopige voorziening verzoekt [verzoeker] schorsing van [verweerder sub 1] als bestuurder. [verweerder sub 1] voert verweer. Hij vindt dat juist [verzoeker] zijn taak heeft verwaarloosd. Om die reden heeft [verweerder sub 1] [verzoeker] ontslagen als bestuurder. Voor zover [verzoeker] nog wel als bestuurder moet worden beschouwd, verzoekt [verweerder sub 1] op zijn beurt ontslag van [verzoeker] als bestuurder van de Stichting. Ook verzoekt hij de rechtbank om de Stichting te ontbinden. 1.2. De rechtbank oordeelt als volgt. De voorlopige voorziening hoeft niet beoordeeld te worden, omdat er direct over het ontslag van [verweerder sub 1] als bestuurder van de Stichting wordt besloten. Dat verzoek wordt toegewezen. De (voorwaardelijke) tegenverzoeken van [verweerder sub 1] worden afgewezen. 1.3. De rechtbank licht dit oordeel hierna onder ‘De beoordeling’ toe. Eerst worden het verloop van de procedure, de feiten en de (tegen)verzoeken en het verweer daartegen geschetst. Tot slot volgt de beslissing. 2Procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met producties 1 tot en met 33, ontvangen op 21 juni 2024, waarin ook een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is opgenomen; de aanvullende producties 34 tot en met 47 van [verzoeker] ; het verweerschrift met producties 1 tot en met 13 tevens houdende een tegenverzoek en een voorwaardelijk tegenverzoek; de mondelinge behandeling van 14 oktober 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; de spreekaantekeningen van mr. Willems en mr. Pals-Rubbens, zoals die tijdens de mondelinge behandeling zijn voorgelezen. 3De feiten 3.1. De Stichting is opgericht bij notariële akte van 3 september 2018. [verzoeker] en [verweerder sub 1] zijn de oprichters van de Stichting. Volgens de statuten heeft de Stichting onder andere als doel om de energietransitie bij particulieren, bedrijven, verenigingen en overheden aan te jagen, te versnellen en te realiseren. Onder energietransitie wordt verstaan de omslag van een fossiele energiehuishouding naar een duurzame C02-neutrale energiehuishouding. 3.2. [verzoeker] vervult binnen de Stichting de rol van secretaris. [verweerder sub 1] is de voorzitter en de penningmeester van de Stichting. 3.3. In artikel 4 lid 5 van de statuten is bepaald dat de bestuurders geen beloning ontvangen voor hun werkzaamheden. Zij hebben wel recht op vergoeding van de in de uitoefening van hun functie gemaakte kosten. 3.4. Over besluitvorming door het bestuur is in artikel 7 van de statuten het volgende opgenomen: “ Bestuur: besluitvorming Het bestuur kan in een vergadering alleen besluiten nemen indien de meerderheid van de in functie zijnde bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd is. Een bestuurder kan zich in een vergadering door een andere bestuurder laten vertegenwoordigen nadat een schriftelijke, ter beoordeling van de voorzitter van de vergadering voldoende, volmacht is afgegeven. Een bestuurder kan daarbij slechts voor één andere bestuurder als gemachtigde optreden. Is in een vergadering niet de meerderheid van de in functie zijnde bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd dan wordt een tweede vergadering bijeengeroepen, te houden niet eerder dan twee weken later en niet later dan vier weken na de eerste vergadering. In deze tweede vergadering kan ongeacht het aantal aanwezige of vertegenwoordigde bestuurders worden besloten omtrent de onderwerpen welke op de eerste vergadering op de agenda waren geplaatst. Bij de oproeping tot de tweede vergadering moet worden vermeld dat en waarom een besluit kan worden genomen ongeacht het aantal aanwezige of vertegenwoordigde bestuurders. Zolang in een vergadering alle in functie zijnde bestuurders aanwezig zijn, kunnen geldige besluiten worden genomen over alle aan de orde komende onderwerpen, mits met algemene stemmen, ook al zijn de door de statuten gegeven voorschriften voor het oproepen en houden van vergaderingen niet in acht genomen. Besluiten van het bestuur kunnen in plaats van in een vergadering ook schriftelijk worden genomen. Dat kan ook langs elektronische weg. Bij het nemen van een besluit op deze wijze moeten alle bestuursleden