← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2024:8121

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/017493-22 vonnis van de meervoudige kamer van 28 november 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [plaats] op [datum] 1997, wonende te [adres] , raadsman: mr. D.A. Souisa, advocaat te Breda. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 november 2024, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.A.P. van Hees, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 1), mishandeling (feit 2) en het aanwezig hebben van cocaïne (feit 3). 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten 1 en

  1. De verklaring van aangever is niet betrouwbaar en staat haaks op de verklaringen van verdachte en de getuigen. Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs De rechtbank stelt op basis van het dossier en het besprokene ter zitting het volgende vast. Op 19 januari 2022 hebben verdachte en aangever een ontmoeting gehad op parkeerplaats Boekfos in Asse, België. Deze ontmoeting was zonder dat aangever dit wist door verdachte opgezet, via een meisje dat op Facebook contact had met aangever. Verdachte was op de parkeerplaats aanwezig met in ieder geval nog twee andere personen; getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Op de parkeerplaats is verdachte bij aangever in de auto gestapt. Hierna zijn zij van auto gewisseld en is aangever met verdachte in de auto van verdachte gaan zitten, terwijl de getuigen buiten bleven staan. De ontmoeting was door verdachte geïnitieerd, omdat verdachte van mening was dat aangever de bruidsschat van het zusje van aangever had gestolen. Aangever was getrouwd met het zusje van verdachte en hun echtscheiding was aanstaande. Aangever heeft verklaard dat hij met geweld werd gedwongen om in de auto van verdachte plaats te nemen en dat het portier daarna werd geblokkeerd door de andere aanwezige mannen, waardoor hij niet uit de auto kon. Ook zou hij in de auto door verdachte en nog een persoon zijn mishandeld en bedreigd. Verdachte heeft ontkend dat aangever werd gedwongen om in zijn auto plaats te nemen en dat het portier werd geblokkeerd. Het was een normaal gesprek, waarbij er door hem slechts op hoge toon werd gesproken. Er zou ook geen geweld hebben plaatsgevonden. Feit 1 De rechtbank constateert dat de verklaring van aangever voor zover deze ziet op de wederrechtelijke vrijheidsberoving geen steun vindt in enig ander bewijsmiddel. De rechtbank spreekt verdachte dan ook, bij gebrek aan wettig bewijs, hiervan vrij. Feit 2 Aangever heeft verklaard dat hij in de auto meerdere malen bij de keel is vastgepakt door verdachte, dat hierin is geknepen en dat hij is geduwd. Ook zou hij een kopstoot hebben gekregen van verdachte en in zijn gezicht zijn geslagen. Dat aangever letsel had toen hij aangifte deed, staat niet ter discussie. Hij had een bult op zijn hoofd, iets dat ook in de geneeskundige verklaring is opgenomen. Gelet op de korte tijd die tussen de ontmoeting enerzijds en de aangifte en de geneeskundige verklaring anderzijds zat en de verklaring van verdachte tijdens het verhoor bij de politie, acht de rechtbank bewezen dat aangever dit letsel tijdens deze ontmoeting heeft opgelopen en dat het verdachte is geweest die dit letsel bij aangever heeft toegebracht. Hoewel de getuigen hebben verklaard tijdens de ontmoeting geen letsel bij aangever te hebben gezien en ook verdachte ter zitting heeft verklaard dat het niet kan dat hij het letsel heeft toegebracht, schuift de rechtbank deze verklaringen ter zijde. Dat getuigen geen letsel hebben gezien, betekent immers niet dat dit er niet was. Bovendien kan een zwelling op het hoofd zich later ontwikkelen. Daarnaast zijn deze verklaringen geruime tijd na de ontmoeting afgelegd, waarbij verdachte heeft verklaard dat hij vooraf met deze getuigen over het afleggen van deze verklaringen heeft gesproken. Verdachte heeft hier bovendien eerder anders over verklaard. In zijn verhoor bij de politie, slechts twee dagen na het incident, heeft verdachte namelijk verklaard dat het kan zijn dat zijn hoofd en het hoofd van aangever elkaar hebben geraakt. Op een verduidelijkingsvraag van de verhorende verbalisanten, of verdachte aangever überhaupt pijn of letsel heeft toegebracht, heeft hij verklaard dat dit misschien met zijn hoofd kan zijn gedaan. De rechtbank hecht in dit geval waarde aan de verklaring die verdachte vlak na het incident heeft afgelegd, toen de gebeurtenissen nog vers in zijn herinnering zaten. De rechtbank acht, gelet op voornoemde, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever heeft mishandeld door hem een kopstoot te geven. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangever met betrekking tot de overige op de tenlastelegging genoemde geweldshandelingen onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank spreekt verdachte hiervan dan ook partieel vrij. Feit 3 De rechtbank acht dit feit, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, het proces-verbaal van aantreffen van de cocaïne en het rapport waarin staat dat het als zodanig is getest, wettig en overtuigend bewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte Feit 2 op 19 januari 2022 te [parkeerplaats] in Asse [aangever] heeft mishandeld door die [aangever] een kopstoot te geven tegen het gezicht; Feit 3 op 20 januari 2022 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 8,73 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 270 dagen, waarvan 264 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een taakstraf van 240 uur. