RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/10960 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2024 in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser (gemachtigde: mr. I.E.F.M. Delahaije), en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur. Inleiding
- In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 oktober 2023, betreffende het verzoek om een teruggaaf van energiebelasting voor het jaar
- 1.
- Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank
- Met dagtekening 27 december 2022 heeft eiser verzocht om een teruggaaf van energiebelasting voor het jaar
- Eiser beroept zich op de teruggaafregeling, zoals opgenomen in paragraaf 4.5 van het Beleidsbesluit Belastingen op milieugrondslag (het Besluit). Op basis daarvan wordt op verzoek teruggaaf van energiebelasting verleend in gevallen waarin achter één elektriciteitsaansluiting meerdere onroerende zaken zijn aangesloten. Eiser heeft de brief van de inspecteur van 25 januari 2023 opgevat als een afwijzing van dit verzoek, waartegen hij bij brief van 6 maart 2023 bezwaar heeft gemaakt. 2.
- In de uitspraak op bezwaar van 6 oktober 2023 heeft de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser niet kwalificeert als belanghebbende in de zin van artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) én wegens het ontbreken van procesbelang. 2.
- In beroep heeft de inspecteur aanvullend het standpunt ingenomen dat geen bezwaar en beroep openstaat tegen de beslissing op het verzoek. De rechtbank zal eerst beoordelen of inderdaad sprake is van een besluit waartegen geen bezwaar openstaat en of de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. 2.
- In het belastingrecht geldt een gesloten stelsel van rechtsbescherming. Dit stelsel houdt in dat alleen bezwaar en beroep mogelijk is indien – voor zover hier van belang – sprake is van een voor bezwaar vatbare beschikking. Een beschikking is voor bezwaar vatbaar als deze beschikking in een belastingwet als zodanig wordt aangemerkt. Dit gesloten stelsel van rechtsbescherming kan meebrengen dat tegen een besluit geen bezwaar bij de inspecteur en beroep bij de belastingrechter mogelijk is; wel kan een geschil daarover aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd. 2.
- Op grond van artikel 91, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) beslist de inspecteur op de in dat artikellid genoemde verzoeken bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Noch in artikel 91, eerste lid, van de Wbm, noch in het Besluit is bepaald dat de inspecteur bij een voor bezwaar vatbare beschikking beslist op een verzoek om teruggaaf van energiebelasting in gevallen waarin achter één elektriciteitsaansluiting meerdere onroerende zaken zijn aangesloten. Naar het oordeel van de rechtbank is een beslissing op een dergelijk verzoek geen voor bezwaar vatbare beschikking, maar een ambtshalve genomen besluit op basis van begunstigd beleid. Hieruit volgt dat er geen bezwaar of beroep kan worden ingesteld tegen de afwijzing van het door eiser ingediende verzoek. 2.
- Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard, zij het om een andere reden dan de inspecteur in de uitspraak op bezwaar heeft vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van I. Ben Avi, griffier, op 29 november 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Stcrt. 2023,
- De teruggaafregeling is inhoudelijk ongewijzigd gebleven ten opzichte van de versies van het beleidsbesluit die vanaf 2017 van kracht waren. Vgl. Hoge Raad 13 april 2019, ECLI:NL:HR:2018:505, r.o. 2.6.
- Dit volgt uit artikel 26 van de AWR in samenhang met artikel 7:1 van de Awb. Vgl. Hoge Raad 13 april 2019, ECLI:NL:HR:2018:505.