in het te nemen besluit gekend zijn. Het bestuur kan ook buiten vergadering besluiten nemen. Van een aldus genomen besluit wordt door de secretaris een relaas opgemaakt, dat na medeondertekening door de voorzitter als notulen wordt bewaard. Iedere bestuurder heeft het recht tot het uitbrengen van één stem. Voor zover deze statuten geen grotere meerderheid voorschrijven worden bestuursbesluiten genomen met volstrekte meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen. Bij staking van stemmen wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. (…)” 3.5. In artikel 8 van de statuten is een bepaling opgenomen over het defungeren van een bestuurder: “ Bestuur: defungeren Een bestuurder defungeert: door zijn overlijden of indien de bestuurder een rechtspersoon is, door haar ontbinding of indien zij ophoudt te bestaan; door het verlies van het vrije beheer over zijn vermogen; door zijn aftreden; door ontslag door de gezamenlijke overige bestuurders; door ontslag op grond van artikel 2:298 Burgerlijk Wetboek.” 3.6. De Stichting ontving vanaf 2020 jaarlijks een subsidie van de [gemeente] voor de realisatie van haar doelstellingen. Deze subsidiegelden kwamen beschikbaar vanuit het Rijk op basis van de Regeling Reductie Energiegebruik (RRE) en later de Regeling Reductie kleine Energiebesparingen Woningen (RREW). 3.7. De werkwijze was als volgt. Elke inwoner van de [gemeente] ontving een voucher met een bepaalde waarde. Deze voucher kon worden gebruikt om energiebesparende producten zoals bijvoorbeeld een LED-lamp te kopen. De Stichting had een website, maar huurde ook een fysieke ruimte waar inwoners terecht konden. De Stichting zorgde ervoor dat de gekozen energiebesparende producten bij de inwoners terecht kwamen. De voucher kon ook worden besteed aan het laten uitvoeren van een warmte- of energiescan door de Stichting. 3.8. [verweerder sub 1] heeft op 20 november 2020 de besloten vennootschap [de B.V.] ”) opgericht. De vennootschap heeft als doel “het uitvoeren van verduurzamingsacties voor particulieren, bedrijven en overheid”. 3.9. De subsidiebedragen werden als voorschot door de gemeente aan de Stichting uitbetaald, en achteraf aan de hand van de uitgevoerde activiteiten definitief vastgesteld. De in de periode van 4 december 2020 tot en met 17 december 2021 ontvangen subsidiebedragen zijn door de Stichting voor het overgrote deel overgemaakt naar [de B.V.] . In totaal gaat het in ieder geval om een bedrag van € 1.060.332,39. [de B.V.] heeft de inkoop en verwerking van de met de vouchers geplaatste bestellingen van goederen afgehandeld. 3.10. Vanaf begin 2024 heeft [verzoeker] na het doornemen van de bankafschriften van de Stichting vragen gesteld aan [verweerder sub 1] over bepaalde betalingen. Het betrof onder andere betalingen waarvan [verzoeker] het vermoeden had dat ze voor privédoeleinden van [verweerder sub 1] waren gedaan en de betalingen aan [de B.V.] . 3.11. [verzoeker] heeft [verweerder sub 1] bij brief van 29 februari 2024 aansprakelijk gesteld en gesommeerd om binnen 14 dagen een bedrag van € 1.156.145,56 aan de Stichting terug te betalen. Ook wordt [verweerder sub 1] in de brief uitgenodigd voor een bestuursvergadering op 20 maart 2024, met op de agenda onder andere de “bespreking financiële stukken van de Stichting in de jaren 2020 tot en met heden en toelichting en verantwoording administratie en onttrekkingen door de penningmeester”. Ook het voorgenomen ontslag van [verweerder sub 1] als bestuurder van de Stichting stond op de agenda. 3.12. De bestuursvergadering is op verzoek van de advocaat van [verweerder sub 1] verzet naar 28 maart 2024. [verzoeker] heeft op 18 maart 2024 verzocht om voorafgaande toezending van de financiële stukken, waaronder in ieder geval alle balansen en staten van baten en lasten, met een onderbouwing van onttrekkingen en inkomsten. 