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft de rechtbank verzocht om indien zij tot een bewezenverklaring komt aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Verdachte heeft het recht in eigen hand genomen en heeft zich niet kunnen beheersen toen hij samen met de inmiddels ex-man van zijn zusje in gesprek was over een familieconflict. De kopstoot die hij heeft uitgedeeld was van een zodanige aard dat aangever hierdoor een flinke bult op zijn hoofd heeft opgelopen. Het is kwalijk dat verdachte zijn emoties kennelijk niet de baas was. Daarnaast had verdachte cocaïne in zijn woning liggen. Het aanwezig hebben van cocaïne is, zelfs bij een relatief geringe hoeveelheid, een feit dat ernstig is. Harddrugs, waaronder cocaïne, zijn immers stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid en sterk verslavend zijn. Hierdoor ontstaat schade en overlast voor de samenleving. Daarnaast gaat de wereld die achter het aanwezig hebben en gebruik van cocaïne schuilt gepaard met ernstige ondermijnende criminaliteit, waaronder ernstige geweldsexplosies, waarbij niet zelden onschuldige burgers betrokken zijn. De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor “mishandeling door een kopstoot met letsel ten gevolg” geldt als uitgangspunt een taakstraf van 120 uur. Omdat verdachte op 22 maart 2024 in een andere zaak is veroordeeld voor cocaïnehandel, zal de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 63 Wetboek van Strafrecht, nu geen straf opleggen voor het aanwezig hebben van een relatief geringe hoeveelheid cocaïne. De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met het feit dat aangever in zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft aangegeven dat hij het niet meer van belang vindt dat verdachte een straf krijgt. Daarnaast is de redelijke termijn geschonden. De rechtbank houdt ook hiermee in strafmatigende zin rekening. Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan door de officier van justitie is gerekwireerd, zal zij een aanzienlijk lagere straf opleggen dan geëist door de officier van justitie. Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf van 80 uur, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. 7Het beslag 7.1 De teruggave aan verdachte De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien de voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen. 7.2 De onttrekking aan het verkeer De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat de voorwerpen bij het onderzoek naar de tenlastegelegde feiten zijn aangetroffen. De voorwerpen behoren aan verdachte toe en zijn in strijd met de wet. 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 36b, 36c, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 tenlastegelegde; Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.
  2. is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feit 2: mishandeling; feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren; - beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van 2 uur per dag; Beslag - gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten; * Seat Ibiza ( [kenteken] ), goednummer PL2000-2022017252-2420628; * Apple iPhone Wit, goednummer PL2000-2022018051-2421006; * Apple iPhone A1779, goednummer PL2000-2022018051-2421009; * Apple iPhone Zwart, goednummer PL2000-2022017252-2420992; Beslag - verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: * Verdovende mid (Cocaine Crack), 18 stuks, goednummer PL2000-2022018051-2420974; * Verdovende mid (Cocaine Crack), 5 stuks, goednummer PL2000-2022018051-
  3. Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.M. Pooyé, voorzitter, mr. M.E.I. Beudeker en mr. V. Hartman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Heitzman, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 november
  4. Bijlage I De tenlastelegging 1hij op of omstreeks 19 januari 2022 te [parkeerplaats] , in Asse, althans in België, opzettelijk [aangever] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door die voornoemde [aangever] :bij de keel vast te pakken en/of vast te houden en/of daarin te knijpen en/of(vervolgens) die [aangever] tegen zijn rug, in een (personen)auto (aan depassagierskant) te duwen en/of meermalen, althans eenmaal een kopstoot te geven en/of meermalen, althans een maal te slaan en/of te stompen in/op/tegen het gezicht,althans op het lichaam en/of die [aangever] gedurende enige tijd in die (personen)auto op te houden en/of door de uitgang van die (personen)auto met een of meerdere onbekend gebleven perso(o)n(en) te (laten) blokkeren, althans die [aangever] te beletten om die (personen)auto te verlaten, zulks terwijl die [aangever] meerdere malen heeftaangegeven dat hij, verdachte, hem, [aangever] , moest laten gaan en/of dat hij, [aangever] ,weg en/of naar huis wil en/of die [aangever] de woorden toe te voegen:"Gaan we nu normaal praten” en/of “zeg dat je alles gestolen hebt van mijn zusje”en/of “jij gaat die rechtszaak beëindigen” en/of “jij moet geld betalen en aangevendat jij zelf goud hebt gestolen van mijn zusje” en/of “ hiervoor heb je een dag detijd” en/of "als je dit niet doet ga ik jou drie broertjes dood schieten en daarna jou”,althans woorden van gelijke dreigende en/of dwingende aard en/of strekking;( art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) 2hij op of omstreeks 19 januari 2022 te [parkeerplaats] in Asse, althans in België [aangever]heeft mishandeld door die [aangever] bij de keel vast te pakken en/of vast te houdenen/of daarin te knijpen en/of (vervolgens) die [aangever] tegen de rug te duwen en/ofmeermalen, althans eenmaal een kopstoot te geven en/of meermalen, althans een maal te slaan en/of te stompen in/op/tegen het gezicht, althans op het lichaam;( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) 3hij op of omstreeks 20 januari 2022 te Rijen, gemeente Gilze en Rijenopzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 8,73 gram cocaïne, in elk geval eenhoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel alsbedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens hetvijfde lid van artikel 3a van die wet;( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.