3.13. De advocaat van [verweerder sub 1] heeft per e-mail van 26 maart 2024 laten weten dat [verweerder sub 1] vanzelfsprekend alle medewerking wilde verlenen aan het verstrekken van de administratie, maar dat op dat moment nog niet kon doen: “Alleen loopt cliënt er tegenaan dat de heer [verzoeker] de bank heeft geblokkeerd voor hem waardoor hij ook niet meer kan inloggen op de bank en transacties kan koppelen. Verder is cliënt bezig de administratie mede door een accountant te laten controleren zodat die helemaal op orde is.” 3.14. Tijdens de bestuursvergadering van 28 maart 2024 hebben [verzoeker] en [verweerder sub 1] vanwege het ontbreken van de administratie besloten om de vergadering te schorsen en deze op 12 april 2024 voort te zetten. Deze datum is op verzoek van [verweerder sub 1] later verzet naar 18 april 2024. 3.15. [verweerder sub 1] heeft op 17 april 2024 via WeTransfer stukken uit de boekhouding van de Stichting gedeeld. [verweerder sub 1] heeft onder meer de balans 2023 gedeeld, waarop vermeld staat dat de Stichting per 31 december 2023 een vordering van € 22.005,20 heeft op [verweerder sub 1] en een vordering van € 13.466,10 op [verzoeker] . 3.16. Van de op 18 april 2024 gehouden bestuursvergadering zijn concept notulen opgesteld. Partijen zijn het niet eens geworden over een definitieve versie van de notulen. 3.17. Na de bestuursvergadering van 18 april 2024 hebben (de advocaten van) [verzoeker] en [verweerder sub 1] geprobeerd in onderling overleg tot een oplossing te komen. Dit is niet gelukt. 3.18. [verweerder sub 1] heeft [verzoeker] per e-mail van zijn advocaat van 28 juni 2024 op de hoogte gesteld van het voornemen om [verzoeker] als bestuurder van de Stichting te ontslaan. [verweerder sub 1] heeft [verzoeker] verzocht om zijn visie hierop binnen acht dagen kenbaar te maken, al dan niet in een online bestuursvergadering (in welk geval de e-mail als oproeping gold voor een vergadering te houden op dinsdag 9 juli 2024). 3.19. [verzoeker] is niet verschenen op de bestuursvergadering van 9 juli 2024. [verweerder sub 1] heeft [verzoeker] vervolgens bij brief van 10 juli 2024 met directe ingang ontslagen als bestuurder van de Stichting, onder verwijzing naar artikel 8 lid 4 van de statuten. [verweerder sub 1] heeft [verzoeker] laten uitschrijven als bestuurder bij de kamer van koophandel. [verzoeker] heeft daartegen bezwaar gemaakt. 4Het verzoek van [verzoeker] en het verweer daartegen 4.1. [verzoeker] verzoekt de rechtbank om [verweerder sub 1] met onmiddellijke ingang als bestuurder van de Stichting te ontslaan en hem bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding te schorsen als bestuurder van de Stichting, met veroordeling van [verweerder sub 1] in de proceskosten. [verzoeker] verzoekt de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4.2. [verweerder sub 1] voert verweer. [verzoeker] moet niet-ontvankelijk worden verklaard of zijn verzoeken moeten worden afgewezen, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten. 5. De (voorwaardelijke) tegenverzoeken van [verweerder sub 1] en het verweer daartegen 5.1. [verweerder sub 1] verzoekt de rechtbank om de Stichting te ontbinden met benoeming van [verweerder sub 1] als vereffenaar. 5.2. Voor zover de rechtbank de verzoeken van [verzoeker] toewijst of van oordeel is dat [verzoeker] nog bestuurder is van de Stichting, verzoekt [verweerder sub 1] de rechtbank om [verzoeker] met onmiddellijke ingang als bestuurder van de Stichting te ontslaan. 5.3. [verweerder sub 1] verzoekt de rechtbank om [verzoeker] in zowel het tegenverzoek als het voorwaardelijke tegenverzoek in de proceskosten te veroordelen, en de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 5.4. [verzoeker] voert verweer. De (voorwaardelijke) tegen verzoeken moeten volgens [verzoeker] vanwege gebrek aan grondslag worden afgewezen. 5.5. De rechtbank gaat hierna in op de relevante standpunten die partijen naar voren hebben gebracht in het kader van hun verzoeken en verweren. 6De beoordeling In de zaak van het verzoek van [verzoeker] De voorlopige voorziening 6.1. Tijdens de zitting is door [verzoeker] aangegeven dat de voorlopige voorziening niet beoordeeld hoefde te worden indien de rechtbank in de beschikking direct zou beslissen op het verzochte ontslag van [verweerder sub 1] . Nu dat laatste het geval is, wordt in deze beschikking niet beslist op de verzochte voorlopige voorziening. Het ontslag van [verweerder sub 1] als bestuurder van de Stichting 6.2. Op het verzoek tot ontslag van [verweerder sub 1] als bestuurder van de Stichting is artikel 2:298 lid 1 Burgerlijk Wetboek (“BW”) van toepassing. Tot 1 juli 2021 bepaalde dit artikel – voor zover hier van belang – dat een bestuurder die iets doet of nalaat in strijd met de bepalingen van de wet of van de statuten, dan wel zich schuldig maakt aan wanbeheer, op verzoek van een belanghebbende door de rechtbank kan worden ontslagen. Sinds 1 juli 2021 bepaalt dit artikel – voor zover hier van belang – dat een bestuurder op verzoek van een belanghebbende door de rechtbank kan worden ontslagen wegens verwaarlozing van zijn taak, wegens andere gewichtige redenen of wegens ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld. Omdat een deel van de gedragingen die [verweerder sub 1] worden verweten hebben plaatsgevonden voor 1 juli 2021 en een deel na deze datum, zal de rechtbank de gedragingen aan beide artikelen moeten toetsen. 6.3. De discussie tussen [verzoeker] en [verweerder sub 1] gaat over twee onderwerpen: kan [verzoeker] wel of niet als belanghebbende worden beschouwd, en is er sprake van wanbeheer dan wel verwaarlozing van de taak als bestuurder door [verweerder sub 1] . 6.4. De rechtbank gaat hierna in op beide onderwerpen. [verzoeker] geldt als belanghebbende 6.5. [verweerder sub 1] heeft als verweer aangevoerd dat [verzoeker] geen belanghebbende in de zin van artikel 2:298 lid 1 BW is, omdat [verzoeker] door het ontslag op 10 juli 2024 geen bestuurder meer is van de Stichting. Dit zou volgens [verweerder sub 1] moeten leiden tot een niet-ontvankelijk verklaring van [verzoeker] in zijn verzoek tot ontslag van [verweerder sub 1] . 6.6. [verzoeker] voert aan wel belanghebbende te zijn. Als medebestuurder van de Stichting heeft hij een belang bij de uitkomst van de procedure. [verzoeker] betwist dat de brief van 10 juli 2024 zijn ontslag als bestuurder heeft bewerkstelligd. Zelfs als dat wel zo zou zijn, zou hij als oud bestuurder van de Stichting nog steeds belanghebbende zijn. In dat geval geldt dat hij als oud bestuurder zo nauw betrokken is geweest bij het onderwerp van de procedure, dat hij daarbij belanghebbende is. 6.7. De rechtbank overweegt dat de vraag of iemand belanghebbende is op grond van vaste rechtspraak moet worden beantwoord aan de hand van zogenaamde tweekringenleer. Volgens deze leer zijn er twee categorieën van belanghebbenden, namelijk: degenen die bij de uitkomst van de procedure een eigen belang hebben, en degenen die op een andere wijze zo nauw betrokken zijn bij het onderwerp van de procedure dat ze op grond van die betrokkenheid een belang hebben om in de procedure te verschijnen. 6.8. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] nog steeds bestuurder van de Stichting is, en daarmee binnen de eerste categorie van belanghebbenden valt. De rechtbank legt dit uit. 6.9. Anders dan [verweerder sub 1] heeft betoogd, is voor het ontslag van een bestuurder een besluit vereist. Dat artikel 8 lid 4 van de statuten bepaalt dat een bestuurder defungeert door ontslag door de gezamenlijke overige bestuurders, betekent niet dat aan dit ontslag geen besluit ten grondslag hoeft te liggen. Tot dit ontslag moet immers worden besloten. 6.10. De statuten geven in artikel 7 regels waaraan rechtsgeldige besluitvorming binnen de Stichting moet voldoen. De brief van [verweerder sub 1] aan [verzoeker] van 10 juli 2024 waarin [verzoeker] per direct wordt ontslagen voldoet niet aan deze regels. [verweerder sub 1] heeft [verzoeker] opgeroepen voor een bestuursvergadering, te houden op 9 juli 2024, maar heeft vervolgens – toen [verzoeker] niet verscheen en tijdens de vergadering dus niet de meerderheid van de in functie zijnde bestuurders aanwezig was – geen tweede vergadering bijeen geroepen. Dit had volgens lid 2 van artikel 7 van de statuten wel gemoeten. Pas dan had besluitvorming in een vergadering kunnen plaatsvinden. Op grond van lid 4 kan een besluit van het bestuur in plaats van in vergadering ook schriftelijk worden genomen, maar bij het nemen van besluiten op deze wijze moeten alle bestuursleden in het te nemen besluit gekend zijn. Niet gesteld of gebleken is dat daarvan in dit geval sprake was. 6.11. De brief van 10 juli 2024 geldt dan ook niet als een rechtsgeldig bestuursbesluit dat het ontslag van [verzoeker] heeft bewerkstelligd. De rechtbank overweegt ten overvloede dat ook als [verzoeker] op 10 juli 2024 wel zou zijn ontslagen als bestuurder van de Stichting, hij nog steeds als belanghebbende zou kunnen worden aangemerkt. Deze procedure gaat over het tijdens de periode van het bestuurderschap van [verzoeker] gevoerde bestuur binnen de Stichting, zodat [verzoeker] daar sowieso zo nauw bij betrokken is dat hij binnen de tweede categorie van belanghebbenden zou vallen. 6.12. Het voorgaande betekent dat [verzoeker] ontvankelijk is in zijn verzoek tot ontslag van [verweerder sub 1] als bestuurder van de Stichting. De rechtbank komt nu aan de beoordeling van dit verzoek toe. [verweerder sub 1] heeft zijn taak verwaarloosd 6.13. [verzoeker] legt aan zijn verzoek tot ontslag van [verweerder sub 1] als bestuurder van de Stichting ten grondslag dat [verweerder sub 1] zijn taak als penningmeester heeft verwaarloosd en dat er aan zijn kant sprake is van wanbeheer. Deze conclusie trekt [verzoeker] op grond van de volgende door hem gestelde feiten: [verweerder sub 1] is ondanks herhaald verzoek niet in staat gebleken om rekening en verantwoording af te leggen over de gevoerde administratie. [verweerder sub 1] heeft geen inzicht kunnen geven in de transacties waarvan vooralsnog aangenomen moet worden dat deze een niet zakelijk karakter hebben. Ook heeft [verweerder sub 1] geen transparantie betracht en verantwoording afgelegd inzake de bedragen die aan zijn vennootschap [de B.V.] zijn overgemaakt; [verweerder sub 1] heeft gelden van de Stichting uitgegeven voor privédoeleinden. Voor een bedrag van in totaal € 87.755,45 is geen zakelijke verklaring gegeven, zodat [verzoeker] vermoed dat dit bedrag door [verweerder sub 1] voor privézaken is gebruikt. [verweerder sub 1] heeft ook expliciet erkend dat hij een bedrag van € 22.005,20 van de Stichting heeft uitgegeven voor privédoeleinden. 6.14. [verweerder sub 1] betwist dat hij zijn taak heeft verwaarloosd of wanbeheer heeft gepleegd: Hij heeft een goede administratie gevoerd, waaruit de stand van de baten en lasten van de Stichting blijkt. [verweerder sub 1] heeft [verzoeker] daar ook inzage in gegeven. Het gaat te ver om [verzoeker] per betaling in de voorgaande jaren aan de hand te moeten nemen, enkel omdat hij de penningmeester is. [verzoeker] kan zelf de gegevens en boekingen volgen via de gedeelde stukken. Bovendien geldt dat [verzoeker] net zo goed verantwoordelijk is voor de gehele administratie. Er is geen strikte taakverdeling, behalve de titel secretaris, penningmeester of voorzitter. In de praktijk deden [verzoeker] en [verweerder sub 1] alles samen. Alles wat [verzoeker] hem verwijt, zou [verzoeker] zelf ook kunnen worden verweten. De betalingen aan [de B.V.] zijn allemaal volledig terecht en volgens afspraak. De betalingen zijn gebaseerd op de afspraak dat [de B.V.] de verduurzamingsacties zou uitvoeren en daarom de subsidiegelden overgemaakt zou krijgen. [verzoeker] komt bovendien te laat met zijn verwijten. [verzoeker] wist vanaf het begin af aan van alle transacties, en is pas in 2024 met vragen gekomen; Het klopt dat [verweerder sub 1] de creditcard van de Stichting heeft gebruikt voor privédoeleinden, omdat hij zelf niet over een creditcard beschikte. In totaal heeft [verweerder sub 1] een bedrag van € 22.005,20 van de Stichting gebruikt voor privédoeleinden. Dit was gebruikelijk, ook [verzoeker] betaalde vanuit de Stichting voor bepaalde privézaken. [verweerder sub 1] betwist dat hierdoor sprake is van verwaarlozing van zijn taak. [verweerder sub 1] heeft de privébetalingen nooit proberen te verdoezelen, maar netjes opgenomen in de administratie. Het is en was inzichtelijk in de banktransacties die [verzoeker] op elk moment kon inzien en ook zelf gebruikte voor eigen betalingen. De vordering van de Stichting op [verweerder sub 1] is ook opgenomen in de balans. 6.15. De rechtbank oordeelt als volgt. Ad
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.